< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluiten van 27 maart 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak



201907806/1/V2.

Datum uitspraak: 9 september 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling] en [de broer],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 26 september 2019 in zaken nrs. NL19.9490 en NL19.9492 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 27 maart 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 26 september 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    Wat de vreemdelingen in de eerste, derde, vierde, vijfde en zesde grief hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Inleiding

2.    Aan zijn asielaanvraag heeft de vreemdeling, voor zover nog van belang, ten grondslag gelegd dat hij betrokken is geweest bij de organisatie van een modeshow die op 4 maart 2018 heeft plaatsgevonden in Medina, Saoedi-Arabië. Die modeshow heeft geleid tot negatieve reacties in islamitische landen. Volgens de vreemdeling, die zelf afkomstig is uit Jordanië, beschuldigen de Saoedi-Arabische autoriteiten hem als (mede)organisator ervan dat hij betrokken is bij de modeshow en dat die is gehouden om de naam van Saoedi-Arabië zwart te maken en dat hij aldus heeft geholpen het streven naar internationalisering van de Hijaz aan te wakkeren. Dit is het streven om de heilige plaatsen in Saoedi-Arabië onder internationaal bewind van alle islamitische landen te plaatsen. De vreemdeling vreest dat hij in Saoedi-Arabië strafrechtelijk zal worden veroordeeld en dat hij door de autoriteiten van Jordanië, die ook tegen de internationalisering van de Hijaz zijn, zal worden uitgeleverd aan Saoedi-Arabië dan wel in Jordanië die straf moet uitzitten. De broer stelt als gevolg hiervan ook problemen te zullen ondervinden.                 

2.1.    De staatssecretaris heeft geloofwaardig geacht dat de vreemdeling betrokken is geweest bij de organisatie van de modeshow, dat deze modeshow zowel binnen als buiten Saoedi-Arabië heeft geleid tot negatieve reacties en dat [prins], de gouverneur van Medina, een onderzoek naar die modeshow heeft gelast. In de door de staatssecretaris geraadpleegde mediaberichten over de modeshow wordt de naam van de vreemdeling echter niet vermeld. Ook heeft hij geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in Jordanië of Saoedi-Arabië bekend staat als iemand die de reputatie van Saoedi-Arabië heeft willen beschadigen. Evenmin heeft hij stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij mogelijk zal worden vervolgd wegens de organisatie van de modeshow. De staatssecretaris acht daarom niet aannemelijk gemaakt dat de vreemdeling als gevolg van het organiseren van de modeshow een reëel risico loopt in Saoedi-Arabië strafrechtelijk te worden vervolgd. De staatssecretaris acht daarom ook niet aannemelijk dat de vreemdeling om die reden zal worden overgedragen door Jordanië. Daarom heeft hij de asielaanvraag afgewezen. De rechtbank is hem daarin gevolgd.

Grief

3.    In de tweede grief klagen de vreemdelingen dat de rechtbank, door enkel te toetsen of uit de besluitvorming blijkt van voldoende deskundigheid van de beslisser, ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over een wezenlijk deel van de beroepsgronden die zij hebben aangevoerd tegen het hiervoor weergegeven standpunt van de staatssecretaris.

Beoordeling grief

3.1.    In hun beroepsgronden en ter zitting bij de rechtbank hebben de vreemdelingen nader toegelicht dat Medina een heilige plaats is. De modeshow in die plaats is in de media door sommigen beschreven als een belediging van de profeet Mohammed en gebruikt als argument om te pleiten voor het onder internationaal bestuur plaatsen van de regio Hijaz, waarin de heilige plaatsen Medina en Mekka zich bevinden. De Saoedi-Arabische autoriteiten zijn tegenstanders hiervan en treden zeer hard op tegen iedereen die zich op enige wijze daarvoor inzet. De Saoedi-Arabische autoriteiten verdenken de vreemdeling ervan dat hij de Saoedi-Arabische autoriteiten met de modeshow moedwillig negatieve publiciteit heeft bezorgd. Volgens de vreemdelingen heeft de staatssecretaris de gevolgen van de modeshow voor de discussie over het internationaliseren van de Hijaz niet betrokken en dus niet meegewogen bij het innemen van zijn standpunt over de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte betrokkenheid van de vreemdeling bij de modeshow. Ook heeft de staatssecretaris hun verklaringen onvoldoende afgezet tegen hetgeen hem hierover uit landeninformatie bekend is. Uit het besluit blijkt immers niet dat de staatssecretaris dit gevolg van de modeshow heeft betrokken. Daarin staat alleen dat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met 'internationaliseren van de Hijaz'. De vreemdelingen hebben er daarnaast op gewezen dat andere personen die betrokken waren bij de organisatie van de modeshow zijn verhoord, terwijl de staatssecretaris geloofwaardig heeft geacht dat de autoriteiten onderzoek hebben ingesteld. Volgens de vreemdelingen had de staatssecretaris onder deze omstandigheden aannemelijk gemaakt moeten achten dat de vreemdeling een reëel risico loopt om in Saoedi-Arabië strafrechtelijk te worden vervolgd en anders op zijn minst meer onderzoek moeten doen naar de zwaarwegendheid van zijn asielmotieven.     

3.2.    De rechtbank heeft in reactie hierop slechts overwogen dat zij in het dossier geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de stelling van de vreemdelingen dat geen sprake is geweest van een deskundige beslisser. Zij heeft het standpunt van de staatssecretaris over het risico dat de vreemdelingen bij terugkeer stellen te lopen wegens de geloofwaardig geachte betrokkenheid van de vreemdeling bij de modeshow en het geloofwaardig geachte onderzoek dat de autoriteiten hiernaar hebben ingesteld, echter niet getoetst aan de hand van de overige hiervoor weergegeven standpunten van de vreemdelingen.       

3.3.    De grief slaagt.

Conclusie hoger beroep

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt de beroepen. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Beroep

5.    De staatssecretaris heeft geloofwaardig geacht dat de vreemdeling betrokken is geweest bij de organisatie van de modeshow, dat deze modeshow zowel binnen als buiten Saoedi-Arabië heeft geleid tot negatieve reacties en dat [prins] een onderzoek naar die modeshow heeft gelast. Hij heeft zich echter op het standpunt gesteld dat hij de vreemdeling niet volgt in zijn stelling dat hij wordt beschouwd als iemand die de reputatie van Saoedi-Arabië heeft willen beschadigen en heeft te vrezen voor strafrechtelijke vervolging in Saoedi-Arabië. De vreemdelingen betogen, zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven, terecht dat de staatssecretaris bij dit standpunt de gevolgen van de modeshow voor de discussie over het internationaliseren van de Hijaz onvoldoende heeft betrokken. Uit de besluitvorming blijkt immers niet dat de staatssecretaris op de hoogte is van de discussie over het internationaliseren van de Hijaz, laat staan dat hij dit daadwerkelijk heeft onderzocht en betrokken. Dit terwijl de vreemdeling hierover al in zijn gehoor heeft verklaard en in de correcties en aanvullingen op de mogelijkheid heeft gewezen dat het strafrechtelijke onderzoek naar de modeshow, waarvoor aanvankelijk toestemming was verleend, juist is gestart wegens de weer aangewakkerde discussie over de internationalisering van de Hijaz en als doel heeft om te laten zien dat Saoedi-Arabië wel degelijk de belangen van de Hijaz kan behartigen en dat gebied kan beschermen. De staatssecretaris moet dit dan ook alsnog onderzoeken en zonodig betrekken bij zijn beoordeling.

5.1.    De vreemdelingen voeren eveneens terecht aan dat de staatssecretaris in dit kader te weinig landeninformatie heeft geraadpleegd, door alleen enkele bronnen uit de media te benoemen die, zoals zij ook terecht opmerken, hun asielrelaas juist ondersteunen. Door zich verder niet te verdiepen in het mogelijke vervolg op de geloofwaardig geachte kritiek die in de islamitische wereld is ontstaan naar aanleiding van de modeshow en het geloofwaardig geachte ingestelde strafrechtelijk onderzoek en door van de vreemdeling bewijs te eisen dat hij zelf wordt genoemd in de bronnen over dit onderzoek, gaat de staatssecretaris eraan voorbij gaat dat hij geloofwaardig heeft geacht dat de vreemdeling de (mede)organisator was en dat de vreemdeling ook heeft verklaard dat de andere organisatoren allen zijn verhoord. Onder die omstandigheden ligt het voor de hand dat ook de vreemdeling bij het onderzoek betrokken wordt. Bovendien heeft de vreemdeling verklaard over het contact dat hij had over het onderzoek met het kantoor van [prins] en over het contact dat hij had met de Saoedische ambassade in Jordanië, waar men hem wilde spreken. Voorts hebben zowel de vreemdeling als zijn broer verklaard over de Jordaanse inlichtingendienst die wegens deze kwestie, en dus volgens hen op verzoek van Saoedi-Arabië, herhaaldelijk bij hun moeder langskomt en zowel bij hun huis als in de buurt informeert over hun verblijfplaats en hen dus zoekt. Zij hebben ter staving van deze verklaringen ook stukken overgelegd, die bij het gehoor zijn besproken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris deze verklaringen, in samenhang bezien met de overgelegde stukken, ten onrechte niet op geloofwaardigheid beoordeeld. De vreemdelingen voeren daarom terecht aan dat de staatssecretaris ook om deze reden meer onderzoek had moeten doen naar hun asielrelaas.

Conclusie beroep

6.    De staatssecretaris moet dus, eventueel na een aanvullend gehoor, maar in ieder geval op basis van de reeds door de vreemdelingen afgelegde verklaringen, de door hen overgelegde documenten en op basis van algemene (landen)informatie, nader onderzoeken of het strafrechtelijk onderzoek naar de modeshow verband houdt met de discussie over de internationalisering van de Hijaz. Ook moet hij opnieuw motiveren waarom dit strafrechtelijk onderzoek, ondanks de geloofwaardig geachte betrokkenheid van de vreemdeling bij de modeshow en de nauwe banden tussen Jordanië en Saoedi-Arabië, voor de vreemdelingen geen vrees voor vervolging zou opleveren. Daarbij wijst de Afdeling erop dat de vreemdeling al eerder in de procedure heeft aangevoerd dat hij veel informatie kan inbrengen over de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan na het nader gehoor en dat er daadwerkelijk een strafrechtelijke procedure in Saoedi-Arabië is opgestart, waarbij van belang is dat een vonnis ook ten uitvoer kan worden gelegd in Jordanië. Ook heeft hij in hoger beroep aangevoerd dat alle organisatoren van de modeshow een straf hebben gekregen in de vorm van zweepslagen of gevangenisstraf. De staatssecretaris moet deze gestelde omstandigheden betrekken bij zijn beoordeling. Zoals de rechtbank al terecht overwoog, is het aan de vreemdelingen om deze omstandigheden nader toe te lichten en te onderbouwen.

7.    De beroepen zijn gegrond. De besluiten van 27 maart 2019 worden vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 26 september 2019 in zaken nrs. NL19.9490 en NL19.9492;

III.    verklaart de beroepen gegrond

IV.    vernietigt de besluiten van 27 maart 2019, […] en […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van de beroepen en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Wezep

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2020

753/802.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature