< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 19 november 2015, aangevuld bij besluit van 4 april 2016, heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201901818/1/V1.

Datum uitspraak: 18 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.    [de vreemdeling],

2.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 februari 2019 in zaak nr. 15/22044 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2015, aangevuld bij besluit van 4 april 2016, heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 1 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, ongegrond verklaard en het beroep gericht tegen het inreisverbod gegrond verklaard en het besluit in zoverre vernietigd.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, advocaat te Utrecht, en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de aanvraag van de vreemdeling afgewezen omdat volgens hem artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag op de vreemdeling van toepassing is. De staatssecretaris heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de vreemdeling zelf meermalen heeft verklaard dat hij zijn minderjarige nicht heeft verkracht. De staatssecretaris heeft tegen de vreemdeling een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris, gelet op de eigen verklaringen die de vreemdeling in februari 2015 heeft afgelegd, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling verantwoordelijk kan worden gehouden voor een misdrijf als bedoeld in artikel 1(F), onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het Unierechtelijke openbare ordecriterium geen rol speelt bij tegenwerping van artikel 1(F).

Over de uitvaardiging van het inreisverbod heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris, gelet op het feit dat de verkrachting ongeveer 22 jaar geleden heeft plaatsgevonden, ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling ook nu nog een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn (PB 2004 L 158, met rectificatie in PB 2004 L 229). Volgens de rechtbank is het tijdsverloop een belangrijke omstandigheid en heeft de staatssecretaris niet gesteld dat de vreemdeling in die 22 jaar nog delicten heeft gepleegd.

3.    Het hoger beroep van de vreemdeling leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.1.    Het hoger beroep van de vreemdeling gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 22 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3954, over de beoordeling van het Unierechtelijke openbare ordecriterium als artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

4.    In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris over de onder 2 weergegeven overweging over het inreisverbod. De staatssecretaris betoogt dat hij dit wel deugdelijk heeft gemotiveerd.

4.1.    Het betoog van de staatssecretaris slaagt. De staatssecretaris heeft deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. In aanmerking genomen dat, zoals de staatssecretaris heeft aangevoerd, verkrachting in Nederland een misdrijf is dat niet verjaart, heeft hij bij de uitvaardiging van het inreisverbod niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan de ernst van het misdrijf dat de vreemdeling heeft gepleegd, dat hij hier niet strafrechtelijk voor is veroordeeld en dat hij het misdrijf nu ontkent en het daarmee bagatelliseert. Bovendien heeft de staatssecretaris zoals hij op de zitting bij de rechtbank te kennen heeft gegeven, bij de vraag naar de actualiteit van de bedreiging niet ten onrechte betrokken dat de vreemdeling ten tijde van het besluit van 19 november 2015 nog maar een jaar in Nederland verbleef en dat het de staatssecretaris niet bekend is hoe de vreemdeling zich in de tussenliggende tijd, toen hij in Libië verbleef, heeft gedragen.

De grief slaagt.

5.    Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond en het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij het besluit van 19 november 2015 heeft vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep, voor zover gericht tegen de uitvaardiging van het inreisverbod, alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 1 februari 2019 in zaak nr. 15/22044, voor zover zij het besluit van 19 november 2015 heeft vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod;

IV.    verklaart het beroep ook in zoverre ongegrond;

V.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020

488-941.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature