< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

De staatssecretaris heeft de vreemdeling op 31 oktober 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Uitspraak



201804477/1/V1.

Datum uitspraak: 20 januari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2018 in zaak nr. 17/11265 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

De staatssecretaris heeft de vreemdeling op 31 oktober 2016 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Bij besluit van 3 mei 2017 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de vreemdeling gericht tegen de hoogte van het legesbedrag, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft desgevraagd een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De vreemdeling heeft hierop bij wijze van nader stuk gereageerd.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdeling, met de Pakistaanse nationaliteit, heeft op 13 oktober 2016 een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst'. De vreemdeling heeft voor deze aanvraag € 622,00 aan leges betaald.

Uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris in het besluit een uitleg heeft gegeven over de kostprijsberekening van het legesbedrag die grotendeels overeenkomt met de uitleg die de staatssecretaris heeft gegeven in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:85. De Afdeling heeft in die uitspraak die uitleg deugdelijk geacht. De uitleg van de staatssecretaris in het besluit over de kostendekkendheid van het legesbedrag is daarom ook deugdelijk. De rechtbank heeft verder overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het door de vreemdeling betaalde legesbedrag evenredig is in de zin van artikel 10 van Richtlijn 2011 /98/EU (PB 2011 L 343). De staatssecretaris heeft niet ten onrechte van belang geacht dat een vreemdeling een zoekjaarvergunning aanvraagt voor een economisch doel, namelijk het vinden van werk, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3.    De grieven 1 en 2 zijn gericht tegen deze overwegingen. De vreemdeling voert aan dat uit de uitspraak van 12 januari 2018 alleen volgt dat de staatssecretaris op dat moment niet in staat was voldoende representatieve en toekomstbestendige kostprijzen te berekenen op basis waarvan hij de legesbedragen zou kunnen aanpassen. Inmiddels heeft de staatssecretaris de Tweede Kamer bij brief van 29 maart 2018 meegedeeld dat hij nieuwe kostprijzen heeft berekend en heeft hij het legesbedrag voor, onder meer, een zoekjaarvergunning verlaagd. Volgens de vreemdeling volgt uit deze verlaging dat de kostprijs ten tijde van de aanvraag ook ver onder het legesbedrag dat zij heeft betaald, heeft moeten liggen. Gelet hierop en omdat de rechtbank ten onrechte heeft meegewogen dat de staatssecretaris een zoekjaarvergunning voor een economisch doel afgeeft, is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel over de evenredigheid van het door haar betaalde legesbedrag gekomen, aldus de vreemdeling.

3.1.    Artikel 10 van de richtlijn luidt: 'De lidstaten kunnen in voorkomend geval van de aanvragers vergoedingen verlangen voor de behandeling van hun aanvraag overeenkomstig deze richtlijn. De hoogte van dergelijke vergoedingen is evenredig en kan gebaseerd worden op de feitelijke diensten die voor de verwerking van de aanvraag en de verstrekking van de vergunning werden geleverd.'

3.2.    Artikel 10 van de richtlijn is ge ïmplementeerd in artikel 3.34 van het VV 2000. Artikel 3.34 van het VV 2000 luidde ten tijde van de aanvraag: 'Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen […] van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, is de vreemdeling die niet in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf geldig voor het doel waar verblijf voor wordt gevraagd, voor een verblijfsdoel als bedoeld in kolom I, het daarachter vermelde bedrag in kolom II […] verschuldigd. Kolom I, onder m: 'het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.', in kolom II: € 622 […].'

3.3.    Omdat uit de richtlijn geen specifiek legesbedrag volgt, heeft de staatssecretaris een beoordelingsmarge om dit bedrag zelf vast te stellen. Uit artikel 10 van de richtlijn volgt dat een legesbedrag op basis van de richtlijn evenredig moet zijn en dat dit kan worden gebaseerd op de kosten die de staatssecretaris heeft gemaakt bij de behandeling van de aanvraag. Voorstellen van het Europees Parlement om in artikel 10 op te nemen dat dat legesbedrag de werkelijke kosten niet te boven mag gaan (rapporten van 7 november 2008, A6-0431/2008, en van 5 oktober 2010, A7-0265/2010), zijn niet overgenomen in de richtlijn. Hieruit leidt de Afdeling af dat de staatssecretaris volgens die bepaling niet verplicht is legesbedragen te maximeren op de kostprijs. Wanneer het legesbedrag echter de kostprijs van de feitelijke diensten te boven gaat, dan zal het legesbedrag minder snel evenredig zijn in de zin van artikel 10 van de richtlijn. Het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel houdt, toegepast op deze zaak, in dat het legesbedrag dat de staatssecretaris hanteert, het doel van de Nederlandse regelgeving ter omzetting van de richtlijn moet kunnen verwezenlijken en niet verder gaat dan daarvoor noodzakelijk is (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 26 april 2012, Commissie t. Nederland, ECLI:EU:C:2012:243, punt 75). Een legesbedrag dat aanmerkelijk hoger is dan de kostprijs, zal niet snel noodzakelijk zijn in die zin.

3.4.    In de uitspraak van 12 januari 2018 heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris met de in die uitspraak onder 5.1 weergegeven toelichting alsnog inzicht heeft gegeven in de opbouw van legeskostprijzen, de vaststelling van legestarieven en de wijze waarop hij het in de desbetreffende procedure aan de orde zijnde legesbedrag heeft gerelateerd aan de behandeling van de aanvraag. Ook heeft de Afdeling niet onredelijk geacht de uitleg, waarom het nog niet mogelijk is gebleken om afdoende representatieve en toekomstbestendige kostprijzen te berekenen op basis waarvan de legesbedragen zodanig kunnen worden aangepast. De Afdeling heeft toen overwogen dat de staatssecretaris dat besluit op deze wijze alsnog van een deugdelijke motivering heeft voorzien.

3.5.    De staatssecretaris heeft in het besluit dezelfde toelichting gegeven. De vraag is nu of deze toelichting in deze zaak ook volstaat, in het licht van de brief van 29 maart 2018.

3.6.    Uit de brief van 29 maart 2018 volgt dat de staatssecretaris in de zomer van 2017 een tijdschrijfonderzoek heeft laten uitvoeren om de legeskostprijzen te berekenen. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek heeft hij de legesbedragen voor een aantal verblijfsvergunningen per 3 mei 2018 verlaagd. Het legesbedrag voor een zoekjaarvergunning heeft hij verlaagd naar € 285,00.

De vreemdeling heeft in 2016 € 622,00 betaald, wat ruim twee keer zoveel is als het nieuwe legesbedrag. Hoewel het tijdschrijfonderzoek betrekking heeft op 2017 en dus geen directe betekenis heeft voor legesbedragen die de staatssecretaris in 2016 heeft geheven, biedt het grote verschil tussen beide bedragen wel steun voor het betoog van de vreemdeling dat het legesbedrag in 2016 aanmerkelijk hoger was dan de kostprijs. De staatssecretaris heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat eerder uitgevoerde onderzoeken in 2015 en 2016 niet tot representatieve uitkomsten hebben geleid, maar hij heeft geen enkele verklaring gegeven voor het grote verschil tussen de legesbedragen. Gelet hierop, heeft de staatssecretaris ondeugdelijk gemotiveerd dat het legesbedrag dat de vreemdeling in 2016 heeft betaald de legeskostprijs niet ruim overstijgt. Uit 3.3 volgt dat dit een aanwijzing is dat het legesbedrag niet evenredig is.

3.7.    Voor zover de staatssecretaris meent dat het legesbedrag evenredig is, omdat een vreemdeling een zoekjaarvergunning aanvraagt met een economisch doel, is het volgende van belang. Zoals uit het arrest, punt 74, volgt, zijn de financiële gevolgen van de betaling van leges ook relevant voor het antwoord op de vraag naar de evenredigheid van een legesbedrag. De staatssecretaris heeft zich in het besluit in beginsel terecht op het standpunt gesteld dat de houder van een zoekjaarvergunning arbeid kan verrichten in Nederland en dus direct financieel voordeel kan behalen. Daar staat echter tegenover dat de houder van een zoekjaarvergunning niet noodzakelijkerwijs over arbeidsaanbod beschikt, zoals de vreemdeling terecht aanvoert. De aanvrager van een zoekjaarvergunning zal er dus niet in alle gevallen van kunnen uitgaan dat hij direct inkomen zal verwerven. Daar komt bij dat de aanvrager van een zoekjaarvergunning die op basis van zijn eerdere verblijfsvergunning onder de beperking 'studie’ in aanmerking komt voor een zoekjaarvergunning, met die studievergunning slechts beperkt werkzaamheden heeft kunnen verrichten in Nederland. De financiële middelen van een aanvrager van een zoekjaarvergunning kunnen dus beperkt zijn, terwijl het financiële voordeel dat hij als houder van de verblijfsvergunning zal krijgen, onzeker kan zijn. De omstandigheid dat een vreemdeling een zoekjaarvergunning aanvraagt voor een economisch doel, is dus op zichzelf onvoldoende om tot de conclusie te komen dat het legesbedrag evenredig is.

3.8.    In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft de staatssecretaris verder aangevoerd dat het door de vreemdeling betaalde legesbedrag niet onevenredig is ten opzichte van de legesbedragen die ten tijde van de aanvraag golden voor andere verblijfsvergunningen. Zo bedroeg het legesbedrag voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel 'uitwisseling' ook € 622,00 in 2016. Volgens de staatssecretaris gaat het daarbij om een vergelijkbare verblijfsvergunning, omdat een verblijfsvergunning voor uitwisseling, net als een zoekjaarvergunning, slechts geldig is voor de duur van één jaar en niet verlengd kan worden.

De vreemdeling wijst er in haar nader stuk echter terecht op dat de staatssecretaris het legesbedrag voor verblijfsvergunningen voor uitwisseling eveneens per 3 mei 2018 heeft verlaagd, tot € 283,00. Hoewel de evenredigheid van het legesbedrag voor een verblijfsvergunning voor uitwisseling in 2016 hier niet aan de orde is, is het geen gegeven dat dat bedrag wel evenredig was. Hoewel de onderlinge verhouding tussen legesbedragen deel kan uitmaken van de evenredigheidsbeoordeling, mag een legesbedrag bovendien ook op zichzelf genomen niet onevenredig zijn.

3.9.    Gelet op het grote verschil met het nieuwe legesbedrag per 3 mei 2018, waar de staatssecretaris geen verklaring voor heeft gegeven, en omdat de staatssecretaris niet aannemelijk heeft gemaakt dat het door de vreemdeling betaalde legesbedrag om een andere reden evenredig is, komt de Afdeling tot de conclusie dat dit legesbedrag niet evenredig is in de zin van artikel 10 van de richtlijn. De rechtbank is dus ten onrechte tot de conclusie gekomen dat artikel 3.34 van het VV 2000 in zoverre niet in strijd is met de richtlijn en met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

Grieven 1 en 2 slagen. Het is daarom niet meer nodig wat de vreemdeling aanvoert over haar persoonlijke omstandigheden en over het horen in bezwaar te bespreken.

Conclusie hoger beroep

3.10.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 april 2018 in zaak nr. 17/11265;

III.    verklaart het beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 3 mei 2017, V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.837,50 (zegge: achttienhonderdzevenendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Schuurman

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2020

282-887.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature