< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij tussenuitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2641, heeft de Afdeling het college en burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard opgedragen binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 21 mei 2019 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie 1] - Haastrecht" te herstellen. Het wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel [locatie 1] en maakt ter plaatse de vestiging van een tweede bedrijf planologisch mogelijk . [appellant] woont en is met een horecabedrijf gevestigd op het naastgelegen perceel [locatie 2]. Onder 6.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling naar aanleiding van het beroep van [appellant] overwogen dat in het wijzigingsplan geen nadere beperking is opgenomen wat betreft het type tweede bedrijf dat op het perceel [locatie 1] is toegestaan en dat ter plaatste planologisch gezien dus alle soorten bedrijven kunnen worden gevestigd.

Uitspraak



201905308/3/R3.

Datum uitspraak: 30 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Haastrecht, gemeente Krimpenerwaard,

en

het college en burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2641, heeft de Afdeling het college opgedragen binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 21 mei 2019 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie 1] - Haastrecht" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 16 maart 2021 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie 1] - Haastrecht" gewijzigd vastgesteld.

[appellant] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het wijzigingsplan van 21 mei 2019 en de tussenuitspraak

1.       Het wijzigingsplan heeft betrekking op het perceel [locatie 1] en maakt ter plaatse de vestiging van een tweede bedrijf planologisch mogelijk . [appellant] woont en is met een horecabedrijf gevestigd op het naastgelegen perceel [locatie 2].

Onder 6.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling naar aanleiding van het beroep van [appellant] overwogen dat in het wijzigingsplan geen nadere beperking is opgenomen wat betreft het type tweede bedrijf dat op het perceel [locatie 1] is toegestaan en dat ter plaatste planologisch gezien dus alle soorten bedrijven kunnen worden gevestigd als beschreven in artikel 4.1.1, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Landelijk gebied (voormalige gemeente Vlist)" (hierna: het moederplan). Dit betreffen bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in bijlage 1 van de planregels van het moederplan, alsmede bedrijfsactiviteiten die niet in de toegelaten categorieën zijn genoemd, maar die naar aard en invloed op de omgeving met de wel genoemde bedrijfsactiviteiten zijn gelijk te stellen. De Afdeling heeft vervolgens overwogen dat het college niet heeft onderbouwd in hoeverre het mogelijk maken van al deze verschillende soorten bedrijven als tweede bedrijf passend is in verhouding tot het beschermen van het woon- en leefklimaat van de omgeving. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat [appellant] er terecht op heeft gewezen dat het op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten bij het moederplan mogelijk is dat als tweede bedrijf een restaurant of café op het perceel [locatie 1] wordt gevestigd, terwijl bij de vaststelling van het moederplan de bescherming van het woon- en leefklimaat van de omgeving juist reden gaf om de openingstijden van het naastgelegen horecabedrijf van [appellant] te beperken. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het wijzigingsplan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.       Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 mei 2019 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

3.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen het in overweging 6.2 van deze uitspraak geconstateerde gebrek in het wijzigingsplan binnen 20 weken te herstellen. Daarbij heeft de Afdeling het college de mogelijkheid gegeven alsnog deugdelijk te motiveren waarom alle verschillende soorten bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten bij het moederplan als tweede bedrijf passend zijn op het perceel [locatie 1], waarbij het college in acht dient te nemen dat op het naastgelegen perceel van [appellant] ten aanzien van zijn horecabedrijf een beperking in de openingstijden is opgenomen in het moederplan. In de opdracht in de tussenuitspraak is vermeld dat het college er ook voor kan kiezen het wijzigingsplan gewijzigd vast te stellen en de toegestane bedrijfsactiviteiten voor het tweede bedrijf te beperken.

Het herstelbesluit van 16 maart 2021

4.       Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij besluit van 16 maart 2021 het wijzigingsplan gewijzigd vastgesteld. Het college heeft een nieuw artikel 3.1 aan de planregels van het wijzigingsplan toegevoegd. Dit artikel luidt als volgt:

"De Staat van bedrijfsactiviteiten als opgenomen in bijlage 1 bij de regels van het bestemmingsplan is niet van toepassing op het bestemmingsvlak ‘bedrijf’ ter plaatse van het adres [locatie 1]. Ter plaatse van dat bestemmingsvlak zijn gronden bestemd voor bedrijven met bedrijfsactiviteiten in categorie 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 1 bij de regels. Bedrijfsactiviteiten die niet zijn opgenomen in de Staat maar die naar aard en invloed op de omgeving zijn gelijk te stellen met de genoemde bedrijfsactiviteiten zijn eveneens toegestaan, een en ander met uitzondering van:

1 Detailhandelsbedrijven;

2 Zelfstandige kantoorvestigingen;

3 Bedrijven zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht".

Als bijlage 1 bij de planregels van het wijzigingsplan is een nieuwe Staat van bedrijfsactiviteiten gevoegd. Op pagina 14 van deze nieuwe Staat van bedrijfsactiviteiten is de categorie "Logies, maaltijden- en drankenverstrekking" met alle daartoe behorende bedrijfsactiviteiten, zoals restaurants en cafés, welke categorie was opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten bij het moederplan, voor het perceel [locatie 1] volledig komen te vervallen. De overige categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten acht het college inpasbaar op dit perceel.

5.       Hierna zal de Afdeling aan de hand van de door [appellant] naar voren gebrachte zienswijze beoordelen of het college met het gewijzigd vaststellen van het wijzigingsplan heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

De zienswijze

6.       [appellant] voert aan dat het college ten onrechte zonder de raad hierbij te betrekken de wijzigingsbevoegdheid heeft gebruikt om een horecabedrijf op het perceel van zijn buren volledig uit te sluiten. Dit levert volgens hem ongelijke behandeling op. Alle andere bedrijven in het buitengebied van de voormalige gemeente Vlist kunnen volgens hem namelijk zonder enige beperking op grond van het moederplan een horecabedrijf beginnen. Hij stelt dat er gelet hierop geen reden is om horeca op het perceel van zijn buren uit te sluiten. Voor zover het college aansluiting heeft gezocht bij de argumenten die de raad had om zijn horecabedrijf ten tijde van de vaststelling van het moederplan te beperken in de openingstijden, merkt [appellant] op dat die argumenten niet langer houdbaar zijn. Er zijn namelijk drie andere bedrijven aan de Steinsedijk die wel zonder enige beperking een horecabedrijf mogen starten, aldus [appellant]. Dit betekent volgens hem dat het standpunt van de raad dat het specifiek in dit deel van het landelijk gebied noodzakelijk is beperkingen op te leggen ten aanzien van de horeca-activiteiten, niet langer houdbaar is. [appellant] had verwacht dat de Afdeling naar aanleiding van zijn beroep het college zou hebben opgedragen om het toestaan van horeca-activiteiten op het perceel van zijn buren beter te motiveren en tegelijkertijd te toetsen of de beperking in de openingstijden voor zijn bedrijf nog wel in stand kan blijven, gezien de omstandigheid dat deze beperking niet geldt voor andere bedrijven in de gemeente.

6.1.    De Afdeling overweegt dat, gelet op de in de tussenuitspraak gegeven opdracht, hier ter toetsing voorligt of het college in het licht van de zienswijze van [appellant] voldoende heeft onderbouwd in hoeverre het mogelijk maken van verschillende soorten bedrijven als tweede bedrijf op het perceel van de buren van [appellant] aan de [locatie 1] in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het tweede bedrijf ervoor gekozen in het wijzigingsplan uit te sluiten dat ter plaatse bedrijfsactiviteiten kunnen plaatsvinden in de categorie logies, maaltijden- en drankenverstrekking. De Afdeling ziet in wat [appellant] hiertegen heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college met het op dit punt gewijzigd vaststellen van het wijzigingsplan niet heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak. De stelling van [appellant] dat het uitsluiten van horeca op het perceel van zijn buren in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, kan niet leiden tot dit oordeel. [appellant] heeft er in zijn beroep tegen het besluit van 21 mei 2019 zelf op gewezen dat het college er onvoldoende rekening mee heeft gehouden dat het type tweede bedrijf op het perceel van zijn buren in de planregels van het wijzigingsplan niet is beperkt en dat gelet hierop ter plaatse ook een horecabedrijf zou kunnen worden gestart, terwijl de raad het voor zijn horecabedrijf noodzakelijk heeft geacht om in het moederplan een verplichte sluitingstijd op te nemen. Bovendien zijn de buren van [appellant] niet opgekomen tegen het voor hun perceel gewijzigd vastgestelde wijzigingsplan. Indien zij van mening zijn dat zij ongelijk zouden worden behandeld, dan was het aan hen om daartegen in rechte op te komen. Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat de verplichte sluitingstijd die geldt voor zijn horecabedrijf niet langer houdbaar is, merkt de Afdeling op dat deze verplichte sluitingstijd is neergelegd in het moederplan. Het moederplan ligt in deze procedure echter niet ter toetsing voor. Dit betekent dat de Afdeling in deze procedure niet aan de raad dan wel het college kan opdragen opnieuw af te wegen of de verplichte sluitingstijd uit het moederplan voor het horecabedrijf van [appellant] van kracht moet blijven.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie beroep van rechtswege

7.       Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 16 maart 2021 is ongegrond.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard van 21 mei 2019 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie 1] - Haastrecht" gegrond;

II.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard van 21 mei 2019 tot vaststelling van het wijzigingsplan "[locatie 1] - Haastrecht";

III.      verklaart het beroep tegen het besluit van het college burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard van 16 maart 2021 tot het gewijzigd vaststellen van het wijzigingsplan "[locatie 1] - Haastrecht" ongegrond;

IV.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021

810-952.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature