< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 27 juni 2019 heeft de raad van de gemeente Oss het bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg - De Geer" vastgesteld. Bij besluit van 1 augustus 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oss aan Raedthuys Windenergie B.V. een omgevingsvergunning verleend voor twee windturbines. Het plan voorziet in de realisatie van windpark Elzenburg - De Geer en voorziet voor zover van belang bij recht in vier windturbines met een maximale tiphoogte van 210 m ten noorden van het bedrijventerrein Elzenburg - De Geer en in twee windturbines door middel van een wijzigingsbevoegdheid. De omgevingsvergunningen zijn tijdelijke vergunningen voor de periode van 25 jaar. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wonen aan de [locatie 1]. [appellant sub 1C] is eigenaar van [bedrijf], een hondenfokkerij, -school, honden- en kattenpension, dagopvang en trimsalon, gevestigd aan de [locatie 1]. Hierna worden zij gezamenlijk en in enkelvoud aangeduid als [appellant sub 1].

Uitspraak



201906442/1/R2.Datum uitspraak: 28 juli 2021

AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

a. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], allen wonend dan wel bedrijf houdend te Macharen, gemeente Oss,

b. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], (hierna tezamen en in enkelvoud [appellant sub 2]), wonend te Berghem, gemeente Oss,

appellanten,

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Oss,

2. de raad van de gemeente Oss,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg - De Geer" vastgesteld.

Bij besluit van 1 augustus 2019 heeft het college aan Raedthuys Windenergie B.V. een omgevingsvergunning verleend voor twee windturbines.

Bij besluit van 1 augustus 2019 heeft het college aan de gemeente Oss een omgevingsvergunning verleend voor twee windturbines.

De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

Tegen deze besluiten hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2021, waar [appellant sub 1A], en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Windpark Elzenburg-De Geer B.V, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, en de gemeente Oss, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen als partij gehoord.

Overwegingen

Bijlage

De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bij deze uitspraak behorende bijlage.

Inleiding

1. Het plan voorziet in de realisatie van windpark Elzenburg - De Geer en voorziet voor zover van belang bij recht in vier windturbines met een maximale tiphoogte van 210 m ten noorden van het bedrijventerrein Elzenburg - De Geer en in twee windturbines door middel van een wijzigingsbevoegdheid.

De omgevingsvergunningen zijn tijdelijke vergunningen voor de periode van 25 jaar.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wonen aan de [locatie 1]. [appellant sub 1C] is eigenaar van [bedrijf], een hondenfokkerij, -school, honden- en kattenpension, dagopvang en trimsalon, gevestigd aan de [locatie 1]. Hierna worden zij gezamenlijk en in enkelvoud aangeduid als [appellant sub 1].

[appellant sub 1] vreest onder meer voor geluidhinder en gezondheidsrisico’s voor mens en dier ten gevolge van de windturbines.

[appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] te Berghem en vreest ook onder andere voor geluidoverlast en gezondheidsrisico's.

Ingetrokken beroepsgronden [appellant sub 1]

2. Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroepsgronden die betrekking hebben op de afwijkingsbevoegdheid in artikel 8.1.3 van de planregels, de welstandstoets en de beoordeling van de brandveiligheid door de brandweer ingetrokken.

Nieuwe beroepsgronden [appellant sub 1]

3. In artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Dit betekent dat alle beroepsgronden binnen de beroepstermijn in het beroepschrift dienen te worden opgenomen en dat na afloop van de beroepstermijn geen nieuwe gronden meer kunnen worden ingediend.

Bij brief van 3 februari 2021 heeft [appellant sub 1] beroepsgronden aangevoerd over het gebruik van zwavelhexafluoride, het Bouwbesluit 2012 en strafbare feiten. Deze beroepsgronden zijn niet in het beroepschrift naar voren gebracht. Gelet op artikel 1.6a van de Chw moeten deze beroepsgronden daarom buiten beschouwing worden gelaten.

Objectiviteit onderzoeken en inschakeling Stichting Advisering Bestuursrechtspraak

4. [ appellant sub 1] twijfelt of de uitgevoerde onderzoeken volledig, juist en objectief zijn, omdat de onderzoeken zijn uitgevoerd en betaald door de gemeente. [appellant sub 1] verzoekt de onderzoeken te laten beoordelen door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de StAB).

4.1.

De Afdeling overweegt dat het bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.

Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de partij over het advies heeft aangevoerd.

Het enkele feit dat onderzoeken worden uitgevoerd in opdracht van het bevoegd gezag of de initiatiefnemer van een project vormt geen reden om op voorhand te twijfelen aan de juistheid en de objectiviteit van de inhoud van die onderzoeken of de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies. Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] heeft gesteld geen grond voor het oordeel dat de raad niet heeft voldaan aan de uit artikel 3:2 van de Awb voortvloeiende plicht.

Voor inschakeling van de StAB ziet de Afdeling geen aanleiding nu [appellant sub 1] zijn betwisting over de objectiviteit van de onderzoekers niet heeft geconcretiseerd.

Het betoog faalt.

Beroepen tegen het bestemmingsplan

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Communicatie

6. [ appellant sub 1] betoogt dat de communicatie over het plan onzorgvuldig is verlopen. Tijdens inspraakbijeenkomsten werden vragen ontweken. Ook mochten niet alle vragen worden gesteld.

6.1.

Het ontwerpbestemmingsplan is op 6 maart 2019 bekendgemaakt en heeft van 7 maart 2019 tot en met 17 april 2019 ter inzage gelegen.

Het bestemmingsplan is op 7 augustus 2019 bekendgemaakt en heeft van 8 augustus tot en met 19 september 2019 ter inzage gelegen.

[appellant sub 1] heeft gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze tegen het ontwerpplan in te dienen. Op deze zienswijze is door het gemeentebestuur gereageerd in de nota van zienswijzen.

De Afdeling stelt vast dat de bestemmingsplanprocedure volgens de regels in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) en de Awb is verlopen. Het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro, het Bro en de Awb geregelde bestemmingsplanprocedure. Het onvoldoende bieden van mogelijkheden voor inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Gezien het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd over de gang van zaken tijdens inspraakavonden voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerpplan geen grond voor het oordeel dat het plan tot stand is gekomen in strijd met procedurele regels voor het vaststellen van het voorliggende plan.

Het betoog slaagt niet.

Geluid

Gegevens in akoestische onderzoeken

7. [appellant sub 1] betoogt dat de aan het plan ten grondslag liggende akoestische onderzoeken onjuist zijn, omdat daarbij is uitgegaan van een afstand van 511 m tussen zijn woning en windturbine 4, terwijl de afstand ongeveer 485 m is.

7.1.

De raad stelt dat ten behoeve van het "Onderzoek akoestiek windpark Elzenburg - De Geer, deelpark gemeente Oss" en het "Onderzoek akoestiek windpark Elzenburg - De Geer, deelpark Raedthuys", beide van 5 februari 2019, opgesteld door Pondera en gevoegd bij de plantoelichting als bijlage 18, gebruik is gemaakt van de x en y-coördinaten van de betrokken woningen. Die coördinaten zijn afkomstig uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen. De door [appellant sub 1] bedoelde afstand van 511 m is niet gebruikt bij de berekeningen in de akoestische onderzoeken van Pondera.

7.2.

Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de aan het plan ten grondslag liggende akoestische onderzoeken onjuist zijn omdat een verkeerde afstand is gehanteerd, overweegt de Afdeling dat, ongeacht of de afstand zoals vermeld in de stukken juist is, niet bestreden is dat in de akoestische onderzoeken is uitgegaan van x- en y-coördinaten uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen. [appellant sub 1] heeft niets aangevoerd over de juistheid van de gehanteerde coördinaten dat tot het oordeel zou moeten leiden dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet zonder meer op de uitgevoerde akoestische onderzoeken mocht baseren.

Laagfrequent en infrasoon geluid en pulserend karakter geluid

8. [appellant sub 1] betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar laagfrequent en infrasoon geluid en de gevolgen daarvan op de gezondheid van omwonenden. Dit terwijl, volgens [appellant sub 1], laagfrequent en infrasoon geluid schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Hierbij verwijst [appellant sub 1] naar een groot aantal buitenlandse onderzoeken.

Ook is geen rekening gehouden met het pulserende karakter van het geluid dat wordt veroorzaakt door de windturbines, hoewel ook dit geluid slecht is voor de gezondheid, aldus [appellant sub 1].

8.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat de bij de vaststelling van het plan gehanteerde geluidnormen mede zijn bepaald voor laagfrequent- en infrasoon geluid en het pulserende karakter van het geluid. Ook stelt de raad dat ondanks het bovenstaande, laagfrequent geluid is betrokken in het milieueffectrapport (hierna: MER) en verwijst daarbij naar het als bijlage 3 bij het MER gevoegde akoestisch onderzoek van 4 september 2017, uitgevoerd door M+P raadgevende ingenieurs BV (hierna: akoestisch onderzoek van M+P). Uit dat onderzoek blijkt dat het laagfrequent geluid lager is dan de zogenoemde Vercammencurve zolang de geluidbelasting ter plaatse onder 47 dB Lden blijft.

8.2.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in overweging 31.2 van haar uitspraak van 2 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3322) bestaat er in de wetenschap geen eenduidig standpunt over het antwoord op de vraag of laagfrequent en infrasoon geluid van windturbines effect heeft op de gezondheid van mensen en is in de wetenschap geen directe oorzaak-effectrelatie tussen windturbinegeluid en gezondheid gevonden. De onderzoeken waar [appellant sub 1] naar verwijst zijn ook aan de orde gesteld en zijn door de Afdeling beoordeeld in de uitspraken van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2225) en 7 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2720). In die verwijzing van [appellant sub 1] naar diverse onderzoeken over laagfrequent geluid ziet de Afdeling onvoldoende grond voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek van M+P waarop de raad zich heeft gebaseerd zodanig onjuist of onvolledig is dat de raad zich daar in redelijkheid niet op kon baseren bij de vaststelling van het plan. Uit de bovenstaande uitspraak van 7 augustus 2019 volgt ook dat de memo van J. de Laat geen nader inzicht biedt in deze materie. Evenmin kan de verwijzing van [appellant sub 1] naar het literatuuronderzoek van J. de Laat leiden tot de conclusie dat de raad zich niet in redelijkheid op het akoestisch onderzoek van M+P kon baseren bij de vaststelling van het plan, omdat het onderzoek van J. de Laat nog gaande is en er nog geen definitieve conclusies zijn gepubliceerd.

8.3.

Verder heeft de Afdeling in onder meer de uitspraak van 30 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2308), de Vercammen curve geschikt geacht om de aanvaardbaarheid van laagfrequent geluid te beoordelen. In wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding daarover nu anders te oordelen.

In de artikelen 8.1.4, onder b en 15.1, onder b, van de planregels is vastgesteld dat het maximale geluidniveau op de gevel van de woning van [appellant sub 1] 44 dB Lden bij realisatie van 4 windturbines en 45 dB Lden bij realisatie van 6 windturbines mag bedragen.

In paragraaf 6.9 van het akoestisch onderzoek van M+P is uiteengezet dat de 20 dB Vercammen curve, gelet op de maximale geluidnormen in de artikelen 8.1.4, onder b en 15.1, onder b, van de planregels, niet wordt overschreden. Gelet op het bovenstaande, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat [appellant sub 1] geen onaanvaardbare hinder zal gaan ondervinden van laagfrequent geluid afkomstig van de windturbines.

8.4.

Ten aanzien van het betoog omtrent het pulserende karakter van het geluid van windturbines overweegt de Afdeling als volgt. Bij uitspraak van 4 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1228), heeft de Afdeling overwogen dat bij een geluidimmissie van 47 dB Lden het betrokken bestuursorgaan zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat voldoende rekening was gehouden met het pulserende karakter van het geluid van windturbines. In het voorliggende geval wordt een lagere norm van 44 dB Lden respectievelijk 45 dB Lden gehanteerd. Gelet op het feit dat de vastgestelde geluidnorm lager is dan 47 dB Lden en het pulserende karakter van het geluid aanvaardbaar wordt geacht bij een immissie van 47 dB Lden, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is, ook met het in aanmerking nemen van het pulserende karakter van het geluid.

Streefwaarde

9. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat artikel 8.1.4, onder b, van de planregels de door de raad gehanteerde streefwaarde van 42 dB Lden onvoldoende borgt. Volgens [appellant sub 1] zou de streefwaarde bovendien lager moeten zijn, omdat uit onderzoeken blijkt dat een geluidniveau van 33 dB al reacties kan veroorzaken die de slaap beïnvloeden.

9.1.

In het voorliggende geval is de raad, mede naar aanleiding van de uitkomst van het MER, bij de vaststelling van het plan uitgegaan van een streefwaarde van 42 dB Lden. Na berekeningen is gebleken dat bij 7 woningen (bij de oprichting van 4 windturbines) of bij 9 woningen (bij de oprichting van 6 windturbines) niet kan worden voldaan aan de streefwaarde. Voor die woningen is in artikel 8.1.4, onder b, van de planregels een geluidnorm vastgesteld die boven de 42 dB Lden ligt. Bij de woningen die niet in artikel 8.1.4, onder b, van de planregels staan, wordt voldaan aan de streefwaarde van 42 dB Lden.

Ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] kon niet worden voldaan aan de streefwaarde. Om deze reden is in artikel 8.1.4, onder b, van de planregels een geluidnorm van 44 dB Lden vastgesteld bij de oprichting van 4 windturbines. In artikel 15.1, onder b, van de planregels is een geluidnorm van 45 dB Lden vastgesteld bij de oprichting van 6 windturbines.

De woning van [appellant sub 2] is niet opgenomen in artikel 8.1.4, onder b, van de planregels omdat de cumulatieve geluidbelasting van de 4 windturbines daar minder dan 42 dB Lden bedraagt.

9.2.

Gelet op wat hiervoor al is overwogen over de gronden over de uitgevoerde akoestische onderzoeken, het laagfrequent geluid, infrasoon geluid en het pulserende karakter van het geluid en de verwerking daarvan in de door de raad gehanteerde normen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de geluidnorm van 44 dB Lden respectievelijk 45 dB Lden voor de woning van [appellant sub 1] vanuit het oogpunt van de goede ruimtelijke aanvaardbaar heeft kunnen achten.

Binnenwaarde

10. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat ten onrechte de in het ontwerpplan opgenomen maximale binnenwaarde van 18 dB Lnight voor geluid ten gevolge van de windturbines niet is opgenomen bij de vaststelling van het plan.

10.1.

Zoals hiervoor is uiteengezet, is de raad bij de vaststelling van het plan uitgegaan van een streefwaarde van 42 dB Lden. Bij 7 respectievelijk 9 woningen wordt deze streefwaarde niet gehaald. Voor deze woningen heeft vervolgonderzoek plaatsgevonden naar de nachtelijke binnenwaarden in de betrokken woningen. Daarbij is een binnenwaarde van 18 dB Lnight gehanteerd als uitgangspunt, omdat deze waarde volgens de raad geldt als zeer veilige grens om slaapverstoring te voorkomen. In 2 woningen (waaronder die van [appellant sub 1]) bleek dat de binnenwaarde van 18 dB Lnight wordt overschreden op 2 zolderkamers die als slaapkamers zouden kunnen worden ingericht. De gemeente heeft een maatregelenpakket aangeboden, maar [appellant sub 1] heeft daar niet mee ingestemd, aldus de raad. Gelet daarop heeft de raad ervoor gekozen om de binnenwaarde van 18 dB Lnight niet op te nemen in de planregels. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Overigens is door partijen ter zitting aangegeven dat er bereidheid bestaat om nogmaals over het maatregelenpakket te overleggen en is door de raad aangegeven dat het gedane aanbod aan maatregelen nog steeds geldt.

Geluidniveau buiten de woning

11. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat ook de geluidniveaus buiten de woning hadden moeten worden beoordeeld, omdat ook geluid buiten de woning het woon- en leefgenot kan aantasten, overweegt de Afdeling dat er geen wettelijke geluidnormen zijn vastgesteld voor de geluidniveaus buiten de woning. Dit neemt niet weg dat uit artikel 3.1 van de Wro volgt dat de raad bij het vaststellen van het plan de aanvaardbaarheid van het geluid van de windturbines voor het verblijfsklimaat in de tuin dient te beoordelen.

De raad heeft in het verweerschrift toegelicht, dat hij het woon- en leefklimaat wat betreft geluid buiten de woning aanvaardbaar acht, omdat de geluidbelasting ongeveer 44 dB Lden is op de gevel van de woning van [appellant sub 1] en niet wordt verwacht dat de geluidbelasting van de tuin daar in betekenende mate van afwijkt.

Gelet hierop ziet de Afdeling in de enkele stelling van [appellant sub 1] geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de geluidsituatie buiten de woning niet heeft beoordeeld en afgewogen. De Afdeling ziet evenmin in het door [appellant sub 1] gestelde aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat buiten de woning van [appellant sub 1] sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Cumulatieve geluidbelasting

12. [ appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte de geluidbronnen afkomstig van het vaarverkeer, landbouwverkeer en vliegverkeer ten gevolge van het laagvlieggebied niet zijn betrokken in het onderzoek naar de cumulatieve effecten van het geluid.

12.1.

Blijkens de plantoelichting is in het uitgevoerde akoestisch onderzoek van M+P gekeken naar de cumulatie met andere geluidbronnen. In paragraaf 3.6 van het akoestisch onderzoek van M+P is uiteengezet dat wegverkeer en industrie zijn meegenomen in de berekening naar de cumulatieve geluidbelasting. Ter zitting heeft de raad gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde geluidbronnen ter plaatse slechts incidenteel voorkomen en daarom geen relevante bijdrage geven aan de cumulatieve geluidbelasting.

In paragraaf 5.8.2 van de plantoelichting is uiteengezet dat het plangebied zich bevindt in het laagvlieggebied Maas en Waal en de "laagvliegroute VO". Het laagvlieggebied Maas en Waal wordt gebruikt als oefengebied voor de luchtmacht voor het verbeteren van de navigatie en de positionering van helikopters in onbekend terrein.

Gelet op het feit dat het plangebied en de woning van [appellant sub 1] zijn gelegen in een laagvlieggebied en het feit dat in het akoestisch onderzoek van M+P alleen is gerekend met industrie en wegverkeer als bronnen van geluid, had de raad moeten motiveren waarom de door [appellant sub 1] genoemde geluidbronnen kunnen worden aangemerkt als incidentele geluidbronnen die niet relevant zijn voor de cumulatieve geluidbelasting. De enkele stelling ter zitting dat niet sprake is van een relevante geluidbron vormt onvoldoende motivering voor het niet betrekken van deze bron bij het akoestisch onderzoek.

Het betoog slaagt.

Bijzondere gevoeligheid voor geluid

13. [appellant sub 2] vreest voor de gevolgen voor de gezondheid van zijn ernstig zieke dochter van de geluidoverlast die de windturbines zullen veroorzaken.

13.1.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] over de mogelijke effecten van de windturbines op de gezondheid van zijn door ziekte extra kwetsbare dochter, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan geen rekening hoeft te houden met de bijzondere gevoeligheid van mensen. Het betoog slaagt niet.

Het Nevele-arrest

14. [appellant sub 1] betoogt, onder verwijzing naar het arrest van 25 juni 2020 van het Europees Hof van Justitie, C-24/19 (hierna: het Nevele-arrest), dat een MER had moeten worden opgesteld ten behoeve van de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Nu dit niet is gedaan, kan niet met zekerheid worden gezegd dat de gezondheid, ten gevolge van ondervonden geluidhinder, niet achteruit gaat.

14.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat het Nevele-arrest in dit geval niet van toepassing is, omdat niet de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn gehanteerd, maar afwijkende, strengere normen zijn vastgesteld, die zijn afgeleid uit het MER.

14.2.

De Afdeling stelt vast dat de raad in dit geval naar aanleiding van het uitgevoerde milieuonderzoek in artikel 8.1.4, onder b, en artikel 15.1, onder b, van de planregels een eigen, afwijkende en strengere geluidnorm heeft toegepast. Er is in deze zaak derhalve, in tegenstelling tot de situatie in de zaak van de Afdeling van 30 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1395), niet aangesloten bij de norm in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 1] over het Nevele-arrest, omdat hij daarbij ten onrechte uitgaat dat de raad artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer heeft toegepast (vergelijk overweging 17 tot en met 17.2 in de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3112).

Andere risico’s voor gezondheidsschade aan mensen

15. [appellant sub 1] vreest - behalve voor de hiervoor beoordeelde gevolgen van het door de windturbines veroorzaakte geluid - voor gezondheidsschade als gevolg van door de windturbines veroorzaakte slagschaduw en trillingen, in de vorm van slaapproblemen, hoofdpijn, prikkelbaarheid, concentratieproblemen en angstgevoelens. Daarnaast betoogt [appellant sub 1], onder verwijzing naar het Nevele-arrest, dat een MER had moeten worden opgesteld ten behoeve van de slagschaduwnormen uit de Activiteitenregeling milieubeheer. Nu dit niet is gedaan, kan niet met zekerheid worden gezegd dat de gezondheid, ten gevolge van ondervonden slagschaduwhinder, niet achteruit gaat.

Ook is volgens [appellant sub 1] onvoldoende onderbouwd dat er geen effecten optreden ten gevolge van elektromagnetische velden.

Voorts betoogt [appellant sub 1] dat, gelet op de wetenschappelijke onzekerheid over de effecten van andere gezondheidsschade van windturbines op de gezondheid van omwonenden, de raad toepassing had moeten geven aan het voorzorgsbeginsel en het plan niet had moeten vaststellen.

15.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat geen bewijs bestaat voor directe gezondheidseffecten van windturbines en verwijst daarbij naar het rapport "Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden, GGD informatieblad medische milieukunde", update 2013, van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, rapportnummer 2000000001/2013.

Ook stelt de raad zich op het standpunt, onder verwijzing naar de brief van staatssecretaris Mansveld van 31 maart 2014, dat geen hinderlijke trilling wordt doorgegeven aan de ondergrond en omgeving.

Daarnaast stelt de raad zich op het standpunt dat niet de wettelijke norm uit artikel 3.12 van de Activiteitenregeling milieubeheer, maar een strengere norm van maximaal 5 uur en 40 minuten slagschaduw per jaar is toegepast. Ook is in punt 1.1.1 van de voorschriften in de omgevingsvergunningen voorzien in een stilstandvoorziening waardoor aan die strengere norm kan worden voldaan.

Verder stelt de raad zich op het standpunt dat voor omwonenden geen effecten door eventuele elektromagnetische velden optreden, omdat de afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en de windturbines dusdanig is dat de elektromagnetische velden niet strekken tot de woning. Hierbij verwijst de raad naar het "definitief advies: Gezondheidskundige beoordeling windmolenpark Oss" van 13 juli 2017 van de GGD in bijlage 8 bij het MER waarin wordt geconcludeerd dat sprake kan zijn van elektromagnetische velden rondom de gondel en kabels die de windturbine koppelen aan het hoogspanningsnet, maar dat de sterkte van deze magnetische velden afneemt naarmate de afstand tot de bron groter wordt.

15.2.

Het RIVM heeft onderzoek verricht naar de gezondheidseffecten van windturbines, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het al genoemde rapport van het RIVM uit 2013. In dat onderzoek zijn onder meer de gevolgen van slagschaduwhinder, trillinghinder en elektromagnetische straling betrokken. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen bewijs bestaat voor directe gezondheidseffecten ten gevolge van hinder van slagschaduw, trillinghinder en elektromagnetische straling.

Gelet op het feit dat is voorzien in een stilstandvoorziening op basis van de norm van 6 uren slagschaduw per jaar ten behoeve van beperking van slagschaduw, de afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en de dichtstbijzijnde windturbine met gondel en kabels ongeveer 500 m is en gezien de conclusie uit het onderzoek van het RIVM uit 2013, ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van gezondheidsschade ten gevolge van het plan.

Wat betreft het beroep op het voorzorgsbeginsel, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals onder andere geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:616), strekt het voorzorgsbeginsel naar het oordeel van de Afdeling niet zover dat de raad op basis van met name uit het buitenland afkomstige publicaties, waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, van de vaststelling van het plan had behoren af te zien. Voor zover [appellant sub 1] in dit verband nog heeft verwezen naar een verband tussen elektromagnetische straling en externe veiligheid heeft hij op geen enkele manier aangegeven waaruit een concreet verband zou kunnen bestaan.

15.3.

In paragraaf 5.3.1 van de plantoelichting is uiteengezet dat de in het MER gehanteerde slagschaduwnorm is vertaald naar 6 uren slagschaduw per jaar. Deze norm is gehanteerd in het "Onderzoek slagschaduw windpark Elzenburg - De Geer, deelpark gemeente Oss" en het "Onderzoek slagschaduw windpark Elzenburg - De Geer, deelpark Raedthuys" van Pondera Consult van 5 februari 2019 ten behoeve van de omgevingsvergunningen en voorgeschreven in 1.1.1 van de bij de omgevingsvergunningen behorende voorschriften. De raad acht deze norm aanvaardbaar, omdat het een strengere norm is dan de wettelijke norm en deze norm geldt bij de realisatie van 4 windturbines, maar ook bij de uitbreiding naar 6 windturbines. [appellant sub 1] heeft niets aangevoerd over de juistheid van de gehanteerde slagschaduwnorm dat tot het oordeel zou behoren te leiden dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gehanteerde normen strekken ten behoeve van de goede ruimtelijke ordening.

De Afdeling stelt verder vast dat de raad niet bij de norm in artikel 3.12 van de Activiteitenregeling milieubeheer heeft aangesloten, maar een eigen, afwijkende en strengere slagschaduwnorm heeft toegepast ter plaatse van de woning van [appellant sub 1]. Hiertoe overweegt de Afdeling dat op basis van de wettelijke norm een stilstandvoorziening moet worden gehanteerd bij gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar meer dan 20 minuten per dag slagschaduw. Op alle dagen mag minder dan 20 minuten slagschaduw optreden waardoor er een veel hoger aantal uren slagschaduw mag optreden als de norm uit het Actualiteitenbesluit milieubeheer zou zijn gehanteerd. De door de raad gehanteerde norm maximeert het totale aantal uren slagschaduw op jaarbasis en is daardoor een (veel) strengere norm dan de wettelijke norm. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 1] over het Nevele-arrest, omdat hij daarbij ten onrechte uitgaat dat artikel 3.12 van de Activiteitenregeling milieubeheer is toegepast (vergelijk overweging 17 tot en met 17.2 in de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3112).

De Afdeling stelt echter vast dat de strengere norm, zoals vastgesteld in 1.1.1 van de voorschriften van de omgevingsvergunning, niet is opgenomen in de planregels. Hieruit volgt dat de raad niet in het plan heeft geregeld wat hij heeft beoogd te regelen, namelijk het vaststellen van een strengere norm ten behoeve van slagschaduw. In zoverre slaagt het betoog en is het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Welzijn en gedrag van dieren

16. [appellant sub 1] vreest voor de gezondheid van de door hem gehouden dieren in [bedrijf]. Volgens [appellant sub 1] zijn dieren, zoals honden en katten, gevoeliger voor geluid dan mensen en hij vreest dat de dieren schade zullen ondervinden van de windturbines die zal leiden tot gedragsproblemen.

16.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant sub 1] gehouden en verzorgde honden en katten gedomesticeerde dieren zijn die zijn aangepast aan het leven dichtbij de mens en dat de geluidnormen voor mensen ook voldoen voor hun huisdieren.

Daarnaast wijst de raad op het verkennend onderzoek "Invloed van het geluid van windturbines op honden in hondenpensions" dat als bijlage 9 bij de plantoelichting is gevoegd. In het verkennend onderzoek zijn (dierverzorgers van) hondenpensions nabij windturbines benaderd en is aan hen gevraagd hun ervaringen te delen. Uit de verkregen informatie blijkt dat de windturbines geen wezenlijke invloed op de dieren hebben in die hondenpensions.

In wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid in navolging van het uitgevoerde onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een ernstige aantasting van het welzijn van, en daardoor tot gedragsproblemen bij, de dieren in [bedrijf].

Het betoog slaagt niet.

Effecten in samenhang met windpark Stijbeemden

17. [appellant sub 1] betoogt dat het MER onvolledig is, omdat geen onderzoek is gedaan naar de samenhangende effecten tussen de bij de bestreden besluiten voorziene windturbines en het windpark Stijbeemden.

17.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat geen onderzoek hoeft te worden gedaan naar de door [appellant sub 1] bedoelde samenhangende effecten, omdat een plan daartoe nog niet in procedure is gebracht. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling met recht op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling van windpark Stijbeemden ten tijde van de vaststelling van het plan uitsluitend nog een toekomstige onzekere gebeurtenis vormde waar geen rekening mee hoeft te worden gehouden.

Het betoog faalt.

Aantasting natuurwaarden

18. [appellant sub 1] betoogt dat het bestreden besluit niet voldoet aan de Europese natuurbeschermingsregels nu ten onrechte het Programma Aanpak Stikstof is gebruikt bij de berekening van de toename van stikstofdepositie.

[appellant sub 2] betoogt dat er een toename van de stikstofemissie is in de aanlegfase, terwijl het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Rijntakken, stikstofgevoelige habitats kent. De raad gaat hier ten onrechte aan voorbij.

[appellant sub 1] betoogt in dit verband verder dat in de omgeving van de windturbines steenmarters voorkomen, terwijl daaraan in het door onderzoeksbureau Anteagroep op 9 maart 2018 uitgebrachte "Natuurrapport" geen enkele aandacht is besteed.

18.1.

Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

18.2.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een

Natura 2000-gebied zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, volgt dat de individuele belangen van [appellant sub 1]s bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De woning aan de [locatie 1] ligt op ongeveer 10 km van het dichtstbijzijnde

Natura 2000-gebied "Rijntakken". Gelet hierop maakt het betreffende Natura 2000-gebied geen onderdeel uit van de directe leefomgeving van [appellant sub 1]. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Rijntakken" onderdeel uitmaakt van de directe leefomgeving van [appellant sub 2], omdat de afstand tussen zijn woning en het Natura 2000-gebied ruim 10 km is.

Gelet op het voorgaande bestaat geen verwevenheid tussen de individuele belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat zij zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet op die norm kunnen beroepen. Omdat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgronden, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

18.3.

Voor zover [appellant sub 1] stelt dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de steenmarter, overweegt de Afdeling als volgt.

De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze vrijstelling of ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de bepalingen over soortenbescherming in de Wnb, omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, kunnen zich evenmin op die normen beroepen in het kader van hun betoog dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is, omdat het plan leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb en de noodzakelijke ontheffing krachtens de Wnb niet kan worden verleend (vergelijk overweging 10.65 van de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706).

De individuele belangen van [appellant sub 1]s bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving kunnen zo verweven zijn met het algemene belang dat de Wnb bedoelt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA3666.

[appellant sub 1] woont op ongeveer 500 m van de dichtstbijzijnde windturbine. Gelet op deze afstand is het belang van [appellant sub 1] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving niet verweven met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. De normen uit de Wnb over soortenbescherming strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1]. Dit betekent dat het betoog van [appellant sub 1] ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van dat betoog.

Provinciale verordening

Cluster

19. [appellant sub 1] betoogt dat niet wordt voldaan aan de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening), omdat windturbine 4 niet is gesitueerd direct aansluitend aan het bedrijventerrein Elzenburg-De Geer, maar aan een stuk natuur. Daarnaast maakt windturbine 4 geen onderdeel uit van een cluster windturbines. Windturbine 4 betreft een solitaire turbine, zoals ook blijkt uit het feit dat laanbeplanting wordt aangebracht die windturbine 4 scheidt van de windturbines 1 tot en met 3.

19.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat windturbines 1 tot en met 4 een cluster vormen en dat het windpark als cluster direct aansluitend wordt gerealiseerd aan een middelzwaar en zwaar bedrijventerrein Elzenburg-De Geer en dat het bedrijventerrein tenminste 20 ha is.

Op de zitting is door de raad toegelicht dat sprake is van een cluster door de gezamenlijke ruimtelijke uitstraling en de onderlinge afstand tussen de windturbines. Dit vloeit ook voort uit artikel 8.1.2, onder a, van de planregels, waarin is bepaald dat de windturbines allemaal 3 rotorbladen dienen te hebben, de rotordiameter en ashoogte onderling hetzelfde dienen te zijn en de windturbines dezelfde richting dienen op te draaien. Dit tezamen leidt ertoe dat de windturbines een uniforme ruimtelijke uitstraling hebben, aldus de raad.

19.2.

Het windpark is deels gesitueerd in de provinciale structuur gemengd landelijk gebied (windturbines 1, 2 en 3) en deels in de provinciale structuur groenblauwe mantel (windturbine 4).

Op grond van het eerste lid van de artikelen 6.18 en 7.19 van de Verordening is onder voorwaarden nieuwvestiging van windturbines in de groenblauwe mantel en in gemengd landelijk gebied mogelijk. In beide bepalingen worden de voorwaarden gesteld dat de windturbines moeten zijn gesitueerd direct aansluitend aan gronden bestemd als middelzwaar en zwaar bedrijventerrein met een bruto omvang van ten minste 20 ha en dat sprake moet zijn van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines. In de Verordening is geen definitie van het begrip cluster gegeven. Bij het beoordelen of sprake is van een geclusterde opstelling van windturbines komt het betrokken bestuursorgaan beoordelingsruimte toe. Het bestuursorgaan moet een beoordeling maken aan de hand van het gebied en de feitelijke situatie ter plaatse.

In het licht van de toelichting van de raad op de zitting is de Afdeling van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de uit artikel 8.1.2, onder a, van de planregels, voortvloeiende uniforme ruimtelijke uitstraling en de ligging ten opzichte van elkaar, en in aanmerking genomen de beoordelingsruimte die de raad hier op grond van de Verordening heeft, de raad in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat sprake is van een geclusterde opstelling van windturbines.

Verder moet worden beoordeeld of het cluster direct aansluitend is gesitueerd aan gronden bestemd als middelzwaar en zwaar bedrijventerrein, met een bruto omvang van tenminste 20 ha.

De vier windturbines staan in een clusteropstelling waarbij windturbines 1 en 2 zijn gelegen aan het bedrijventerrein Elzenburg - De Geer en windturbines 3 en 4 achter windturbines 1 en 2 zijn gesitueerd. Niet in geschil is dat het bedrijventerrein Elzenburg - De Geer een middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein is met een bruto omvang van tenminste 20 ha.

Gelet op het feit dat sprake is van een cluster en windturbines 1 en 2 direct aansluitend zijn gelegen aan het bedrijventerrein Elzenburg - De Geer, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook in dit opzicht wordt voldaan aan het eerste lid van de artikelen 6.18 en 7.19 van de Verordening. De omstandigheid dat niet elke individuele windturbine direct aansluitend op het bedrijventerrein Elzenburg - De Geer is gesitueerd, maakt niet dat niet voldaan is aan het eerste lid van de artikelen 6.18 en 7.19, nu het cluster als geheel direct aansluitend moet zijn gesitueerd. Bij een clusteropstelling kan niet elke windturbine direct aansluitend gesitueerd zijn aan het bedrijventerrein, mede gelet op de onderlinge afstand die is vereist tussen windturbines.

Het betoog slaagt niet.

Financiële zekerheidsstelling

20. [appellant sub 2] betoogt dat het plan in strijd met de artikelen 6.18 en 7.19, vierde lid, onder c, van de Verordening is vastgesteld nu daaruit voortvloeit dat er noodzakelijke financiële zekerheid moet bestaan voor herstel in de oude situatie na 25 jaar.

20.1.

De raad stelt in de eerste plaats dat de beroepsgrond over de noodzakelijke financiële zekerheid op grond van artikel 8:69a van de Awb niet kan slagen. Volgens de raad heeft [appellant sub 2] belang bij het zeker stellen dat de windturbines worden verwijderd, maar heeft [appellant sub 2] geen belang bij het zeker stellen wie uiteindelijk de kosten draagt van de verwijdering en het herstel in de oude toestand.

Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de financiële zekerheid voor de sloop van de windturbines en herstel van de omgeving voor de windturbines waarvoor aan Raedthuys Energie omgevingsvergunning is verleend, is geborgd in een anterieure overeenkomst. De raad heeft op de zitting toegelicht dat deze overeenkomst de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid in de vorm van een bankgarantie bevat. Voor zover het gaat om de windturbines waarvoor aan de gemeente Oss een omgevingsvergunning is verleend, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat in de financiële onderbouwing rekening is gehouden met de kosten van verwijdering en herstel in de oude toestand. Hierdoor is volgens de raad voldaan aan het vierde lid, onder c, van de artikelen 6.18 en 7.19 van de Verordening.

20.2.

Over het beroep van de raad op artikel 8:69a van de Awb overweegt de Afdeling als volgt. Volgens de toelichting bij de artikelen 6.18 en 7.19 van de Verordening is het, nu de ontwikkeling van windturbines in beginsel een tijdelijk karakter heeft, belangrijk dat er door de ontwikkeling geen planologische rechten ontstaan die op termijn kunnen leiden tot andere gebruiksfuncties of planschadeclaims, als gevolg waarvan de verwijdering van windturbines na afloop van de termijn wordt bemoeilijkt. Daarom moet zijn verzekerd dat de windturbines na afloop van deze periode worden verwijderd en dat de situatie van voor de realisatie van de windturbines wordt hersteld.

[appellant sub 2] heeft belang bij het voorkomen van verrommeling van zijn leefomgeving en het herstel van zijn leefomgeving na het aflopen van de termijn van de omgevingsvergunningen. De voorwaarde dat financiële zekerheid moet worden gesteld dat de windturbines na 25 jaar worden verwijderd, strekt dan ook kennelijk tot bescherming van zijn belang. Dit betekent dat hem in beroep het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb niet kan worden tegengeworpen.

20.3.

Het vierde lid, onder c, van de artikelen 6.18 en 7.19 van de Verordening bepaalt dat uitsluitend toepassing kan worden gegeven aan het eerste en tweede lid met een procedure die de tijdelijkheid van de voorziening borgt, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval een aantal voorwaarden is verbonden. Een van de aan de vergunning te verbinden voorwaarden is dat er financiële zekerheid wordt gesteld dat na uiterlijk 25 jaar de windturbines worden verwijderd en de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand wordt hersteld. Dit betekent niet dat er ten tijde van het besluit van 1 augustus 2019 al financiële zekerheid moet zijn gesteld voor het verwijderen van de windturbines en het herstellen van de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand. Op grond van het vierde lid, onder c, van de artikelen 6.18 en 7.19 van de Verordening moet aan de omgevingsvergunning echter wel de voorwaarde worden verbonden dat er financiële zekerheid wordt gesteld dat de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand wordt hersteld en de windturbines worden verwijderd, nadat de termijn waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, is verstreken.

In dit geval betekent het bovenstaande dat de in het vierde lid, onder c, van de artikelen 6.18 en 7.19 gestelde voorwaarden hadden moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan, om te waarborgen dat de omgevingsvergunningen alleen hadden mogen worden verleend wanneer zij voldeden aan de in het bestemmingsplan gestelde voorwaarden. De Afdeling stelt vast dat dergelijke voorwaarden niet zijn opgenomen in het plan en dat het college aan de bij besluit van 1 augustus 2019 verleende omgevingsvergunningen niet het voorschrift heeft verbonden dat financiële zekerheid wordt gesteld dat na uiterlijk 25 jaar de windturbines moeten worden verwijderd en de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand wordt hersteld.

Nu een dergelijke voorwaarde ontbreekt in het plan, is het plan in strijd met het vierde lid, onder c, van de artikelen 6.18 en 7.19 van de Verordening. De omstandigheden dat de windturbines worden gerealiseerd op grond van de gemeente en dat er een anterieure overeenkomst is gesloten, doen niet af aan het feit dat er geen voorwaarde is opgenomen in het plan dat financiële zekerheid wordt gesteld, terwijl dit wel is vereist.

Het betoog slaagt.

Gemeentelijke beleidsdoelstellingen

21. [appellant sub 1] betoogt dat het windpark niet zal bijdragen aan de gemeentelijke klimaatdoelstellingen in 2050, omdat het windpark in 2046 moet worden gesloopt.

21.1.

In de paragrafen 1.1 en 1.2 van de plantoelichting is uiteengezet dat de realisatie van het windpark Elzenburg - De Geer bijdraagt aan de gemeentelijke ambitie om in 2050 25% van de energie duurzaam op te wekken. Het voorliggende plan draagt bij aan die ambitie doordat de gemeente, als initiatiefnemer, zelf duurzame energie opwekt. Daarnaast genereert het windpark inkomsten en zullen deze inkomsten mede worden geïnvesteerd in de aanpak naar een energieneutrale toekomst. Gelet op deze toelichting van de raad ziet de Afdeling in de enkele stelling van [appellant sub 1] geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisatie van het windpark Elzenburg - De Geer bijdraagt aan het behalen van de gemeentelijke ambitie om in 2050 25% van de energie duurzaam op te wekken.

Het betoog faalt.

Laagvlieggebied

22. [appellant sub 1] betoogt dat onvoldoende is onderzocht wat de risico's zijn voor zijn veiligheid door de realisatie van het windpark in het laagvlieggebied voor hefschroefvliegtuigen van het ministerie van Defensie. [appellant sub 1] vreest dat de hefschroefvliegtuigen tegen de windturbines vliegen en dat dat gevaar voor hem oplevert. Daarbij wijst hij erop dat er ontheffingen kunnen worden verleend van de minimaal aan te houden vlieghoogten.

22.1.

Zoals uiteengezet is in overweging 12.1 ligt het plangebied en de woning van [appellant sub 1] in een laagvlieggebied. In dit laagvlieggebied gelden geen bouwhoogtebeperkingen voor windturbines. De raad heeft toegelicht dat hij, gelet op de afstemming met de betrokken instanties en het feit dat de windturbines zijn voorzien aan de randen van de laagvliegroute, het plan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar acht. Dit acht de Afdeling redelijk. Dat er mogelijk, op grond van artikel 2, tweede lid, van het Besluit luchtverkeer 2014, ontheffingen kunnen worden verleend van de minimale vlieghoogten maakt dit niet anders, nu bij de verlening van die ontheffingen mede moet worden gekeken naar de veiligheid en tegen de verlening van dergelijke ontheffingen rechtsmiddelen open staan.

Het betoog slaagt niet.

Grondrechten

23. [appellant sub 1] betoogt dat zijn recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM) wordt geschonden alsmede zijn rechten als verwoord in artikel 21 van de Grondwet en artikel 5:37, in samenhang gelezen met artikel 6:162, [appellant sub 1]lijk Wetboek.

23.1.

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) kent het EVRM geen uitdrukkelijk recht toe op een schone en stille omgeving, maar kan artikel 8 in het geding zijn indien de overlast zo is dat die de betrokkene in ernstige mate in zijn gezondheid treft of hem belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven (zie bijvoorbeeld EHRM Jugheli tegen Georgië, arrest van 13 juli 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0713JUD003834205, punt 62 en de daar aangehaalde rechtspraak).

Gelet op het in overweging 15.3 geconstateerde gebrek, overweegt de Afdeling dat voor slagschaduw onvoldoende zeker kan worden gesteld dat [appellant sub 1] niet in ernstige mate in zijn gezondheid wordt getroffen of wordt belet in zijn woongenot en zijn privé- of gezinsleven. In zoverre slaagt het betoog.

Artikel 21 van de Grondwet is een bepaling over sociale grondrechten. In dit artikel is bepaald dat de zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 23 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3092) heeft overwogen, lenen bepalingen over sociale grondrechten zich in beginsel niet voor rechtstreekse toetsing door de rechter. In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat het bestreden besluit, in aanvulling op de toetsing aan de toepasselijke wetgeving, desondanks in aanmerking komt voor rechtstreekse toetsing aan artikel 21 van de Grondwet.

Wat betreft het betoog dat de raad in strijd handelt met de artikelen 5:37 en 6:162 van het [appellant sub 1]lijk Wetboek, overweegt de Afdeling dat dit betoog niet aan de orde kan komen in de onderhavige procedure, omdat de [appellant sub 1]lijke rechter de aangewezene is om die rechtsvraag te beantwoorden.

In zoverre faalt het betoog.

Landschappelijk inpassingsplan

24. [appellant sub 2] betoogt dat de kwaliteitsverbetering van het landschap niet voldoende in het plan is geborgd. De voorwaardelijke verplichting in artikel 8.1.4, onder d, van de planregels is hiervoor onvoldoende, omdat daarin alleen het gebruik en het in gebruik laten nemen van windturbines zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het "Inrichtingsplan kwaliteitsverbetering landschap" als strijdig gebruik is aanmerkt. Weliswaar kan handhavend worden opgetreden, maar de bepaling borgt onvoldoende dat het landschappelijk inrichtingsplan ook gaat worden uitgevoerd.

24.1.

Uit artikel 8.1.4, onder d, van de planregels zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak, volgt dat de gronden met de bestemming

"Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig" pas in gebruik mogen worden genomen nadat de landschapsmaatregelen overeenkomstig het inrichtingsplan zijn aangelegd en van strijdig gebruik sprake is als de landschapsmaatregelen niet in stand worden gehouden. Hierdoor is planologisch vastgelegd dat de landschapsmaatregelen uit het inrichtingsplan moeten worden aangelegd en onderhouden. Gelet hierop wordt in artikel 8.1.4, onder d, voldoende geborgd dat de landschapsmaatregelen overeenkomstig het inrichtingsplan worden gerealiseerd voordat de windturbines in gebruik worden genomen.

Het betoog slaagt niet.

Gemeentelijke geluidnota

25. Voor zover [appellant sub 2] betwijfelt of zijn woning is gelegen binnen het gebiedstype "kernen en bebouwingsclusters" uit de geluidnota "Geluidskwaliteit in de leefomgeving" van de gemeente Oss (hierna: de gemeentelijke geluidnota), overweegt de Afdeling dat uit de gebiedsindelingskaart bij de gemeentelijke geluidnota blijkt dat de woning van [appellant sub 2] ligt in het gebiedstype "kernen en bebouwingsclusters".

Het betoog mist feitelijke grondslag.

Waardedaling woning

26. [ appellant sub 2] vreest voor daling van de waarde van zijn woning ten gevolge van het plan.

26.1.

Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 2] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Het betoog slaagt niet.

MER

27. In zijn beroepschrift maakt [appellant sub 2] een opmerking over de totstandkoming van het MER, maar heeft niet aangegeven op welke manier de totstandkoming van het MER in strijd met het recht is, zodat de beroepsgrond alleen al hierom ongegrond is.

Omgevingsvergunningen

Type windturbine

28. [ appellant sub 1] betoogt dat de omgevingsvergunningen onvoldoende specifiek zijn over het type windturbine dat is toegestaan. Hierdoor is niet duidelijk welke windturbines zullen worden gerealiseerd en wat het effect is op de omgeving.

28.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat de keuzevrijheid voor een type windturbine in de omgevingsvergunningen is begrensd. Op basis van 1.3.1 van de voorschriften bij de omgevingsvergunningen moet de definitieve keuze voor het type windturbine voldoen aan de bouwregels van artikel 8.1.2, onder a, van de planregels. Uit paragraaf 5.1 van de plantoelichting blijkt dat onderzoek is gedaan naar de effecten van windturbines binnen de bandbreedte zoals mogelijk gemaakt in artikel 8.1.2, onder a, van de planregels.

28.2.

In de omgevingsvergunningen is vermeld dat de vergunningen zijn verleend overeenkomstig de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden. Het gaat om het plaatsen van 4 windturbines ter plaatse van de in de aanvraag en in de omgevingsvergunningen vermelde x- en y-coördinaten. In de aanvraag zijn bandbreedten vermeld voor de ashoogte (maximaal 145 m), de rotordiameter (maximaal 136 m) en de tiphoogte (maximaal 210 m) van de windturbines. Op basis van deze bandbreedten zijn de omgevingsvergunningen verleend. In 4.1.1 van de voorschriften bij de omgevingsvergunningen is bepaald dat de technische specificaties twee maanden voor de start van de bouw moeten worden overgelegd ter goedkeuring.

Anders dan [appellant sub 1] betoogt, is niet vereist dat in de vergunningaanvraag en bij de vergunningverlening al een keuze wordt gemaakt voor het type windturbine of voor een precieze as- en tiphoogte. Bij de beoordeling van het bouwplan is het college terecht uitgegaan van de maximale waarden binnen de in de aanvraag vermelde bandbreedten, een zogenoemde worst-casebenadering. De Afdeling verwijst bij wijze van voorbeeld naar haar uitspraken van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141, overweging 68.1 en 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3331, overweging 3. Het college heeft daarom in dit geval kunnen volstaan met het verbinden van een voorschrift aan de vergunning dat uiterlijk twee maanden voor aanvang van de start van de bouwwerkzaamheden gegevens moeten worden aangeleverd over de definitieve keuze van het type windturbine. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat de ruimtelijke gevolgen voor [appellant sub 1] niet groter kunnen worden dan is berekend in de worst-case benadering. Het type windturbine dat wordt gekozen kan maximaal de effecten teweegbrengen zoals is berekend in het worst-case scenario of minder grote effecten teweegbrengen.

Het betoog slaagt niet.

Certificering

29. [appellant sub 1] vraagt zich af wat de risico's zijn na 20 jaar, omdat de levensduur van de windturbines maar 20 jaar is geborgd door middel van een certificaat, maar de overige 5 jaar niet.

29.1.

Het college verwijst naar de beantwoording van de zienswijze waarin is toegelicht dat de Activiteitenregeling milieubeheer van toepassing is en dat uit artikel 3.14, eerste lid, van die regeling volgt dat een windturbine moet voldoen aan de veiligheidseisen zoals opgenomen in

NEN-EN-IEC 61400-2 en NVN 11400-0. Op basis van de rechtstreekse werking van de Activiteitenregeling is de benodigde certificering dus geborgd.

Daarnaast stelt het college zich op het standpunt dat de windturbines te allen tijde moeten voldoen aan de veiligheidseisen die volgen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

29.2.

Uit artikel 3.14, eerste tot en met het derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer volgt dat een windturbine minimaal elk kalenderjaar wordt gecontroleerd op de noodzakelijke beveiligingen en de windturbine buiten bedrijf word gesteld als er een gebrek wordt geconstateerd totdat dat gebrek is hersteld. Deze onderhouds- en controlevoorschriften gelden gedurende de gehele levensduur van de windturbines. Het enkele feit dat een certificaat voor 20 jaar geldt, doet hier niet aan af nu de wettelijke veiligheidseisen gelden ongeacht de certificaten. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de windturbines voldoen aan de veiligheidseisen.

Het betoog slaagt niet.

Indicatief inkoopstation

30. [appellant sub 1] betoogt dat onzeker is waar de inkoopstations worden gebouwd en hoe die inkoopstations eruit komen te zien. [appellant sub 1] vreest dat de inkoopstations niet zullen passen in het landschap.

30.1.

Het college stelt zich op het standpunt dat de inkoopstations in overeenstemming worden gebouwd met de maximale mogelijkheden uit artikel 8.1.2, onder b, in samenhang gelezen met artikel 14.3.2, van de planregels.

Daarnaast stelt het college dat de omgevingsvergunningen op grondslag van de aanvragen zijn verleend en het de verantwoordelijkheid van de exploitant is om het inkoopstation daarmee in overeenstemming te realiseren.

30.2.

Uit artikel 8.1.1, aanhef onder c, van de planregels volgt dat de gronden met de bestemming "Bedrijf-Windturbinepark voorlopig" mede zijn bestemd voor inkoopstations.

Uit artikel 8.1.2, onder b, van de planregels in samenhang gelezen met artikel 14.3.2 van de planregels blijkt dat 1 inkoopstation per windturbine mag worden gerealiseerd op de gronden met de aanduiding

"overige zone-vrijwaringszone" met een maximale bouwhoogte van 4 m en een maximale oppervlakte van 50 m2.

Uit tabel 3.3 van de bij de omgevingsvergunningen behorende aanvragen blijkt dat de aanvraag voor de bouw van vier inkoopstations gaat over bouwwerken van beton, met een nader omschreven kleur en met een maximale lengte van 20 m, een maximale breedte van 7 m, een maximale hoogte van 4 m en een maximale oppervlakte van 50 m2.

In punt 1.3.1 van de voorschriften die behoren bij de omgevingsvergunningen is bepaald dat ten minste twee maanden voor de start van de bouw de tekeningen van de definitieve keuze voor het inkoopstation moeten worden overgelegd ter goedkeuring.

30.3.

Uit artikel 8.1.1, onder c en artikel 14.3.2 van de planregels volgt dat de inkoopstations mogen worden gerealiseerd op de gronden waar ook de windturbines zijn voorzien of op de gronden daaromheen met de aanduiding "overige zone-vrijwaringszone". Uit de planregels blijkt voldoende duidelijk waar en tot welke omvang en afmetingen de inkoopstations zullen worden gerealiseerd. Uit de aanvraag om een omgevingsvergunning blijkt voldoende duidelijk uit welk materiaal de inkoopstations zullen bestaan.

De Afdeling stelt vast dat de tijdelijke omgevingsvergunningen zijn verleend voor de gronden waaraan de bestemming "Bedrijf-Windturbinepark voorlopig" en de gronden met de aanduiding "overige zone-vrijwaringszone" zijn toegekend. De Afdeling stelt ook vast dat de tijdelijke omgevingsvergunningen zijn verleend overeenkomstig de aanvraag en dat in de aanvraag voor de omgevingsvergunningen de inkoopstations een maximale lengte van 20 m, een maximale breedte van 7 m, een maximale hoogte van 4 m en een maximale oppervlakte van 50 m2 zullen hebben. Hieruit volgt dat de inkoopstations zijn vergund in overeenstemming met het plan.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

31. Gelet op wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit van 27 juni 2019 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 3:46 van de Awb en het vierde lid, onder c, van de artikelen 6.18 en 7.19 van de Verordening. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit van 27 juni 2019 moet worden vernietigd.

32. Gelet op de onlosmakelijke samenhang tussen het besluit van 27 juni 2019 en de besluiten van 1 augustus 2019, ziet de Afdeling aanleiding om ook de besluiten van 1 augustus 2019 te vernietigen.

33. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

34. De raad van de gemeente Oss moet de proceskosten vergoeden.

Gevolgen van deze uitspraak

35. Sinds de vaststelling van de bestreden besluiten is de provinciale verordening gewijzigd en is de Interim Omgevingsverordening vastgesteld. Deze wijziging heeft gevolgen voor de wijze waarop windturbines kunnen worden toegestaan in landelijk gebied.

In artikel 3.37, tweede lid, van de Interim Omgevingsverordening is bepaald dat nieuwvestiging van windturbines in landelijk gebied alleen is toegestaan met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚ of 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), wordt afgeweken van een bestemmingsplan.

De Afdeling hecht eraan op te merken dat, gezien de gewijzigde provinciale verordening, de raad zelf in een bestemmingsplan niet bij recht zal mogen voorzien in (de ingebruikname van) de windturbines en een dergelijk gebruik dient te worden uitgesloten.

Het is aan het college van burgemeester en wethouders om, indien daartoe de bereidheid bij dat college bestaat, door middel van een afwijkingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚of 3˚, van de Wabo, (de ingebruikname van) de windturbines mogelijk te maken.

Uit artikel 3.37, tweede lid, van de Interim Omgevingsverordening volgt dat aan een zodanige afwijkingsvergunning in ieder geval de voorwaarde moet worden verbonden dat financiële zekerheid wordt gesteld dat na het verstrijken van de termijn de vóór verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand wordt hersteld en de windturbines worden verwijderd (zie overwegingen 9.7 tot en met 9.10 in de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:857).

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B], [appellant sub 1C], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oss van 27 juni 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg - De Geer";

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oss van 1 augustus 2019, kenmerk VTH/W 37053;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oss van 1 augustus 2019, kenmerk VTH/W 37055;

V. draagt de raad van de gemeente Oss op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Oss tot vergoeding van de bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00 (zegge: zevenhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Oss aan [appellant sub 1A],

[appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Oss aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van

mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

De voorzitter is verhinderd De griffier is verhinderd de uitspraak de uitspraak te ondertekenen te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2021

45-932.

Bijlage 1: relevante regelgeving

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 3.14, eerste tot en met het derde lid

1. Een windturbine wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties door een deskundige op het gebied van windturbines.

2. Indien wordt geconstateerd of indien het redelijk vermoeden bestaat dat een onderdeel of onderdelen van de windturbine een gebrek bezitten, waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding is, wordt de windturbine onmiddellijk buiten bedrijf gesteld en het bevoegd gezag daaromtrent geïnformeerd. De windturbine wordt eerst weer in bedrijf genomen nadat alle gebreken zijn hersteld.

3. Indien een windturbine als gevolg van het in werking treden van een beveiliging buiten bedrijf is gesteld, wordt deze pas weer in werking gesteld nadat de oorzaak van het buiten werking stellen is opgeheven.

Artikel 3.14a, eerste lid

Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

Activiteitenregeling milieubeheer

Artikel 3.14

1. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan voldoet een windturbine aan de veiligheidseisen opgenomen in:

a. NEN-EN-IEC 61400-1;

b. NEN-EN-IEC 61400-2;

c. NEN-EN-IEC 61400-3.

2. In afwijking van het eerste lid voldoet een windturbine die is opgericht voor 1 januari 2017 of dient ter vervanging van een windturbine die is opgericht voor 1 januari 2017 aan NEN-EN-IEC 61400-2:2006: Europese norm voor Windturbines - Deel 2: Ontwerp eisen van kleine windturbines, september 2006 of aan NVN 11400-0.

3. Aan het eerste lid wordt voldaan indien voor de windturbine een certificaat is afgegeven door een certificerende instantie waaruit blijkt dat de windturbine voldoet aan deze regels. De certificerende instantie is geaccrediteerd voor het afgeven van certificaten, overeenkomstig de normen bedoeld in het eerste lid bij de Raad voor Accreditatie of bij een accrediterende instantie die erkend is door een andere staat, aangesloten bij de Multilateral Agreement on European Accreditation of Certification.

4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid gelden ten aanzien van een windturbine die voor 1 december 2001 is opgericht en waarvoor tot die datum een vergunning in werking en onherroepelijk was, de in die vergunning opgenomen voorschriften met betrekking tot de veiligheid van de installatie.

Verordening ruimte Noord-Brabant

Artikel 6.18

1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod op nieuwvestiging) is in de Groenblauwe mantel nieuwvestiging mogelijk van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas indien:

a. de windturbines direct aansluitend zijn gesitueerd aan gronden bestemd als middelzwaar en zwaar bedrijventerrein, met een bruto omvang van tenminste 20 hectare;

b. er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines.

[…]

4. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste en tweede lid met een procedure die de tijdelijkheid van de voorziening borgt, zoals een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2e of 3e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:

a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;

b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines verwijderd;

c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

Artikel 7.19, eerste en vierde lid, bevat een gelijkluidende regeling voor gronden gelegen in gemengd landelijk gebied.

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Artikel 3.37

Lid 1

In Landelijk gebied is nieuwvestiging mogelijk van windturbines met een bouwhoogte van tenminste 25 meter, gemeten van de bovenkant van de fundering tot aan de wiekenas, als:

a. de windturbines inpasbaar zijn in de omgeving;

b. er sprake is van een geclusterde opstelling van minimaal 3 windturbines;

c. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft, waaronder de mogelijkheid voor de omgeving om te participeren in het project;

d. de ontwikkeling op regionaal niveau is afgestemd met omliggende gemeenten en de netwerkbeheerder, gelet op de ontwikkeling van overige duurzame energie initiatieven in de omgeving.

Lid 2

Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2 of 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden:

a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;

b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en worden de windturbines verwijderd;

c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.

Planregels

Artikel 8.1.1

De voor "Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

c. inkoopstations;

[…]

Artikel 8.1.2

A Windturbinepark

Voor het bouwen van windturbines gelden de volgende regels:

a. de minimale ashoogte van een windturbine bedraagt 100 meter;

b. de maximale ashoogte van een windturbine bedraagt 145 meter;

c. de minimale rotordiameter van een windturbine bedraagt 100 meter;

d. de maximale rotordiameter van een windturbine bedraagt 136 meter;

e. de maximale tiphoogte van een windturbine bedraagt 210 meter;

f. de maximale tiplaagte van een windturbine bedraagt 55 meter;

g. de windturbine heeft 3 rotorbladen;

h. de rotordiameter en de ashoogte van de windturbines in het windturbinepark dienen onderling hetzelfde te zijn;

i. de draairichting van de windturbines dient gelijk te zijn;

j. een windturbine dient te worden voorzien van een ijsdetectiesysteem tenzij de veiligheid ten aanzien van ijsafworp op andere wijze aantoonbaar geborgd kan worden.

b Inkoopstations

Voor het bouwen van gebouwen in de vorm van inkoopstations gelden de volgende regels:

a. er is op grond van dit artikel en artikel 14.3.2 één inkoopstation per windturbine toegestaan, waarvoor geldt:

1. de maximale bouwhoogte van een inkoopstation bedraagt 4 meter;

2. de maximale oppervlakte per inkoopstation bedraagt 50 m².

8.1.3

Afwijken van bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8.1.2 a Windturbinepark voor een afwijking van de gelijke rotordiameter en ashoogte van de windturbines in het windturbinepark indien:

a. de tiphoogte van een windturbine maximaal 210 meter bedraagt;

b. de rotordiameter en de ashoogte van de windturbines in het windturbinepark qua uiterlijke verschijningsvorm onderling vergelijkbaar zijn met een maximale afwijking van 10%;

c. de afwijking landschappelijk wordt onderbouwd, mede door middel van visualisaties;

d. dit door het bevoegd gezag landschappelijk aanvaardbaar wordt bevonden.

Artikel 8.1.4

[…]

b Gemeentelijke norm voor geluid

a. De windturbines bestemd voor "Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig" dienen te voldoen aan de volgende geluidruimteverdeling met een immissienorm per toetspunt en per windturbine (zie Bijlage 1 van deze regels voor nummering windturbines):

óf;

b. alle windturbines bestemd voor "Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig" dienen, op basis van een andere verdeling van de immissienorm per windturbine, samen te voldoen aan de immissienorm voor het totaal van alle windturbines per toetspunt zoals weergegeven in de laatste kolom van de tabel in lid a van dit artikel;

c. indien niet aan lid a of lid b van dit artikel wordt voldaan, is de immissienorm per toetspunt en per windturbine zoals weergegeven in de tabel in lid a, kolommen "windturbine 1" tot en met "windturbine 4", de basis voor handhavend optreden;

d. voorts dient de toets van alle windturbines bestemd voor "Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig" aan de immissienorm, op grond van lid a of lid b, deel uit te maken van de aanvraag omgevingsvergunning voor de windturbines ter beoordeling door het bevoegd gezag;

e. op het bepaalde in artikel 8.1.4 b Gemeentelijke norm voor geluid is de rekenmethodiek en de handhavingsmethodiek van toepassing zoals opgenomen in Bijlage 2 bij deze regels.

[…]

d Kwaliteitsverbetering van het landschap

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt voorts gerekend:

a. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van windturbines zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 3 (bij de toelichting) opgenomen "Inrichtingsplan kwaliteitsverbetering landschap".

[…]

Artikel 14.3.2

Op de gronden ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - windturbine", niet tevens gelegen binnen de bestemming "Natuur", zijn geen gebouwen toegestaan, uitgezonderd gebouwen in de vorm van inkoopstations. Voor het bouwen van inkoopstations gelden de volgende regels:

a. de maximale bouwhoogte van een inkoopstation bedraagt 4 meter;

b. de maximale oppervlakte per inkoopstation bedraagt 50 m².

Artikel 15.1

[…]Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een enkelbestemming "Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig", én de bijbehorende gebiedsaanduidingen "vrijwaringszone - windturbine" op te nemen binnen de aangegeven gebiedsaanduidingen 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 1' onder voorwaarden dat:

[…]b. in het wijzigingsplan wordt geborgd dat de windturbines die in het wijzigingsplan worden bestemd voor "Bedrijf - Windturbinepark Voorlopig" voldoen aan de volgende geluidruimteverdeling met een immissienorm per toetspunt en per windturbine (zie Bijlage 1 van deze regels voor nummering windturbines):

Voorschriften in de omgevingsvergunningen

1.3.1

Ten minste 2 maanden voor de start van de bouw van de windturbines moeten de volgende gegevens en bescheiden ter goedkeuring bij Vergunningen, Toezicht en Handhaving worden ingediend:

- Bouwveiligheidsplan

- Constructieberekeningen en tekeningen

- Definitieve keuze van het type windturbine die voldoet aan de bouwregels van artikel 8.1.2 a "windturbinepark" van het bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg-De Geer".

- Tekeningen van de definitieve keuze inkoopstation

- Een onderzoek naar niet-gesprongen explosieven.

1.5.1

De windturbine moet na 25 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Windmolenpark Elzenburg- De Geer" worden verwijderd inclusief de bijbehorende voorzieningen, zoals grondplaten en hekwerken.

4.1.1

Ten minste 2 maanden voor de start van de bouw van de windturbines moeten de volgende gegevens worden overgelegd aan het bevoegd gezag ter goedkeuring:

a. Definitieve keuze turbinetype, inclusief technische specificaties en type certificaat;

b. een verlichtingsplan;

c. een slagschaduw onderzoek;

d. veiligheidsanalyse externe veiligheid.

6.1.2

Binnen 6 maanden na het beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting dienen de windturbines, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag te worden verwijderd.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature