< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 20 februari 2018 heeft het college het verzoek om intrekking van de aan KPN B.V. verleende omgevingsvergunningen voor de zendmast op het perceel Croy ongenummerd te Eindhoven afgewezen.

Uitspraak



201901980/1/A1.

Datum uitspraak: 19 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Eindhoven,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 januari 2019 in zaak nr. 18/2022 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2018 heeft het college het verzoek om intrekking van de aan KPN B.V. verleende omgevingsvergunningen voor de zendmast op het perceel Croy ongenummerd te Eindhoven afgewezen.

Bij besluit van 10 juli 2018 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2019 heeft de rechtbank het beroep voor zover ingesteld door [appellant B] niet-ontvankelijk verklaard en het door [appellant A] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2020, waar [appellant A], bijgestaan door [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door mr. T.I. van Term, zijn verschenen. Voorts is KPN B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    KPN B.V. is eigenaar van een zendmast op een perceel aan de rand van een bedrijventerrein in Eindhoven naast de snelweg A2. In de mast is mede op verzoek van de gemeente Eindhoven een lichtkunstwerk aangebracht. [appellant A] en [appellant B] wonen op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Eindhoven op ongeveer 220 m afstand van de zendmast.

    Bij besluit van 13 december 2006 heeft het college een milieuvergunning verleend voor de zendmast en bij besluit van 8 augustus 2008 heeft het college een bouwvergunning verleend voor het bouwen van de zendmast. Bij besluiten van 7 januari 2009 en 11 mei 2011 heeft het college milieuvergunningen verleend voor het veranderen van de bestaande milieuvergunning van 13 december 2006. Vervolgens zijn op 12 juni 2012, 19 september 2013 en 13 november 2013 door het college omgevingsvergunningen verleend voor het milieuneutraal wijzigen van de mast.

2.     Bij brief van 11 december 2017 hebben [appellant A] en [appellant B] het college verzocht over te gaan tot intrekking van de aan KPN B.V. verleende omgevingsvergunningen ten behoeve van de zendmast. Zij hebben aan dat verzoek ten grondslag gelegd dat de schijn van belangenverstrengeling is gewekt omdat de gemeente een gift van € 80.000,00 heeft geaccepteerd om het lichtkunstwerk mogelijk te maken. Daarnaast wijzen zij ook op de gevolgen voor de gezondheid voor het leefmilieu en de stralingsbelasting in de woonomgeving.

3.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Ontvankelijkheid

4.    Het hoger beroep van [appellant B] is na afloop van de beroepstermijn ingediend. De Afdeling zal dit hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

    In artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep in kunnen stellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Awb .

    [appellant A] is bij de aangevallen uitspraak geen belanghebbende als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, van de Awb , voor zover daarbij niet zijn beroep, maar dat van [appellant B] niet ontvankelijk is verklaard. Het hoger beroep van [appellant A], voor zover tegen die beslissing van de rechtbank gericht, is derhalve niet-ontvankelijk.

Artikel 2.33 van de Wabo

5.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omgevingsvergunningen moeten worden ingetrokken omdat ten gevolge van de plaatsing van de zendmast ontoelaatbare nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). [appellant A] voert hiertoe aan dat sinds de verlening van de omgevingsvergunningen meer duidelijk is geworden over de gevolgen van straling voor de omgeving en dat mede gezien de huidige stand van kennis met betrekking tot risico’s en gezondheidsschade een intrekking van de vergunningen ook noodzakelijk is. Daarbij wijst [appellant A] op het aantal gezondheidsklachten in de directe omgeving rondom de zendmast, de onjuiste manier waarop de straling wordt berekend, de ten opzichte van andere zendmasten in Nederland hoge stralingsbelasting en het ernstige onveiligheidsgevoel dat is ontstaan bij de bewoners rondom de zendmast. Volgens [appellant A] houden de omgevingsvergunningen geen rekening met een groot aantal gevolgen die volgens hem gepaard gaan met deze vergunningen, zoals, oorsuizingen ten gevolge van langdurige blootstelling, verstoring van het functioneren van de bloed-brein barrière, slaapstoornissen, het risico op de ziekte van Alzheimer en geheugenschade en de aantasting van het auto-immuunsysteem. Verder betoogt hij dat het college, ondanks vele klachten van omwonenden, nooit heeft getracht het woon- en leefmilieu van omwonenden te verbeteren.

5.1.    Voor het antwoord op de vraag of toepassing gegeven kan worden aan artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo is niet doorslaggevend of de vergunde situatie in het belang van de bescherming van het milieu opnieuw zou kunnen worden vergund. Van belang is, zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7699 heeft overwogen, of de door de verleende omgevingsvergunningen ontstane milieugevolgen dermate ernstig zijn dat zij niet slechts als ongewenst, maar zonder meer als ontoelaatbaar kunnen worden aangemerkt. Uit hetgeen [appellant A] heeft gesteld over in de omgeving van de zendmast volgens hem waar te nemen klachten kan, in het licht van de aan de omgevingsvergunningen ten grondslag gelegde onderzoeken die, naar is toegelicht, nog altijd valide zijn en de controleverslagen van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, niet worden afgeleid dat sprake is van ernstige milieugevolgen als bedoeld in artikel 2.33 van de Wabo . Hetgeen [appellant A] heeft gesteld over corruptieve praktijken, biedt in dit kader evenmin grondslag voor intrekking van de omgevingsvergunningen op grond van artikel 2.33 van de Wabo .

    Het betoog faalt.

6.    De rechtbank heeft overwogen dat in het intrekkingsverzoek geen omstandigheden zijn aangevoerd die zijn aan te merken als een situatie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, onderdelen a, b of e van de Wabo en dat om die reden de hierop betreffende beroepsgronden niet kunnen leiden tot een vernietiging van het besluit van 10 juli 2018. Voor zover [appellant A] stelt dat de onderbouwing van de rechtbank op dit punt summier is, kan dit niet leiden tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat daarmee niet gemotiveerd is aangegeven waarom de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het intrekkingsverzoek geen betrekking had op de voormelde onderdelen a, b of e, van artikel 2.33 van de Wabo .

Artikel 5.19 van de Wabo

7.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 5.19 van de Wabo grondslag biedt voor intrekking van de omgevingsvergunningen. Daartoe voert hij aan dat niet aannemelijk is dat geen strafbare feiten zijn gepleegd. Volgens [appellant A] heeft het college dit niet weerlegd met objectieve en verifieerbare feiten of omstandigheden en heeft de gemeente nagelaten onderzoek te doen naar de gang van zaken omtrent de vergunningverlening. Het enige relevante stuk dat de gemeente heeft overgelegd is een afschrift van de betaling van een bedrag van € 20.000,00 aan KPN B.V. terwijl er volgens [appellant A] ruim voldoende aanwijzingen zijn dat sprake is van belangenverstrengeling en vooringenomenheid en gepleegde strafbare feiten op grond waarvan zou kunnen worden overgegaan tot intrekking op grond van artikel 5.19, vierde lid, onder b, van de Wabo. Enkele van die aanwijzingen zijn volgens [appellant A] het uitspreken van de nadrukkelijke wens door de gemeente dat een lichtkunstwerk wordt aangebracht in de zendmast, de omstandigheid dat het aanbrengen van een lichtkunstwerk in een zendmast ongebruikelijk is en dat het er op lijkt dat KPN B.V. onder druk is gezet door de gemeente, mede vanwege de omstandigheid dat onvoldoende budget bestond om haar doelen voortvloeiende uit het meerjarenprogramma "Licht aan" te bereiken. Daarnaast stelt [appellant A] dat KPN B.V. de gemeente heeft omgekocht en zijn de omgevingsvergunningen volgens hem verleend op basis van modelberekeningen die voortvloeien uit software waarmee is gesjoemeld.

7.1.     De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen aanwijzingen bestaan voor het vermoeden dat ter verkrijging van de omgevingsvergunningen een strafbaar feit is gepleegd. De enkele omstandigheid dat KPN B.V. € 80.000,00 en de gemeente aan subsidie € 20.000,00 hebben bijgedragen aan een lichtkunstwerk in de mast, geeft geen grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van een strafbaar feit ter verkrijging van de omgevingsvergunningen. Hetgeen [appellant A] voor het overige heeft aangevoerd wordt niet gestaafd door concrete stukken. Daarnaast zijn er geen andere aanwijzingen waaruit blijkt dat ter verkrijging van de vergunningen strafbare feiten zijn gepleegd en om die reden aanleiding zou bestaan om met toepassing van artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wabo over te gaan tot intrekking van de verleende vergunningen.

    Het betoog faalt.

Toereikendheid vergunningvoorschriften

8.    Verder betoogt [appellant A] dat met het oog op de vele klachten in de omgeving van de zendmast door het college moet worden bezien of de aan de verleende omgevingsvergunningen verbonden voorschriften nog wel toereikend zijn. De rechtbank heeft deze beroepsgrond gemotiveerd verworpen. [appellant A] heeft in zijn hogerberoepschrift niet uiteengezet dat en waarom het desbetreffende oordeel van de rechtbank onjuist. Om die reden kan dit betoog niet leiden tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak.

    Het betoog faalt.

Slot en conclusie

9.    Het hoger beroep van [appellant B] is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van [appellant A] voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van [appellant B] is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van [appellant A] is voor het overige ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant B] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het hoger beroep van [appellant A] voor zover dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van [appellant B] niet-ontvankelijk;

III.    verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond;

IV.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Vermeulen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020

700.

 

BIJLAGE

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.3 3

1. Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning in, voor zover:

a. de uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie dat vereist;

b. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, indien door toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast;

c. dat nodig is ter uitvoering van een verzoek als bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, tweede volzin, onder a, of een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid;

d. de inrichting of het mijnbouwwerk ontoelaatbaar nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en toepassing van artikel 2.31 daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt;

e. deze van rechtswege is verleend, indien deze betrekking heeft op een activiteit die ontoelaatbaar ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft of dreigt te hebben en toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder c, daarvoor redelijkerwijs geen oplossing biedt;

f. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, indien de inrichting een stortplaats als bedoeld in artikel 8.47 van de Wet milieubeheer of een afvalvoorziening als bedoeld in artikel 1. 1 van die wet is: indien de stortplaats of afvalvoorziening krachtens paragraaf 8.2 van die wet voor gesloten is verklaard;

g. deze betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.19, in gevallen die in het betrokken wettelijk voorschrift zijn aangegeven.

[…];.

Artikel 5.1 9

1. Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:

a. de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

b. niet overeenkomstig de vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld;

c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd;

d. de voor de houder van de vergunning of ontheffing als zodanig geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd.

2. Een vergunning of ontheffing, die betrekking heeft op het beheer van gevaarlijke afvalstoffen, of van andere afvalstoffen die van elders afkomstig zijn, kan, voor zover zij het beheer van afvalstoffen betreft, tevens worden ingetrokken, indien op grond van hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer voor de houder geldende voorschriften niet worden nageleefd.

3. Een bestuursorgaan gaat niet tot intrekking als bedoeld in het eerste of tweede lid over dan nadat het de betrokkene de gelegenheid heeft geboden binnen een daartoe te bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning of ontheffing, onderscheidenlijk de voorschriften of algemene regels, bedoeld in het eerste of tweede lid, na te leven.

4. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning tevens geheel of gedeeltelijk intrekken:

a. in gevallen als bedoeld in artikel 2.25, derde lid, indien het project niet overeenkomstig het krachtens dat artikellid bepaalde wordt uitgevoerd door een ander dan degene aan wie de vergunning is verleend;

b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur ; artikel 2.20, tweede lid, is in dat geval van overeenkomstige toepassing.

Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur

Artikel 3

1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.

8. In dit artikel wordt mede verstaan onder strafbaar feit een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature