< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 31 juli 2019 heeft de korpschef van politie de jachtakte van [appellant] ingetrokken. Bij besluit van 17 januari 2020 heeft de minister van Justitie en Veiligheid het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] was houder van een jachtakte die geldig was van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2020. Bij een verkeerscontrole op 1 juni 2019 is door middel van een blaastest bij [appellant] een alcoholgehalte van 245 µg/l gemeten. Omdat het verboden is een voertuig te besturen bij een alcoholgehalte van hoger dan 220 µg/l is tegen [appellant] proces-verbaal opgemaakt wegens rijden onder invloed. De officier van justitie heeft op 11 juli 2019 aan [appellant] een strafbeschikking uitgevaardigd die een boete van € 325,- inhoudt. De korpschef heeft de jachtakte van [appellant] hierna ingetrokken, omdat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. [appellant] kan zich daarmee niet verenigen.

Uitspraak



202005417/1/A3.Datum uitspraak: 6 oktober 2021

AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 augustus 2020 in zaak nr. 20/423 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2019 heeft de korpschef van politie de jachtakte van [appellant] ingetrokken.

Bij besluit van 17 januari 2020 heeft de minister het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.M. Timmer-Arends, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Gier, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. appellant] was houder van een jachtakte die geldig was van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2020. Bij een verkeerscontrole op 1 juni 2019 is door middel van een blaastest bij [appellant] een alcoholgehalte van 245 µg/l gemeten. Omdat het verboden is een voertuig te besturen bij een alcoholgehalte van hoger dan 220 µg/l is tegen [appellant] proces-verbaal opgemaakt wegens rijden onder invloed. De officier van justitie heeft op 11 juli 2019 aan [appellant] een strafbeschikking uitgevaardigd die een boete van € 325,- inhoudt. De korpschef heeft de jachtakte van [appellant] hierna ingetrokken, omdat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. [appellant] kan zich daarmee niet verenigen. Hij jaagt al meer dan zestig jaar en is sinds jaar en dag actief in het binnen- en buitenland en houdt zich onder meer bezig met de jachtopleiding, schadebestrijding en populatiebeheer. Op 31 mei 2021 heeft de officier van justitie [appellant] kennisgegeven van zijn beslissing om hem niet meer te vervolgen en de strafbeschikking in te trekken wegens een combinatie van factoren, waaronder zijn gezondheidstoestand en de geringe overschrijding van het maximaal toegestane alcoholgehalte.

Hoger beroep

2. [ appellant] betoogt dat de rechtbank de minister ten onrechte in zijn standpunt is gevolgd dat hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Dat dit het geval zou zijn, vloeit niet zonder meer voort uit het rijden onder invloed. Hij is eenmalig in de fout gegaan en wijt dat aan een inschattingsfout. Dat een intrekking van zijn jachtakte nodig is om de veiligheid in de samenleving te beschermen is niet aangetoond. [appellant] wijst op de Circulaire wapens en munitie (hierna: Cwm) van 2016, waarin stond dat bijvoorbeeld een incidentele veroordeling wegens het rijden onder invloed niet zonder meer hoeft te leiden tot intrekking. De rechtbank heeft niet onderkend dat de intrekking in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Ten onrechte heeft zij geoordeeld dat de korpschef niet hoefde te volstaan met een schriftelijke waarschuwing.

[appellant] stelt dat de intrekking meer weg heeft van een verkapte strafmaatregel dan een bestuursrechtelijke maatregel ter bescherming van de veiligheid en dat de korpschef misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen ruimte is voor een belangenafweging. In de Cwm 2018 worden enkele omstandigheden vermeld die tot het afwijken van de terugkijktermijn kunnen leiden. Die omstandigheden zijn verbonden aan de persoon van de aanvrager van een jachtakte. [appellant] stelt dat er een algemeen belang en een persoonlijk belang is om te kunnen blijven jagen. Tot slot heeft de rechtbank zijn betoog dat de intrekking in strijd is met het gelijkheidsbeginsel ten onrechte niet beoordeeld, aldus [appellant].

Beoordeling van het hoger beroep

2.1.

Voor de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

2.2.

Uit artikel 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) volgt dat een jachtakte in elk geval wordt ingetrokken indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Als er zulke aanwijzingen zijn, is er geen ruimte voor een belangenafweging. Dat doet echter niet af aan het feit dat alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden betrokken bij de beoordeling of er zulke aanwijzingen zijn.

2.3.

Uit paragraaf 1.2 van Bijzonder deel B van de Cwm 2018, die ten tijde van het besluit van 17 januari 2020 van toepassing was, volgt dat degene die wapens en munitie voorhanden mag hebben in een bijzondere positie verkeert ten opzichte van zijn medeburgers. In het algemeen geldt immers een wettelijk verbod op het voorhanden hebben van wapens en munitie. Die bijzondere positie brengt met zich dat van de houder van een jachtakte stipte naleving van wettelijke voorschriften wordt verlangd, ook als deze niet gerelateerd zijn aan de wapenwetgeving. Ook wordt van de houder verlangd dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van een uitzondering op het verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben is reeds voldoende voor intrekking van een jachtakte. Verder volgt uit de Cwm 2018 dat de houder van een jachtakte het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd als hij binnen de terugkijktermijn van vier jaar is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd. De vrijwillige betaling van een geldboete die bij strafbeschikking door het Openbaar Ministerie is opgelegd wordt gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.

In de Cwm 2018 staat niet dat elke overtreding van een wettelijk voorschrift moet leiden tot intrekking van een jachtakte. De circulaire biedt uitdrukkelijk de ruimte om af te zien van intrekking, ook al zijn wettelijke voorschriften overtreden. Zo mag volgens de Cwm 2018 worden afgeweken van het uitgangspunt dat een houder van een jachtakte - kort gezegd - de laatste acht of vier jaren (afhankelijk van de overtreding) niet strafrechtelijk mag zijn veroordeeld. Volgens de Cwm 2018 moeten daarbij de aard en de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum en eventuele disculperende omstandigheden in aanmerking worden genomen. Een overtreding hoeft niet zonder meer te leiden tot intrekking of weigering van een vergunning maar kan, afhankelijk van de omstandigheden, worden afgedaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

2.4.

Aan [appellant] is een strafbeschikking uitgevaardigd wegens rijden onder invloed. In de Cwm 2016 was vermeld dat rijden onder invloed niet zonder meer hoeft te leiden tot een intrekking, maar dat dit afhankelijk van de omstandigheden kan worden afgedaan met een schriftelijke waarschuwing. Dat in de Cwm 2018 deze passage niet meer is opgenomen, betekent niet dat die ruimte om af te wijken van deze circulaire er niet meer is. In dit geval is van belang dat het om een incidentele strafbeschikking gaat en dat niet in geschil is dat de overschrijding van het toegestane alcoholgehalte gering is. Niet is gebleken dat [appellant] zich binnen de terugkijktermijn schuldig heeft gemaakt aan een andere overtreding van een wettelijk voorschrift. Verder beschikt [appellant], geboren in 1941, al sinds 1960 over een jachtakte. Jagen speelt, zoals [appellant] stelt, een centrale rol in zijn leven en de intrekking van zijn jachtakte als gevolg van een inschattingsfout, die hij betreurt, heeft een grote impact op zijn welbevinden. Op grond van het vorenstaande volgt de Afdeling het standpunt van de minister, dat aan [appellant] het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd, niet. De korpschef had in dit geval moeten volstaan met een schriftelijke waarschuwing. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Slotsom

3. Het hoger beroep is gegrond. De overige gronden behoeven geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van de minister van 17 januari 2020 wegens strijd met artikel 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wnb vernietigen. De Afdeling zal het besluit van de korpschef van 31 juli 2019 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 17 januari 2020.

4. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 augustus 2020, in zaak nr. 20/423;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Justitie en Veiligheid van 17 januari 2020, kenmerk WJ 4561;

V. herroept het besluit van de korpschef van politie van 31 juli 2019, kenmerk 270520;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder IV. vernietigde besluit;

VII. veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het administratief beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.111,- (zegge: drieduizend honderdelf euro), waarvan € 2.992,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de minister van Justitie en Veiligheid aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 439,- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2021

629

BIJLAGE

Wet natuurbescherming

Artikel 5. 4

[…]

4. De jachtakte wordt in elk geval ingetrokken indien:

[…];

c. de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;

[…].

Circulaire wapens en munitie 2018

B. Bijzonder deel (B)

1. Geen vrees voor misbruik

1.1.

Algemeen

[…]

‘Vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.

1.2.

Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium

Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.

Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).

Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen.

Bij dergelijk onderzoek kan blijken van:

A. veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;

B. andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

Ad A. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)

Strafbare feiten

De aanvrager of houder van een in de Wet wapens en munitie genoemde vergunning mag op het moment van de aanvraag en tijdens het houderschap niet:

a. met toepassing van artikel 37 respectievelijk artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht binnen de afgelopen acht jaren in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst dan wel ter beschikking zijn gesteld;

b. binnen de laatste acht jaren zijn veroordeeld wegens:

1. het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd;

2. het plegen van een misdrijf waarbij geweld of bedreiging met geweld heeft plaatsgevonden;

3. het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Wet wapens en munitie;

4. het plegen van een misdrijf of overtreding op grond van de Opiumwet.

c. binnen de laatste vier jaren zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd.

Ad b.

Wanneer de aanvrager gedurende de voor zijn aanvraag relevante terugkijktermijn enige tijd een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel heeft ondergaan wordt de van toepassing zijnde terugkijktermijn (telkens) vermeerderd met de feitelijke duur van de vrijheidsbeneming. Dit totdat de termijn bestaat uit in totaal vier dan wel acht jaren, waarin geen sprake is geweest van een vrijheidsbenemende straf of maatregel. De betrokkene heeft immers gedurende de duur van de vrijheidsbenemende straf of maatregel niet kunnen laten zien dat hij geen (relevante) strafbare feiten meer zal plegen.

Ad c.

Indien op een veroordeling zowel de criteria genoemd onder ‘b’ alsmede de criteria genoemd onder ‘c’ van toepassing zijn (bijvoorbeeld een geweldsmisdrijf waarbij aan de dader een geldboete is opgelegd), dan is de onder ‘b’ genoemde termijn van acht jaar het uitgangspunt voor de beoordeling van de vraag of het voorhanden hebben van wapens en munitie (nog langer) aan betrokkene kan worden toevertrouwd.

Transacties en strafbeschikkingen

Vrijwillige betaling van een geldsom, als bedoeld in artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht (een transactie met het Openbaar Ministerie), of als bedoeld in artikel 257a, 257b en 257ba van het Wetboek van Strafvordering (een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar) wordt gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.

Afwijking termijnen

Er is ruimte om (gemotiveerd) van bovengenoemde leidraad af te wijken. De korpschef kan indien het gaat om een (toekomstig) vergunninghouder een kortere periode hanteren als de aard of de ernst van de verweten gedragingen, de kans op recidive, de recente persoonlijke ontwikkelingen van de betrokkene, de pleegdatum of eventuele disculperende omstandigheden dat toelaten. Zo hoeft bijvoorbeeld een lichte onregelmatigheid met betrekking tot de naleving van de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen, niet zonder meer te leiden tot intrekking of weigering van een vergunning maar kan dit, afhankelijk van de omstandigheden, worden afgedaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.

Omgekeerd kan de korpschef ook een langere termijn aanhouden indien diezelfde factoren daartoe aanleiding geven, in het bijzonder als de aanvrager (vergunninghouder), op basis van zijn strafrechtelijk verleden, moet worden gekenschetst als een recidivist of een gewoontecrimineel.

Daar zal aanleiding toe zijn wanneer de veroordelingen buiten de termijn aansluiten op enkele of een reeks veroordelingen binnen de termijn. Een incidentele veroordeling buiten de termijn of meerdere van die veroordelingen, maar dan in een geïsoleerde periode die verder in het verleden ligt, worden niet in de beoordeling betrokken, tenzij het om een zeer ernstig feit gaat waaraan bij de vergunningaanvraag niet kan worden voorbij gegaan.

Bij gebleken illegaal wapenbezit, ongeoorloofd wapengebruik, ernstige geweldsdelicten, drugsdelicten of een lange reeks van strafbare feiten is er alle reden zware maatstaven aan te leggen ten aanzien van de periode waarover de aanvrager zal moeten aantonen zich aan de wettelijke normen te kunnen houden. Afwijking (naar beneden) van bovengenoemde leidraad zal in die gevallen zwaar moeten worden gemotiveerd.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature