< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij tussenuitspraak van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2023 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek te herstellen in het besluit van 30 november 2017, waarbij de raad het bestemmingsplan "Groenzoom" heeft vastgesteld. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Uitspraak



201801154/3/R3.

Datum uitspraak: 19 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A], [appellante B], [appellante C] en [appellante D] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]), alle gevestigd te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Lansingerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2023 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek te herstellen in het besluit van 30 november 2017, waarbij de raad het bestemmingsplan "Groenzoom" heeft vastgesteld. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 31 oktober 2019 (hierna: het herstelbesluit) het bestemmingsplan "Groenzoom" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.

[appellante] is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld. [appellante] heeft bij brief laten weten geen zienswijze in te dienen over het herstelbesluit.

In verband met de wijziging van de samenstelling van de zittingskamer zijn partijen gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft nadat geen van de partijen binnen een door haar gestelde termijn had verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De tussenuitspraak van 26 juni 2019

1.    De Afdeling heeft in 11.6 van de tussenuitspraak overwogen dat, omdat de bedrijfsactiviteiten op het perceel aan de [locatie] te Berkel en Rodenrijs niet planologisch legaal plaatsvinden, geen grond bestaat voor de in 11.3 van de tussenuitspraak beschreven aanname van de raad dat het bedrijf - ondanks dat het onder een zwaardere milieucategorie valt dan planologisch is toegestaan - onder het bestreden plan kan worden voortgezet zolang het nog niet is verplaatst, ook nadat de termijn van de vergunning van 3 november 2016 voor de geluidschermen is verstreken.

    Om mogelijk te maken wat de raad heeft beoogd - namelijk dat de bedrijfsactiviteiten nog een bepaalde tijd kunnen worden voortgezet - had moeten worden voorzien in een maatbestemming voor de bestaande bedrijfsactiviteiten en geluidschermen, en wel in die zin dat deze voorlopig mogen plaatsvinden en voorlopig aanwezig mogen zijn tot het tijdstip van bedrijfsverplaatsing. Die bestemming dient te zijn afgestemd op de periode die duurt totdat dat gebruik na minnelijke onderhandelingen dan wel op niet minnelijke wijze wordt beëindigd, met dien verstande dat daarna geen beroep kan worden gedaan op overgangsrecht.

    Omdat het plan in zoverre niet mogelijk maakt wat de raad heeft beoogd en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, zodat het strijdig is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

1.1.    Het beroep tegen het besluit van 30 november 2017 is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd, voor zover ter plaatse van het perceel aan de [locatie] te Berkel en Rodenrijs niet is voorzien in een maatbestemming voor de bestaande bedrijfsactiviteiten en geluidschermen tot het tijdstip van bedrijfsverplaatsing.

1.2.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van wat is overwogen onder 11.6 te voorzien in een maatbestemming voor de bestaande bedrijfsactiviteiten en geluidschermen tot het tijdstip van bedrijfsverplaatsing.

Het herstelbesluit

2.    De raad heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak met het herstelbesluit van 31 oktober 2019 het bestemmingsplan "Groenzoom" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.

2.1.    Aan het perceel is blijkens de verbeelding van dit plan de bestemming "Bedrijf" met onder meer de functieaanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - opslag 1", "specifieke vorm van bedrijf - opslag 2" en "geluidscherm" toegekend.

    In dit plan is artikel 6, lid 6.1.2, onder e, f, en g, van de planregels gewijzigd vastgesteld en als volgt komen te luiden:

"e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag 1' zijn uitsluitend groothandel en opslag behorende tot milieucategorie 1 en 2 als bedoeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan;

f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opslag 2' zijn uitsluitend groothandel en opslag behorende tot milieucategorie 1 en 2 als bedoeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan, waarbij voor een periode van maximaal 5 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan of zoveel eerder indien het bedrijf is beëindigd, tevens het inzamelen, scheiden en afvoeren van bedrijfsafval groothandel en opslag van zand en grond is toegestaan, met dien verstande dat voor deze activiteiten na deze periode geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht;

g. ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm' is een geluidsscherm toegestaan, voor een periode van maximaal 5 jaar na vaststelling van het bestemmingsplan of zoveel eerder als het bedrijf is beëindigd, met dien verstande dat na deze periode geen beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht."

2.2.    De Afdeling stelt vast dat het herstelbesluit een besluit tot vervanging van het oorspronkelijke bestreden besluit is en dat het herstelbesluit ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding is.

Geen zienswijze

3.    [appellante] heeft naar aanleiding van het herstelbesluit laten weten geen zienswijze in te dienen. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellante] geen bezwaren heeft tegen het herstelbesluit van 31 oktober 2019. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellante] tegen het herstelbesluit is ongegrond.

Proceskosten

4.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellante A], [appellante B], [appellante C] en [appellante D] tegen het besluit van de raad van de gemeente Lansingerland van 30 november 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Groenzoom" gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Lansingerland van 30 november 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Groenzoom", voor zover ter plaatse van het perceel aan de [locatie] te Berkel en Rodenrijs niet is voorzien in een voorlopige maatbestemming voor de bestaande bedrijfsactiviteiten en geluidschermen tot het tijdstip van bedrijfsverplaatsing;

III.    verklaart het beroep van [appellante A], [appellante B], [appellante C] en [appellante D] tegen het besluit van de raad van de gemeente Lansingerland van 31 oktober 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Groenzoom" ongegrond;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Lansingerland tot vergoeding van bij [appellante A], [appellante B], [appellante C] en [appellante D] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.312,50 (zegge: dertienhonderdtwaalf euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Lansingerland aan [appellante A], [appellante B], [appellante C] en [appellante D] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Kuipers

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020

271-913.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature