< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 10 september 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen (hierna: een mvv), afgewezen.

Uitspraak



201909183/1/V3.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 november 2019 in zaak nr. 19/3880 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen (hierna: een mvv), afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Jansen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdeling komt uit India en wil met zijn gezin in Nederland verblijven. Hij heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een Nederlandse werkgever. Daarom heeft hij een mvv-aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst. De vreemdeling heeft veertien jaar legaal met zijn gezin in Nederland verbleven, maar is pas ruim tien maanden nadat dat legale verblijf eindigde uit Nederland vertrokken. De staatssecretaris heeft de mvv-aanvraag afgewezen wegens dit eerdere illegale verblijf (artikel 16, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000). In paragraaf B1/4.9 van de Vc 2000 staat dat eerder illegaal verblijf niet wordt tegengeworpen bij aanvragen voor een aantal specifieke verblijfsdoelen. De aanvraag voor een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst wordt daar niet genoemd. Volgens de vreemdeling bestaan er echter bijzondere omstandigheden waardoor de staatssecretaris in zijn geval had moeten afzien van het tegenwerpen van het eerdere illegale verblijf (artikel 4:84 van de Awb). Daarover gaat deze uitspraak. De staatssecretaris had ook nog twee andere afwijzingsgronden tegengeworpen, maar daarover heeft de rechtbank onbestreden overwogen dat die het besluit van 19 april 2019 niet kunnen dragen.

De uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris in het besluit van 19 april 2019 ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien af te wijken van zijn beleid in paragraaf B1/4.9 van de Vc 2000. De rechtbank heeft dit gebrek echter gepasseerd omdat de staatssecretaris volgens haar in zijn verweerschrift alsnog inhoudelijk is ingegaan op de door de vreemdeling gestelde bijzondere omstandigheden en in die omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van zijn beleid (artikel 4:84 van de Awb).

Het hoger beroep

3.    In het eerste deel van zijn grief klaagt de vreemdeling tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het beleid in paragraaf B1/4.9 van de Vc 2000 kennelijk onredelijk is. Volgens de vreemdeling is onbegrijpelijk waarom eerder illegaal verblijf niet wordt tegengeworpen bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor arbeid als kennismigrant of zelfstandige, maar wel bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst. Dit in paragraaf B1/4.9 gemaakte onderscheid is echter rechtstreeks ontleend aan de limitatieve opsomming van verblijfsdoelen in artikel 6.6 van het VV 2000. Tegen die achtergrond is de keuze om in het beleid aan te sluiten bij de regeling in het VV 2000 begrijpelijk en daarom als zodanig niet kennelijk onredelijk.

    Dit deel van de grief faalt.

3.1.    In het tweede deel van zijn grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien het motiveringsgebrek in het besluit van 19 april 2019 te passeren. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3405, moet de staatssecretaris alle omstandigheden van het geval bij zijn beoordeling betrekken en bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris ook in zijn verweerschrift ondeugdelijk gemotiveerd is ingegaan op de door de vreemdeling gestelde bijzondere omstandigheden. Zo is de staatssecretaris in zijn beoordeling in het verweerschrift slechts ingegaan op de duur van het rechtmatig verblijf, het feit dat de vreemdeling nooit in aanraking is geweest met justitie, nooit een beroep heeft gedaan op het sociale stelsel en de toegevoegde waarde van zijn werk voor de Nederlandse markt niet aannemelijk heeft gemaakt. De vreemdeling heeft daarnaast echter ook gewezen op de omstandigheden dat hij is afgestudeerd aan Wageningen University & Research en vervolgens onder andere als kennismigrant voor verschillende werkgevers heeft gewerkt. Verder heeft de vreemdeling gewezen op de omstandigheden dat hij zijn hoofdverblijf al sinds zijn studie in Wageningen in Nederland heeft, allebei zijn kinderen in Nederland zijn geboren, zijn oudste kind in Nederland naar school ging, zijn echtgenote zwanger was op het moment dat hun rechtmatig verblijf eindigde, dat hij nog nooit in India heeft gewerkt en dat zijn gezin tot aan het vertrek uit Nederland nog nooit in India had samengewoond. Deze omstandigheden heeft de staatssecretaris niet bij zijn beoordeling betrokken. De beoordeling is daarom onvolledig.

    Dit deel van de grief slaagt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is alsnog gegrond en het besluit van 19 april 2019 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 28 november 2019 in zaak nr. 19/3880;

III.    verklaart het beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 19 april 2019, V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 259,00 (zegge: tweehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Laar

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

551-873.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature