< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 13 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] woont in Den Haag in een portiekwoning op de vierde etage. Hij heeft ernstige lichamelijke en psychische klachten. Op 27 maart 2019 heeft hij een urgentieverklaring gekregen. Deze was drie maanden geldig. In die periode heeft hij geen woning kunnen vinden. Op 21 juni 2019 heeft hij het college gevraagd om de urgentieverklaring te verlengen. Deze aanvraag is afgewezen, omdat [appellant] zijn urgentieverklaring volgens het college niet adequaat heeft benut. Hij heeft te weinig gereageerd op woningen binnen zijn zoekprofiel. Tegen dit besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Het college heeft in het besluit op bezwaar de afwijzing in stand gelaten, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften.

Uitspraak



202005556/1/A3.

Datum uitspraak: 30 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 21 september 2020 in zaken nrs. 20/4756 en 20/5472 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2019 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 3 juli 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 september 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2021, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [appellant], [gemachtigde B], en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Tjon-Man-Tsoi, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       [appellant] woont in Den Haag in een portiekwoning op de vierde etage. Hij heeft ernstige lichamelijke en psychische klachten. Op 27 maart 2019 heeft hij een urgentieverklaring gekregen. Deze was drie maanden geldig. In die periode heeft hij geen woning kunnen vinden.

Op 21 juni 2019 heeft hij het college gevraagd om de urgentieverklaring te verlengen. Deze aanvraag is afgewezen, omdat [appellant] zijn urgentieverklaring volgens het college niet adequaat heeft benut. Hij heeft te weinig gereageerd op woningen binnen zijn zoekprofiel. Tegen dit besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt. Het college heeft in het besluit op bezwaar de afwijzing in stand gelaten, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften. In dit advies staat dat gewijzigde feiten en omstandigheden een reden kunnen zijn om opnieuw een urgentieverklaring aan te vragen. Tegen dit besluit heeft [appellant] geen rechtsmiddelen aangewend.

2.       [appellant] heeft vervolgens op 7 november 2019 een nieuwe urgentieverklaring aangevraagd. Hij stelt dat zijn medische situatie is verslechterd. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat deze is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan [appellant] verleende urgentieverklaring is vervallen en omdat [appellant] niet eerst drie maanden voorafgaand aan de aanvraag aantoonbaar heeft gereageerd op het beschikbare woningaanbod. Dit zijn weigeringsgronden als genoemd in artikel 4:5, onder h en m, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (hierna: de Hvv). Omdat het verzoek volgens het college al om deze redenen moet worden afgewezen, heeft het de aanvraag niet inhoudelijk beoordeeld. Het heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Dit besluit heeft het college in bezwaar gehandhaafd. In deze procedure gaat het alleen over dit besluit.

3.       De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid de aanvraag kon afwijzen. Niet in geschil is dat is voldaan aan de weigeringsgronden als genoemd in artikel 4:5, onder h en m, van de Hvv. Om die reden komt [appellant] al niet voor een urgentieverklaring in aanmerking. [appellant] heeft aangevoerd dat het zoekprofiel van de vorige urgentieverklaring niet passend was en dat hij daarom niet adequaat kon reageren, maar dat had hij in bezwaar aan kunnen voeren tegen het besluit tot verlening van de urgentieverklaring. Dat heeft hij niet gedaan. Het college heeft ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen kunnen afzien, aldus de rechtbank.

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag in redelijkheid kon afwijzen. Op het moment van verlening van de urgentieverklaring was het zoekprofiel enigszins passend. Daarna, na het verstrijken van de bezwaartermijn, is zijn gezondheid echter in sterke mate achteruit gegaan, waardoor het zoekprofiel niet meer passend was. Hem kan niet worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het zoekprofiel. Hij mocht erop vertrouwen dat zijn aanvraag inhoudelijk beoordeeld zou worden. Dit stond immers in het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften over het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om verlenging van de urgentieverklaring. Zijn belang dient te prevaleren boven enig belang van het college bij weigering van de urgentieverklaring. De hardheidsclausule is juist bedoeld voor uitzonderlijke situaties als deze, aldus [appellant].

5.1.    Volgens artikel 4:7, eerste lid, van de Hvv kan een aanvraag om een urgentieverklaring pas inhoudelijk worden beoordeeld, als zich geen van de omstandigheden als genoemd in artikel 4:5 van de Hvv voordoet. In het geval van [appellant] doen zich de omstandigheden als genoemd onder h en m voor. Daarom heeft het college terecht de aanvraag niet inhoudelijk beoordeeld.

5.2.    De opmerking in het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften maakt dit oordeel niet anders. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat toezeggingen zijn gedaan waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. In het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, dat het college heeft overgenomen in zijn besluit op bezwaar, staat slechts dat gewijzigde omstandigheden een reden kunnen zijn om opnieuw een urgentieverklaring aan te vragen. Hieraan kon [appellant] niet het vertrouwen ontlenen dat het college, in strijd met de Hvv, bij een nieuwe aanvraag niet eerst zou beoordelen of er weigeringsgronden van toepassing zijn.

5.3.    In het kader van de hardheidsclausule kan de medische situatie wel een rol spelen. [appellant] had in de periode tot de behandeling van het bezwaar een aantal documenten overgelegd om aannemelijk te maken dat zijn situatie was verslechterd, zoals een bericht dat hij voor een verhuisvergoeding vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning in aanmerking komt, een afspraakbevestiging bij onder meer de polikliniek pijngeneeskunde, een toewijzing voor een Europese gehandicaptenparkeerkaart en een overzicht van de huisarts van de pijnmedicatie die hij gebruikt. In het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften staat hierover dat een behandelend arts geen verklaringen kan afgeven over eigen patiënten om voor bepaalde voorzieningen in aanmerking te komen. Uit het GGD advies, dat ten grondslag ligt aan de eerder verleende voorrangsverklaring, volgt al dat er op korte termijn geen verbetering valt te verwachten. Dat was al meegewogen bij de verlening van de eerste urgentieverklaring. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties wordt de hardheidsclausule toegepast. Het college stelt zich op het standpunt dat de situatie van [appellant] weliswaar ongewenst en ernstig is, maar dat er geen omstandigheden naar voren zijn gebracht die maken dat zijn situatie schrijnender is dan andere soortgelijke gevallen, waarin het college een dergelijke herhaalde aanvraag om een urgentieverklaring heeft moeten afwijzen. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat het hierbij ook de overgelegde stukken heeft meegewogen.

5.4.    De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Duidelijk is dat de situatie van [appellant] ernstig is, maar voor het oordeel dat deze zoveel ernstiger is geworden sinds de verlening van de eerste urgentieverklaring dat toepassing had moeten worden gegeven aan de hardheidsclausule, heeft het college de overgelegde stukken onvoldoende kunnen achten. Uit de overgelegde stukken blijkt bijvoorbeeld niet of en zo ja, in hoeverre de situatie is verergerd. Hoewel het college geen verklaringen van behandelend artsen accepteert, had een dergelijke verklaring wel een begin van een bewijs kunnen zijn. In hoger beroep heeft [appellant] ook nog een brief overgelegd waarin staat dat hij een transportrolstoel kan krijgen. Hieruit blijkt echter evenmin in hoeverre de situatie was verergerd tussen de verlening van de eerste urgentieverklaring en het besluit van 3 juli 2020.

5.5.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid het verzoek heeft kunnen afwijzen. Het betoog slaagt niet. Zoals het college ter zitting heeft bevestigd, kan [appellant] inmiddels wel een nieuwe aanvraag indienen, waarbij hem niet zal worden tegengeworpen dat hij eerder een urgentieverklaring heeft gekregen.

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021

317-851

 

BIJLAGE

 

Huisvestingsverordening Den Haag 2019

Artikel 4: 5

Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

[…];

h. de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is vervallen of ingetrokken met toepassing van artikel 4:8 of artikel 4: 9;

[…];

m. de aanvrager heeft niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar gereageerd op het beschikbare woningaanbod, tenzij de aanvraag wordt gedaan op grond van artikel 4: 6;

[…].

Artikel 4: 6

1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 4:5, onder a tot en met l, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:

a. woningzoekenden die tenminste twee maanden verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en waarvan de uitstroom uit die voorziening aanstaande is, indien de behoefte aan in de desbetreffende regiogemeente gelegen woonruimte als gevolg van die uitstroom naar het oordeel van burgemeester en wethouders dringend noodzakelijk is;

b. woningzoekenden waarvan de voorziening in de behoefte aan woonruimte als gevolg van het verlenen of ontvangen van mantelzorg naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor aanvrager dringend noodzakelijk is. […].

Artikel 4: 7

1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 4:5 genoemde omstandigheden voordoet en indien een woonsituatie binnen de gemeente naar het oordeel van burgemeester en wethouders door sociale of medische omstandigheden zodanig is verstoord dat:

a. levensgevaar voor één of meer leden van het huishouden dreigt; of

b. één of meer leden van het huishouden zodanig geestelijk, emotioneel of lichamelijk belast is, dat volledige ontwrichting van het huishouden optreedt en de leden zelf niet in staat zijn dit op te lossen.

[…].

Artikel 7: 3

Burgemeester en wethouders kunnen een artikel of artikelen van de ze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan gelet op het belang van de bestrijding van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature