< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 7 juli 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak



202004355/1/V1.

Datum uitspraak: 7 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] (hierna: de moeder), mede voor haar minderjarige kind, (hierna samen: de vreemdeling),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 30 juli 2020 in zaak nr. NL20.13710 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 30 juli 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Flantua, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    De moeder heeft in Nederland op 19 februari 2020 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Uit onderzoek in Eurodac is de staatssecretaris gebleken dat zij op 19 december 2018 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De Italiaanse autoriteiten hebben de staatssecretaris laten weten aan haar die bescherming te hebben verleend en dat de desbetreffende verblijfsvergunning geldig is tot 26 augustus 2024. Op [geboortedatum] 2020 is haar kind in Nederland geboren. Haar verloofde, tevens vader van het kind, heeft een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in Nederland. De moeder heeft de staatssecretaris verzocht om haar asielaanvraag tevens geldig te verklaren voor haar kind. De staatssecretaris heeft haar asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij al internationale bescherming geniet in Italië. Ook heeft de staatssecretaris er in zijn besluit op gewezen dat de Italiaanse autoriteiten haar kind internationale bescherming zullen verlenen. Deze uitspraak gaat over het oordeel van de rechtbank dat er voldoende waarborgen zijn dat haar kind in Italië in het bezit zal worden gesteld van een verblijfstitel.

2.    De vreemdeling klaagt in grief 1 dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de moeder niet zonder toestemming van de vader van het kind een asielaanvraag voor het kind heeft mogen indienen. Zij wijst, onder verwijzing naar de erkenning van het kind door de vader op 8 mei 2020 en het uittreksel gezagsregister van 28 juli 2020, op de omstandigheid dat de vader het kind heeft erkend en dat de moeder en de vader gezamenlijk gezag uitoefenen. Ook wijst de vreemdeling erop dat de moeder heeft gedwaald, omdat de staatssecretaris haar niet volledig heeft voorgelicht over de consequenties van het indienen van een aanvraag voor het kind. De asielaanvraag voor het kind is nietig, aldus de vreemdeling.

2.1.    De moeder heeft op 28 mei 2020 een zogenoemd M35-J-formulier ingediend en daarmee verzocht om haar asielaanvraag tevens geldig te verklaren voor haar kind. Zij heeft dwaling bij het invullen daarvan niet aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat de vader het kind heeft erkend, betekent nog niet dat hij ook het gezag heeft over het kind. Immers, ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, oefenen het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk uit, indien dit op hun beider verzoek in het register bij de rechtbank is aangetekend conform artikel 1:252, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek . De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet was gebleken dat de vader was belast met het gezag over het kind en dat alleen al daarom het ontbreken van toestemming van de vader niet relevant is.

2.2.    De vader heeft inmiddels het gezamenlijk gezag over het kind verkregen, zoals blijkt uit een in hoger beroep overgelegd uittreksel uit het gezagsregister. Vast staat evenwel dat hij niet over dit gezag beschikte ten tijde van het indienen van het M35-J-formulier door de moeder noch ten tijde van het nemen van het besluit van 7 juli 2020. Tegen die achtergrond had het op de weg van de vreemdeling gelegen om nader toe te lichten wat de relevantie is van dit later door de vader verkregen gezag over het kind voor de geldigheid van de asielaanvraag van de moeder en het kind en de daarop gevolgde besluitvorming, ook gelet op wat hierna nog wordt overwogen onder 3.1. Deze toelichting ontbreekt.

2.3.    De grief faalt.

3.    De vreemdeling klaagt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de asielaanvraag van het kind geen zelfstandige aanvraag is. Zij voert aan dat de staatssecretaris de aanvraag van het kind ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard krachtens artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 . Het kind geniet immers geen internationale bescherming in Italië, omdat het nooit in Italië is geweest, aldus de vreemdeling. Ook voert zij aan dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag alleen ziet op de asielaanvraag van de moeder. Verder voert de vreemdeling aan dat artikelen 23 en 24 van de Kwalificatierichtlijn (PB 2011 L 337) niets afdoen aan de omstandigheid dat artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 niet op het kind van toepassing is.

3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de asielaanvraag van de moeder ook geldt voor haar kind. Nadat de moeder een asielaanvraag had ingediend, is zij bevallen van het kind. Het ligt voor de hand dat de asielaanvraag van de moeder ook betrekking heeft op het kind. Zij heeft de staatssecretaris met het indienen van het M35-J-formulier ook verzocht haar aanvraag tevens geldig te verklaren voor haar kind. Weliswaar wijst de vreemdeling er terecht op dat de rechtbank in haar uitspraak heeft verwezen naar de inmiddels vervallen paragraaf C9/2.1.5 van de Vc 2000, maar dat laat het voorgaande onverlet.

    Hoewel de moeder voor haar kind ook een asielaanvraag heeft ingediend en haar kind daardoor ook aanvrager is geworden, kent die aanvraag in dit geval geen eigen procedure. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de niet-ontvankelijkheid krachtens artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 daarom ook betrekking op de aanvraag voor zover deze het kind betreft.

3.2.    De staatssecretaris kan een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren krachtens artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 , als een vreemdeling in een andere lidstaat van de EU internationale bescherming geniet. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2014/15, 34 088, nr. 3, blz. 11) volgt dat dit het geval is, als internationale bescherming van een vreemdeling is gewaarborgd in een lidstaat van de EU. Die vreemdeling heeft dan, bij aanwezigheid van bescherming van een andere lidstaat, geen behoefte meer aan bescherming van de Nederlandse overheid. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat de Italiaanse autoriteiten bij terugkeer van de moeder naar Italië haar kind internationale bescherming zullen verlenen. Hij heeft ter zitting bij de rechtbank betoogd dat hij volgens artikelen 23 en 24 van de Kwalificatierichtlijn er terecht van is uitgegaan dat het kind in Italië beschermd zal worden en een verblijfstitel zal krijgen.

3.3.    Artikel 23, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn bepaalt dat lidstaten waarborgen dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid. Artikel 24, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn bepaalt vervolgens dat de lidstaten personen met de subsidiaire beschermingsstatus en hun gezinsleden zo spoedig mogelijk nadat een lidstaat internationale bescherming heeft verleend een verlengbare verblijfstitel verstrekken.

3.4.    Gelet op het voorgaande en de omstandigheid dat de moeder al internationale bescherming geniet in Italië en in het bezit is van een verblijfstitel, heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikelen 23 en 24 van de Kwalificatierichtlijn waarborgen dat haar kind in Itali ë aanspraak heeft op bescherming. Mede in het licht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel zijn de staatssecretaris en de rechtbank er terecht van uitgegaan dat het kind net als zijn moeder in Italië internationale bescherming geniet en een verblijfstitel zal krijgen. De rechtbank heeft daarom met juistheid geoordeeld dat de staatssecretaris de aanvraag ook voor zover deze het kind betreft terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.5.    De grief faalt.

4.    De vreemdeling klaagt in grief 3 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de enkele omstandigheid dat de moeder in Italië internationale bescherming geniet, maakt dat zij met dat land een band heeft. Ook heeft de rechtbank ten onrechte niet alle omstandigheden bij haar oordeel betrokken, aldus de vreemdeling.

4.1.    De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621, onder 4.1, en 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, onder 9.1, terecht overwogen dat het voor de moeder redelijk is om naar Italië te gaan. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat de omstandigheden die de vreemdeling aandraagt, niet afdoen aan dat oordeel. Uit voormelde uitspraken volgt immers dat de omstandigheid dat een vreemdeling een partner in Nederland heeft, met wie hij een kind verwacht of heeft, er niet aan af doet dat die vreemdeling, alleen al omdat de Italiaanse autoriteiten hem internationale bescherming hebben verleend, een zodanige band met Italië heeft dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. De vreemdeling voert, gelet op de bespreking van grief 2, tevergeefs aan dat de rechtbank niet is ingegaan op de beroepsgrond dat artikel 3.106a, derde lid, van het Vb 2000 niet op het kind van toepassing is.

4.2.    De grief faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Hanrath

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2020

282-954.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature