E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RVS:2021:2180
Raad van State, 202004032/1/V6

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 14 januari 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellant] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. Aan [appellant] is op 15 juni 2007 een verblijfsvergunning verleend in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet. De verblijfsvergunning is met ingang van 15 juni 2008 gewijzigd in de beperking 'voortgezet verblijf' en laatstelijk verlengd tot 15 juni 2018. [appellant] is met ingang van 7 mei 2018 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Bij besluit van 1 april 2019 heeft de staatssecretaris op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap de afwijzing van het verzoek om het Nederlanderschap gehandhaafd, omdat [appellant] niet sinds ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf in Nederland heeft gehad op grond van de juiste persoonsgegevens.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie