< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 19 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Uitspraak



202103955/1/V3.

Datum uitspraak: 4 oktober 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 14 juni 2021 in zaak nr. NL21.6315 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 14 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.       Deze uitspraak gaat over het recht van een vreemdeling om bij het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling te worden bijgestaan door zijn raadsman (artikel 100, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 5.2, vijfde lid van het Vb 2000).

2.       De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hem mocht worden gevraagd het gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling te laten plaatsvinden zonder advocaat en dat niet is gebleken dat de vreemdeling daarbij onder druk is gezet of daardoor in zijn belangen is geschaad. De vreemdeling heeft daarbij de hem gebleken werkwijze van de Koninklijke Marechaussee vermeld, die inhoudt dat een vreemdeling die na 20.00 uur wordt opgehouden wordt gezegd dat er geen advocaat meer beschikbaar is, dat hij die de volgende ochtend kan spreken en dat vervolgens de vreemdeling wordt gevraagd of hij het goed vindt om alvast een paar vragen te beantwoorden. Hij wijst er daarbij op dat in zijn geval toen niet is gezegd dat hij tot de volgende ochtend mag wachten om te worden gehoord in aanwezigheid van een advocaat en stelt dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad. Als hem duidelijk was geweest dat hij het recht had om te wachten met het gehoor totdat er een advocaat was zou hij daarop hebben gewacht.

2.1.    De staatssecretaris heeft in zijn nadere stuk vermeld dat de vreemdeling om 21.10 uur is aangekomen op de plaats bestemd voor gehoor alwaar hij krachtens artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 is opgehouden. Op dat moment kon volgens de staatssecretaris via de piketcentrale van de Raad voor Rechtsbijstand geen advocaat meer worden bereikt. De vreemdeling is daarom medegedeeld dat er geen advocaat bij het gehoor aanwezig kon zijn, maar dat deze hem op een later tijdstip zal bezoeken. De staatssecretaris heeft verder erkend dat de vreemdeling niet uitdrukkelijk is gezegd dat hij ook het recht had om op een advocaat te wachten alvorens hij zou worden gehoord.

2.2.    Blijkens de weergave van de staatssecretaris is in het geval van de vreemdeling in de avond van 19 april 2021 verzuimd hem te melden dat hij de volgende ochtend een advocaat zou kunnen spreken en ook dat hij het recht heeft om tot de volgende ochtend op die advocaat te wachten  alvorens hij zou worden gehoord. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat aan de vreemdeling mocht worden gevraagd om het gehoor zonder zijn advocaat te laten plaatsvinden. Dit verzuim betekent dat het recht van de vreemdeling op toevoeging van een raadsman bij vrijheidsontneming, bedoeld in artikel 100, eerste lid, van de Vw 2000 , is geschonden en dat de rechtbank ook ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling niet in zijn belangen is geschaad.

2.3.    Dit gebrek maakt de inbewaringstelling, indien voor de rest aan alle in de wet gestelde vereisten daarvoor is voldaan, pas onrechtmatig indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 20 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:157. De omstandigheid dat de vreemdeling tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaring rechtsbijstand is onthouden en in dat verband onjuist is voorgelicht, is een ernstig gebrek. Gelet op de aard van de maatregel en nu niet is gebleken van zeer zwaarwegende belangen aan de zijde van de staatssecretaris die aanleiding kunnen geven om aan dat gebrek voorbij te gaan, valt de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling uit. Dit betekent dat de inbewaringstelling van de vreemdeling van aanvang af onrechtmatig is.

2.4.    De grief slaagt.

3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt  vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 14 juni 2021 in zaak nr. NL21.6315;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.      kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 200,00 over de periode van 19 april 2021 tot en met 20 april 2021, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Verheij

voorzitter      

w.g. Van Meurs-Heuvel

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2021

47


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature