< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 21 november 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Venray aan [appellante sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een vleesvarkensstal in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het veranderen en het in werking hebben van een inrichting op het perceel [locatie 1] in Leunen. [appellante sub 2] exploiteert een varkenshouderij op het perceel. Hij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor een nieuw te bouwen vleesvarkensstal voor de huisvesting van 2.880 vleesvarkens voorzien van een biologische combiluchtwasser met 85% ammoniak- en geurreductie. Het totale aantal te houden dieren komt daarmee op 10.319. [appellant sub 1] en anderen wonen in de omgeving van het perceel. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast door het optreden van geurhinder als gevolg van verlening van de gevraagde vergunning.

Uitspraak



201908219/1/R2.

Datum uitspraak: 11 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.       [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Leunen, gemeente Venray,

2.       [appellante sub 2], gevestigd te Leunen, gemeente Venray,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 oktober 2019 in zaak nr. 18/39 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Venray.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2017 heeft het college aan [appellante sub 2] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een vleesvarkensstal in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het veranderen en het in werking hebben van een inrichting op het perceel [locatie 1] in Leunen (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 4 oktober 2019 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2021, waar [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. V. Wösten, rechtsbijstandverlener te Den Haag, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Billekens en ing . F. van Bergen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante sub 2] exploiteert een varkenshouderij op het perceel. Hij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor een nieuw te bouwen vleesvarkensstal voor de huisvesting van 2.880 vleesvarkens voorzien van een biologische combiluchtwasser met 85% ammoniak- en geurreductie. Het totale aantal te houden dieren komt daarmee op 10.319.

Ter plaatse geldt het bij besluit van 14 december 2010 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Venray 2010" en het bij besluit van 1 november 2016 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Venray 2010, herziening regels". Op het perceel rust de bestemming "Agrarisch". Vast staat dat de gevraagde vergunning in strijd is met deze bestemming.

Om de gevraagde omgevingsvergunning aan [appellante sub 2] te verlenen, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3 º, van de Wabo en artikel 2.14 van de Wabo . De ruimtelijke onderbouwing is neergelegd in het rapport "Ruimtelijke onderbouwing. Voor een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder c juncto artikel 2.12, lid 1, onder a, ten derde van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht " van 21 december 2016, opgesteld door adviesbureau Forfarmers-Farmconsult, in opdracht van [appellante sub 2]. De ruimtelijke onderbouwing gaat ook in op de milieugevolgen van het veranderen en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.14 van de Wabo . De ruimtelijke onderbouwing is aan het besluit van 21 november 2017 ten grondslag gelegd.

[appellant sub 1] en anderen wonen in de omgeving van het perceel. Zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast door het optreden van geurhinder als gevolg van verlening van de gevraagde vergunning.

Beoordeling van het incidenteel hoger beroep

2.       [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank [appellant sub 1] en anderen ten onrechte heeft aangemerkt als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Hij voert daartoe aan dat [appellant sub 1] en anderen geen hinder van enige betekenis ondervinden als gevolg van de verleende vergunning. De rechtbank heeft daarmee het beroep van [appellant sub 1] en anderen ten onrechte ontvankelijk verklaard.

2.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb .

2.2.    Bij uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3 tot en met 4.8, heeft de Afdeling - tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 - overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb , maar die wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.

2.3.    De Afdeling stelt vast dat de wetgever een ieder de mogelijkheid heeft geboden om over het ontwerp van de omgevingsvergunning een zienswijze in te dienen. [appellant sub 1] en anderen hebben van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt en een zienswijze ingediend over het ontwerp van de omgevingsvergunning. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank het beroep van [appellant sub 1] en anderen alleen al daarom terecht ontvankelijk heeft geacht.

Het betoog faalt.

2.4.    Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

Beoordeling van het hoger beroep

3.       [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat verlening van de gevraagde vergunning leidt tot onaanvaardbare geurhinder in de omgeving.

4.       Zij voeren daartoe als eerste aan dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de waarden van de geurbelasting ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] en anderen als opgenomen in de door het college ingediende berekeningen van de geurbelasting als gevolg van de inrichting. Volgens [appellant sub 1] en anderen zijn deze waarden gebaseerd op onjuiste milieu-informatie. De gehanteerde rekenmethode gaat uit van een gecombineerde luchtwasser met een emissiereductierendement van 85%. De emissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers, waaronder ook het op het perceel vergunde type BWL 2009.12, in de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: de Rgv) zijn op 19 juli 2018 gewijzigd wegens nieuwe milieuwetenschappelijke inzichten. Een actuele V-Stacksberekening op basis van de gewijzigde geuremissiefactor voor gecombineerde luchtwassers laat zien dat de geurbelasting bij de vier woningen van [appellant sub 1] en anderen fors hoger ligt. De hoogste geurbelasting is volgens [appellant sub 1] en anderen niet 2,7 ouE/m3, maar 6,8 ouE/m3 op de woning aan de Scheiweg 8. De rechtbank heeft miskend dat het college de geurbelasting heeft onderschat en had moeten uitgaan van de daadwerkelijke geurbelasting. Volgens [appellant sub 1] en anderen beschikte het college ten tijde van de vergunningverlening op 21 november 2017 over voldoende informatie om niet uit te kunnen gaan van een emissiereductierendement van 85%. De Wageningen University & Research (hierna: WUR) had al in 2017 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu de opdracht gekregen om onderzoek te doen naar de werking van in de praktijk draaiende luchtwassers naar aanleiding van ernstige aanwijzingen dat de luchtwassers niet de rendementen leveren als genoemd in de wet- en regelgeving over geurhinder, aldus [appellant sub 1] en anderen. In het uiteindelijke rapport van WUR is dit bevestigd, wat heeft geleid tot aanpassing van de Rgv. Voor zover de emissiefactor direct volgt uit de Rgv zoals die gold ten tijde van het besluit van 21 november 2017, had de Rgv volgens [appellant sub 1] en anderen bij wijze van exceptieve toetsing buiten toepassing moeten worden gelaten, omdat het daarin opgenomen emissiereductierendement van 85% voor gecombineerde luchtwassers van type BWL 2009.12 niet is gebaseerd op deugdelijk milieuwetenschappelijk onderzoek en daarmee in strijd is met artikel 3:2 van de Awb en artikel 3.4, tweede lid, van die wet.

[appellant sub 1] en anderen voeren ten tweede aan dat de in de ruimtelijke onderbouwing gehanteerde geurnorm van 14 ouE/m3 in strijd is met de Herziene Nota Stankbeleid van het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: VROM) uit 1994 (hierna: het Rijksstankbeleid). In het Rijksstankbeleid is een bovengrens van 10 ge/m3 genoemd, wat volgens [appellant sub 1] en anderen overeenkomt met 5 ouE/m3.

Toetsingskader Wet geurhinder en veehouderij en Rgv

4.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) vormt die wet bij de beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij het exclusieve toetsingskader voor de beoordeling van geurhinder vanwege de stallen van de inrichting.

De Afdeling stelt vast dat het perceel ligt binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom, als bedoeld in de Wgv.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wgv wordt een omgevingsvergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14 ouE/m3.

In artikel 10 van de Wgv is bepaald dat bij de Rgv regels worden gesteld over de wijze waarop de geurbelasting, bedoeld in artikel 3 van de Wgv , wordt bepaald.

In artikel 2, eerste lid, van de Rgv , zoals deze luidde ten tijde van belang, is bepaald dat de geurbelasting vanwege een veehouderij moet worden berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2010.

Op grond van het vijfde lid is de geuremissie vanuit een veehouderij de som van de voor de verschillende diercategorieën, gehouden in de onderscheiden dierenverblijven, berekende aantallen odour units per seconde per dier.

Op grond van het zesde lid is het aantal odour units per seconde per dier van een diercategorie, het aantal dieren van die diercategorie vermenigvuldigd met de daarvoor in bijlage 1 opgenomen geuremissiefactor.

Onderzoek WUR en wijziging Rgv

4.2.    Ten tijde van het nemen van het besluit van 21 november 2017 was door de staatssecretaris aan WUR opdracht gegeven voor onderzoek naar het geurrendement van luchtwassers. [appellant sub 1] en anderen stellen dat dit is geschied naar aanleiding van ernstige aanwijzingen dat luchtwassers niet de rendementen leveren die in de Rgv worden genoemd.

In het rapport "Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen. Deel 1: Oriënterend onderzoek naar werking gecombineerde luchtwassers en verschillen tussen geurlaboratoria", opgesteld door WUR in maart 2018, zijn de resultaten opgenomen van een onderzoek naar de reductiepercentages van luchtwassystemen in de praktijk. Daarin is geconcludeerd dat de geurreductie van gecombineerde luchtwassystemen in de praktijk veel lager is dan waar in de Rgv van wordt uitgegaan. Dit onderzoek vormde de aanleiding om de geuremissiefactoren voor deze luchtwassystemen in bijlage 1 bij de Rgv te verhogen.

Op 1 mei 2018 is het concept van de "Regeling tot wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij (periodieke actualisatie emissiefactoren voor ammoniak en geur)" gepubliceerd in het kader van de internetconsultatie daarover.

Op 20 juli 2018 is de "Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 17 juli 2018, nr. IENW/BSK-2018/147628, tot wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij (wijzigingen rendement geur voor bepaalde luchtwassystemen en periodieke actualisatie emissiefactoren voor ammoniak en geur)" overeenkomstig het op 1 mei 2018 gepubliceerde concept in werking getreden. Bij deze wijziging is onder andere de geuremissiefactor voor het aangevraagde luchtwassysteem BWL 2009.12 verhoogd, waarbij niet langer wordt uitgegaan van een geurreductie van 85%, maar van 45%.

Omvang van het geding

4.3.    Het college stelt in zijn schriftelijke uiteenzetting dat [appellant sub 1] en anderen voor het eerst in hoger beroep aanvoeren dat de Rgv bij wijze van exceptieve toetsing buiten toepassing had moeten worden gelaten.

De Afdeling overweegt dat [appellant sub 1] en anderen in beroep hebben aangevoerd dat het college de vergunning niet had mogen verlenen, omdat bij de geurberekening die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt is uitgegaan van onjuiste emissiefactoren voor de gebruikte luchtwasser. De stelling dat het in de Rgv opgenomen emissiereductierendement van 85% voor gecombineerde luchtwassers van het type BWL 2009.12 niet is gebaseerd op deugdelijk milieuwetenschappelijk onderzoek en de Rgv daarmee in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb , en om die reden buiten toepassing had moeten worden gelaten, is een nader argument ter onderbouwing van het betoog dat het college bij de geurberekening is uitgegaan van onjuiste emissiefactoren. Anders dan het college stelt, mag deze stelling in hoger beroep dus worden aangevoerd.

Had het college de Wgv en de Rgv buiten toepassing moeten laten?

4.4.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 1] en anderen aldus dat het college in het besluit van 21 november 2017 bij de beoordeling van de geurbelasting van de inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo :

- de krachtens artikel 10 van de Wgv in bijlage 1 bij de Rgv opgenomen geuremissiefactoren buiten toepassing had moeten laten omdat die niet zijn gebaseerd op deugdelijk milieuwetenschappelijk onderzoek en daarom in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 3:4 van de Awb ;

- de in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wgv neergelegde geurnorm van 14 ouE /m3 buiten toepassing had moeten laten wegens strijd met het Rijksstankbeleid.

Voorts begrijpt de Afdeling het betoog van [appellant sub 1] en anderen aldus dat het college in het besluit van 21 november 2017 bij de beoordeling van de cumulatieve geurhinder in het kader van de beslissing op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo :

- geen aansluiting had mogen zoeken bij de in bijlage 1 bij de Rgv opgenomen geuremissiefactoren omdat die niet zijn gebaseerd op deugdelijk milieuwetenschappelijk onderzoek;

- geen aansluiting had mogen zoeken bij de in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wgv neergelegde geurnorm van 14 ouE /m3 wegens strijd met het Rijksstankbeleid.

- Vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo

4.5.    Uit de artikelen 2, 3 en 10 van de Wgv , in samenhang gelezen met artikel 2 van de Rgv , volgt dat het college bij de beoordeling van de geurbelasting van de inrichting de mate van geurhinder moest berekenen aan de hand van de in bijlage 1 bij de Rgv opgenomen geuremissiefactoren die op dat moment gelden. Dit heeft de Afdeling eerder overwogen in onder meer de uitspraken van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3423, en van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1069. De Wgv biedt niet de vrijheid om andere geuremissiefactoren te hanteren.

4.6.    Ten tijde van het nemen van het besluit van 21 november 2017 waren de geuremissiefactoren in bijlage 1 bij de Rgv nog niet verhoogd. Op basis van de geuremissiefactoren zoals die op dat moment golden, kon de vergunning zoals door [appellante sub 2] aangevraagd worden verleend.

4.7.    [appellant sub 1] en anderen gaan er ten onrechte van uit dat het exclusieve wettelijke toetsingskader van de Wgv buiten toepassing kan worden gelaten, indien aannemelijk zou zijn gemaakt dat dat toetsingskader niet is gebaseerd op deugdelijk milieuwetenschappelijk onderzoek. De omstandigheid dat dat aannemelijk zou zijn gemaakt is, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1069, onder 2.5, op zichzelf geen grondslag om een wet in formele zin zoals de Wgv buiten toepassing te laten door andere geuremissiefactoren te hanteren dan krachtens de Wgv bij de Rgv zijn gesteld. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben gesteld geen aanleiding om daarover nu anders te oordelen. Voor het het buiten toepassing laten van de krachtens artikel 10 van de Wgv in bijlage 1 bij de Rgv opgenomen geuremissiefactoren, zoals [appellant sub 1] en anderen nastreven, bestaat onder deze omstandigheden dan ook geen grondslag.

Daarnaast gaan zij er ten onrechte van uit dat beweerdelijke strijd met rijksbeleid een grondslag is om een wet in formele zin zoals de Wgv buiten toepassing te laten.

4.8.    Het college heeft bij het nemen van het besluit van 21 november 2017 voor de beoordeling van de geurbelasting van de inrichting dan ook terecht de op dat moment in bijlage 1 bij de Rgv opgenomen geuremissiefactoren gehanteerd, die waren gebaseerd op een geurreductie van 85% bij een gecombineerde luchtwasser van type BWL 2009.12. De omstandigheid dat ten tijde van dat besluit aan WUR opdracht was gegeven voor onderzoek - naar [appellant sub 1] en anderen stellen: naar aanleiding van ernstige aanwijzingen dat de luchtwassers niet de rendementen leveren die in de Rgv worden genoemd - betekent niet dat het college had mogen en moeten afwijken van het exclusieve toetsingskader van de Wgv. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van de geurbelasting van de inrichting onjuiste geuremmissiereductiefactoren heeft gehanteerd.

Het betoog faalt in zoverre.

- Vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo

4.9.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat, anders dan bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo , het college bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo niet gehouden is om de cumulatieve geurhinder met toepassing van de Rgv en de daarin opgenomen geuremissiefactoren vast te stellen. Volgens de rechtbank ligt het uiteraard wel voor de hand om bij het vaststellen van cumulatieve geurhinder (met V-Stacks gebied) uit te gaan van dezelfde geuremissiefactoren als bij het berekenen van de voorgrondbelasting (met V-Stacks vergunning) worden gehanteerd. Aan dat uitgangspunt kan het bevoegd gezag niet vasthouden indien bij de voorbereiding van het besluit blijkt dat deze emissiefactoren achterhaald zijn en niet langer representatief worden geacht, aldus de rechtbank. Omdat dit laatste ten tijde van het nemen van het bestreden besluit echter (nog) niet aan de orde was, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college in het ruimtelijk spoor geen gebruik heeft mogen maken van de geuremissiefactoren die toen in de Rgv waren opgenomen, aldus de rechtbank.

4.10.  Zoals hiervoor, onder 4.2, is overwogen, had de staatssecretaris ten tijde van het besluit van 21 november 2017 aan WUR opdracht gegeven voor onderzoek naar het geurrendement van luchtwassers. Volgens [appellant sub 1] en anderen is dat geschied naar aanleiding van ernstige aanwijzingen dat luchtwassers niet de rendementen leveren die in de Rgv worden genoemd. Dit laat echter onverlet dat de resultaten van het onderzoek van WUR pas bekend zijn geworden met de publicatie van het onderzoeksrapport in maart 2018. Daargelaten welk oordeel zou moeten worden geveld als dit ten tijde van het nemen van het besluit van 21 november 2017 al het geval was geweest, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling dan ook terecht overwogen dat het college bij de beslissing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo gebruik heeft mogen maken van de emissiefactoren die toen in de Rgv waren opgenomen. In wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld.

Voorts overweegt de Afdeling dat het college bij de beslissing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo , niet gebonden is aan rijksbeleid, maar dat het daarmee wel rekening dient te houden. In wat [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij het vaststellen van de cumulatieve geurhinder, voor zover het de geurbelasting betreft die een veehouderij op een geurgevoelig object binnen een concentratiegebied buiten de bebouwde kom mag veroorzaken, geen aansluiting had mogen zoeken bij de in artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wgv neergelegde geurnorm van 14 ouE /m3.

Het betoog faalt in zoverre.

Achtergrondbelasting bij de [locatie 2]

5.       Subsidiair voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat als moet worden uitgegaan van de emissiereductiefactoren uit de Wgv zoals die golden ten tijde van de vergunningverlening, de rechtbank ten onrechte toelaatbaar heeft geacht dat bij de woning [locatie 2], die cumulatief overbelast is, de stankbelasting toeneemt. De Wgv laat volgens hen geen ruimte om een burgerwoning die geen onderdeel uitmaakt van de veehouderij bescherming tegen stank te ontzeggen, ook niet als deze eigendom is van de vergunningaanvrager. Dat de toename beperkt zou zijn - wat [appellant sub 1] en anderen bestrijden - en de hindercategorie niet wijzigt, is volgens hen onvoldoende om de toename aanvaardbaar te oordelen.

5.1.    In paragraaf 5.4 van de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat voor het beoordelen van de vraag of in de omgeving van het perceel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden verwacht ten aanzien van geurhinder, aansluiting is gezocht bij de "Aanvulling gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat" van 16 juni 2011 (hierna: de Gebiedsvisie). Daarin is een specifiek beoordelingskader opgenomen voor de beoordeling van geurhinder van veehouderijen in het kader van de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij het opstellen daarvan heeft de Handreiking bij de Wgv als basis gediend. Per type gebied wordt als streefwaarde een maximale waarde voor de voor- en achtergrondbelasting van geurhinder gehanteerd. Voor het buitengebied geldt een maximale achtergrondbelasting van 20 ouE/m3. Dit wordt aangeduid als een matig leefklimaat. Bij het vaststellen van het aanvaardbaar woon- en leefklimaat is rekening gehouden met het feit dat Venray een gemeente is met een groot aantal intensieve veehouderijen. In het buitengebied van Venray zijn zo’n 450 veehouderijen gelegen. Gelet op het grote aantal veehouderijen dat hier van oudsher gelegen is, het belang van de veehouderij voor de economie van de streek en de sterke binding die de inwoners hebben met de intensieve veehouderij, wordt een matig woon- en leefklimaat in het buitengebied acceptabel gevonden.

In de ruimtelijke onderbouwing is de achtergrondbelasting ter plaatse van 18 percelen in de directe omgeving van het perceel in kaart gebracht. Deze percelen zijn als maatgevend aangemerkt. Hiervoor is een V-Stacksberekening gemaakt. Op 17 percelen wordt aan de geurnorm van 20 ouE/m3 voldaan. Aan de [locatie 2] wordt die norm overschreden en is sprake van een geurbelasting van 25,377 ouE/m3 in de bestaande situatie en 25,615 ouE/m3 in de vergunde situatie. De situatie ter plaatse wordt in de Gebiedsvisie geclassificeerd als een "tamelijk slecht" woon- en leefklimaat.

[appellant sub 1] en anderen hebben een V-Stacksberekening overgelegd, waaruit naar voren komt dat op basis van de geurreductie zoals gehanteerd ten tijde van de aanvraag, op [locatie 2] ten gevolge van het voornemen een verschil in geurbelasting optreedt van 1,859 ouE/m3, vergeleken met de geurbelasting zonder [locatie 1]. Wat het door [appellant sub 1] en anderen berekende verschil betreft, is hun berekening gelijk aan die van het college. Het college heeft ter zitting onweersproken gesteld dat in de berekening van [appellant sub 1] en anderen alleen het verschil is berekend tussen de geurbelasting van het voornemen en de geurbelasting zonder [locatie 1] en niet het verschil tussen de geurbelasting van het voornemen en de eerder vergunde geurbelasting. De Afdeling overweegt daarom dat aan de hand van de berekening van [appellant sub 1] en anderen en wat zij daarover hebben toegelicht niet de conclusie kan worden getrokken dat de V-Stacksberekeningen die horen bij de aanvraag en waarop het college zich heeft gebaseerd, onjuist zijn.

Volgens de geurberekeningen van het college bedraagt de toename van de achtergrondbelasting ter plaatse van de [locatie 2] als gevolg van de voorgenomen uitbreiding 0,238 ouE/m3. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat het college gewicht heeft mogen toekennen aan de omstandigheid dat de achtergrondbelasting slechts licht toeneemt door de uitbreiding en dat de classificatie als een tamelijk slecht woon- en leefklimaat ongewijzigd blijft. Met de rechtbank ziet de Afdeling onder deze omstandigheden aanleiding voor het oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de geurbelasting ter plaatse van de woning aan de [locatie 2] niet in de weg stond aan verlening van de vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo .

Overigens merkt de Afdeling nog op dat in het op 12 mei 2021 vastgestelde bestemmingsplan "Veulenseweg ongen - [locatie 2] – [locatie 3] Leunen" aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Agrarisch" is toegekend en het gebruik als woning niet meer bij recht is toegestaan.

Het betoog faalt in zoverre.

Achtergrondbelasting bij de percelen van [appellant sub 1] en anderen

6.       Tot slot voeren [appellant sub 1] en anderen aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft beoordeeld of de achtergrondbelasting ter plaatse van hun woningen, indien wordt uitgegaan van een reductie van 85%, onaanvaardbaar toeneemt. De rechtbank heeft volgens hen ten onrechte de conclusie getrokken dat de achtergrondbelasting ter plaatse van hun woningen niet boven de 20 ouE/m3 komt, rekening houdende met de rendementen zoals die van kracht waren ten tijde van de aanvraag. [appellant sub 1] en anderen betogen dat blijkens een door hen gemaakte berekening met die rendementen sprake is van een cumulatieve geurbelasting variërend van 36,509 tot 44,969 ouE/m3 bij hun woningen. [appellant sub 1] en anderen betogen dat - met name in een situatie als hier, waarin sprake is van een hoge achtergrondbelasting - slechts bronnen die in een beperkte straal van bijvoorbeeld 100 m of 1.000 m rond een woning zijn gelegen, zouden moeten worden ingevoerd in V-Stacks gebied, omdat anders een te geringe relatieve bijdrage wordt berekend van de veehouderij waarop de aanvraag betrekking heeft. Gegeven de al zeer ernstig stankoverbelaste situatie bij hun woningen, had de vergunning niet verleend mogen worden, aldus [appellant sub 1] en anderen.

6.1.    Het college heeft ter zitting toegelicht dat bij het berekenen van de achtergrondbelasting een geurcontour van 500 m is gehanteerd en dat alle woningen daarbinnen zijn betrokken. De woningen van [appellant sub 1] en anderen liggen op grotere afstand en zijn daarom niet in de bij de aanvraag behorende geurberekening betrokken. In die berekening kwam naar voren dat de gehanteerde geurnorm van 20 ouE/m3 alleen ter plaatse van de [locatie 2] wordt overschreden. Daargelaten wat van die contour zij, bij de rechtbank heeft het college aanvullende berekeningen van 31 januari 2018 overgelegd waarin de geurbelasting op de woningen van [appellant sub 1] en anderen is bepaald. Het college heeft bij het nemen van het besluit van 21 november 2017 de op dat moment in bijlage 1 bij de Rgv opgenomen geuremissiefactoren gehanteerd, die waren gebaseerd op een geurreductie van 85% bij een gecombineerde luchtwasser van type BWL 2009.12. Dat geldt ook voor de alsnog door het college overgelegde berekeningen.

Voor zover [appellant sub 1] en anderen stellen dat het college in V-Stacks gebied bronnen in een te grote straal rond de woningen heeft meegenomen en dat daardoor een te geringe relatieve bijdrage is berekend van de veehouderij aan de [locatie 1], overweegt de Afdeling als volgt. In paragraaf 5.4 van de ruimtelijke onderouwing staat dat op basis van het meest recente vergunningenbestand van de gemeente Venray voor zowel de vergunde als de voorgenomen situatie de achtergrondbelasting van geur is berekend met de meest recente versie van het verspreidingsmodel V-Stacks gebied V2010.1. Ter zitting heeft het college toegelicht dat daarbij alle aan de geurbelasting bij een woning te relateren bedrijven zijn meegenomen. In paragraaf 3.5 van de "Gebruikershandleiding V-Stacks gebied. Verspreidingsmodel bij de Wet geurhinder en veehouderij. Versie 2010.1" van 26 april 2010 wordt ingegaan op de afbakening van het onderzoeksgebied. Volgens deze toelichting geldt als vuistregel dat de gegevens van de bedrijven en geurgevoelige objecten in het onderzoeksgebied en een bufferzone van minimaal 2 km daaromheen moeten worden verzameld. In paragraaf 3.6 wordt vermeld dat het bronnenbestand wordt ingelezen in V-Stacks gebied. In de Gebruikershandeling V-Stacks gebied ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat, zoals [appellant sub 1] en anderen betogen, met name bij een hoge achtergrondbelasting bronnen binnen het volgens die handleiding relevante gebied buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten om tot een juiste beoordeling van de bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling te komen. Zij hebben ook niet aangegeven welke concrete bronnen dat dan hadden moeten zijn.

[appellant sub 1] en anderen stellen dat uit de door hen overgelegde berekeningen blijkt dat bij verwezenlijking van het voornemen de cumulatieve geurbelasting ter plaatse van hun woningen bij een geurreductierendement van 85% varieert van 36,509 tot 44,969 ouE/m3.

          Daargelaten hoe [appellant sub 1] en anderen tot deze resultaten zijn gekomen, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de door het college berekende geurbelasting van 1,4 - 2,7 ouE/m3 ter plaatse van hun woningen onjuist is. Het college heeft ter zitting niet bestreden dat de cumulatieve geurbelasting op de woningen van [appellant sub 1] en anderen boven 20 ouE/m3 kan liggen. Nu de bijdrage van de uitbreiding van de veehouderij aan de [locatie 1] aan de geurbelasting ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] en anderen beperkt is, heeft de rechtbank evenwel terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in zoverre in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Relativiteitsvereiste

8.       Het college heeft betoogd dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat [appellant sub 1] en anderen zich met succes erop kunnen beroepen dat ter plaatse van de [locatie 2] niet wordt voldaan aan de geurnomen die zijn opgenomen in de Wgv. Omdat het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen ongegrond is, behoeft dit betoog geen bespreking.

Proceskosten

9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld op 31 juli 2021 door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2021

271-911.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature