< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 12 april 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht het verzoek om handhavend op te treden met betrekking tot het achtergelaten afval in de Tichelaarslaan, veroorzaakt door renovatie- en isolatiewerkzaamheden in opdracht van woningcorporatie Mitros, afgewezen. Op 8 maart 2019 heeft [appellant] het college verzocht handhavend op te treden tegen het door hem geconstateerde afval aan de Tichelaarslaan. Voorafgaand aan dit verzoek is door [appellant] op 12 september 2018 en vervolgens op 26 september 2018 via de gemeentelijke website melding gedaan van het afval. Dit afval, voornamelijk bestaande uit piepschuimresten afkomstig van isolatieplaten, is daar terechtgekomen als gevolg van werkzaamheden die worden uitgevoerd in opdracht van woningcorporatie Mitros. Naar aanleiding van het verzoek heeft een gemeentelijke toezichthouder op 11 april 2019 een inspectie uitgevoerd.

Uitspraak



202001360/1/R4.

Datum uitspraak: 11 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Utrecht,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2019 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden met betrekking tot het achtergelaten afval in de Tichelaarslaan, veroorzaakt door renovatie- en isolatiewerkzaamheden in opdracht van woningcorporatie Mitros, afgewezen.

Bij besluit van 14 januari 2020 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, maar, met een aanvullende motivering, het besluit van 12 april 2019 in stand gelaten.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.F. Bil, advocaat te Oosterhout, en het college, vertegenwoordigd door M. Akkersdijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 8 maart 2019 heeft [appellant] het college verzocht handhavend op te treden tegen het door hem geconstateerde afval aan de Tichelaarslaan. Voorafgaand aan dit verzoek is door [appellant] op 12 september 2018 en vervolgens op 26 september 2018 via de gemeentelijke website melding gedaan van het afval. Dit afval, voornamelijk bestaande uit piepschuimresten afkomstig van isolatieplaten, is daar terechtgekomen als gevolg van werkzaamheden die worden uitgevoerd in opdracht van woningcorporatie Mitros. Naar aanleiding van het verzoek heeft een gemeentelijke toezichthouder op 11 april 2019 een inspectie uitgevoerd. Op grond van de bevindingen van de toezichthouder heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen, omdat bij de inspectie geen overtreding is vastgesteld. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 14 januari 2020 gegrond verklaard, omdat het college zich, in overeenstemming met [appellant], op het standpunt stelt dat in eerste instantie onvoldoende zorgvuldig onderzoek is verricht en het besluit van 12 april 2019 onvoldoende is gemotiveerd. In het besluit van 14 januari 2020 heeft het college geconcludeerd dat sprake is van een overtreding en stelt het college zich verder op het standpunt dat, na een opruimactie van de uitvoerder en een daaropvolgende inspectie door een gemeentelijke toezichthouder op 16 december 2019, de piepschuimresten die er nog liggen kleiner zijn dan 1 centimeter en dat daarom handhavend optreden onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Zorgvuldigheid

2.    In beroep betoogt [appellant] dat het besluit van 14 januari 2020 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dit omdat het college het onderzoek naar de situatie aan de Tichelaarslaan niet voortvarend heeft opgepakt, onder meer gelet op het ruime tijdsverloop tussen de meldingen en de genomen besluiten. Daarnaast voert hij aan dat bij de gemeentelijke inspecties meerdere malen het afval over het hoofd is gezien. Uit de inspectie op 16 december 2019 zijn door het college onjuiste conclusies getrokken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [appellant] verwezen naar de door hem op 5 januari 2020 aan het college overgelegde foto’s van de situatie aan de Tichelaarslaan op 29 december 2019 en verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2420.

2.1.    Uit het dossier blijkt dat door het college, mede naar aanleiding van door [appellant] aan het college overgelegde foto’s, diverse malen inspecties zijn verricht in de Tichelaarslaan. Het college heeft op basis van deze inspectierapporten geconcludeerd dat sprake is van een overtreding. In beroep heeft het college toegelicht dat de door [appellant] overgelegde foto’s zijn bekeken, maar dat deze geen aanleiding zijn geweest opnieuw een inspectie te verrichten, omdat het college ervan uitgaat dat het mogelijk is dat kleine piepschuimresten zijn blijven liggen dan wel dat deze na verloop van tijd zichtbaar worden. De Afdeling acht dit niet onjuist. Gelet op het voorgaande is geen aanleiding voor het oordeel dat door het college onzorgvuldig onderzoek is verricht en dat het college zich daarom niet mocht baseren op het inspectierapport van 16 december 2019. De verwijzing door [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2420, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. In deze uitspraak werd geoordeeld dat aan het in bezwaar gehandhaafde besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek geen gedegen onderzoek naar de gestelde overlast ten grondslag lag. Dit omdat niet bevestigd kon worden dat de door belanghebbende in het kader van zijn verzoek om handhaving overgelegde videobeelden waren bekeken en omdat in het geheel geen onderzoek was verricht naar de klachten van omwonenden. Uit wat hiervoor is besproken blijkt dat door het college, door middel van meerdere inspecties, wel degelijk onderzoek is verricht naar de situatie aan de Tichelaarslaan. In dit opzicht verschilt deze zaak van de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 2 juli 2014.

Het betoog slaagt niet.

Bijzondere omstandigheden

3.    [appellant] betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom handhavend optreden tegen de aanwezigheid van de piepschuimresten (kleiner dan 1 centimeter) buitenproportioneel zou zijn. Daartoe voert [appellant] aan dat de CROW-richtlijnen waarnaar door het college is verwezen gelden binnen een ander kader en dat daarnaast door het college onvoldoende is gemotiveerd dat het onmogelijk of onuitvoerbaar is om het afval op te ruimen.

3.1.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3.2.    Niet in geschil is dat sprake is van een overtreding van artikel 16, eerste lid, en artikel 21, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010 door het achterlaten van piepschuimresten aan de Tichelaarslaan, zodat het college bevoegd en dus in beginsel ook verplicht was om handhavend op te treden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden op basis waarvan handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoort te worden afgezien.

3.3.    Het college heeft zich op het standpunt heeft gesteld dat het onuitvoerbaar is om alle kleine piepschuimresten op te ruimen en dat handhavend optreden daarom onevenredig is. Het college heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar de CROW-richtlijnen die het college hanteert bij regulier onderhoud. Uit deze richtlijnen blijkt dat geen aandacht wordt besteed aan zwerfafval kleiner dan 1 centimeter. De Afdeling stelt echter vast dat deze richtlijnen, zoals ook door [appellant] ter zitting opgemerkt, door het college worden gehanteerd in het kader van regulier onderhoud. Het college heeft ter zitting bevestigd dat de CROW-richtlijnen niet zijn vastgesteld als uitgangspunten in het kader van handhaving van achtergelaten afval. De Afdeling is van oordeel dat het college met de verwijzing naar de CROW-richtlijnen in zoverre onvoldoende heeft gemotiveerd dat het onuitvoerbaar is om de piepschuimresten op te ruimen. Hierbij merkt de Afdeling op dat uit de inspectierapporten en ook uit de door [appellant] overgelegde foto’s is af te leiden dat mogelijk ook piepschuimresten groter dan 1 centimeter verspreid lagen aan de Tichelaarslaan. De Afdeling ziet in wat het college voor het overige heeft gesteld onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat handhaving achterwege had dienen te blijven. Hierbij betrekt de Afdeling dat niet is gebleken van een geringe, incidentele overtreding zonder kans op herhaling, omdat onvoldoende is gebleken van preventieve maatregelen ter voorkoming van het achterlaten van piepschuimresten.

Over de stelling van het college dat handhaving ook onevenredig is vanwege de te hoge kosten, overweegt de Afdeling als volgt. Het college betoogt weliswaar dat het weghalen van de piepschuimresten te duur zou zijn, maar heeft daarbij slechts verwezen naar een offerte voor het opzuigen en afvoeren van de grond waar de piepschuimresten zich in bevinden. Het college heeft niet toegelicht dat geen minder verstrekkende of andersoortige maatregelen genomen hadden kunnen worden om de piepschuimresten op te ruimen. De slotsom is dat het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op basis waarvan handhavend optreden in dit geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan behoort te worden afgezien.

Het betoog slaagt.

Conclusie

4.    Het beroep is gegrond. Het besluit van het college van 14 januari 2020 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaarschrift dat [appellant] heeft ingediend tegen het besluit van 12 april 2019. Bij het nemen van dit nieuwe besluit moet het college de overwegingen uit deze uitspraak in acht nemen.

5.    Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 14 januari 2020;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.088,08 (zegge: duizendachtentachtig euro en acht cent), waarvan € 1.050,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2020

418-971.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature