< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 7 mei 2019 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta [appellante] een gedoogplicht als bedoeld in artikel 5.24, eerste lid, van de Waterwet opgelegd. [appellante] is rechthebbende van meerdere percelen in het plangebied van het bij besluit van 10 juli 2018 door het algemeen bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta vastgestelde watergebiedsplan "landbouwgebied rondom Nieuwveense Landen". Het dagelijks bestuur heeft haar de verplichting opgelegd het verbreden en verdiepen van watergangen en de bouw van een gemaal en de aanleg of verwijdering van stuwen en de daarmee samenhangende werkzaamheden, zoals opgenomen in het watergebiedsplan, te gedogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruikgemaakt om [appellante] de gedoogplicht op te leggen.

Uitspraak



201909336/1/R1.

Datum uitspraak: 10 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 november 2019 in zaak nr. 19/2299 in het geding tussen:

[appellante]

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2019 heeft het dagelijks bestuur [appellante] een gedoogplicht als bedoeld in artikel 5.24, eerste lid, van de Waterwet opgelegd.

Bij uitspraak van 22 november 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2020, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door J. Klooster, H.E. ter Horst en R. Dijsselhof, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellante] is rechthebbende van meerdere percelen in het plangebied van het bij besluit van 10 juli 2018 door het algemeen bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta vastgestelde watergebiedsplan "landbouwgebied rondom Nieuwveense Landen". Het dagelijks bestuur heeft haar de verplichting opgelegd het verbreden en verdiepen van watergangen en de bouw van een gemaal en de aanleg of verwijdering van stuwen en de daarmee samenhangende werkzaamheden, zoals opgenomen in het watergebiedsplan, te gedogen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruikgemaakt om [appellante] de gedoogplicht op te leggen.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de opgelegde gedoogplicht prematuur is, omdat het watergebiedsplan niet onherroepelijk is en het dagelijks bestuur geen serieus bod heeft gedaan voor verwerving van de benodigde gronden.

2.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van een premature gedoogplicht geen sprake is, omdat de gedoogplicht is opgelegd nadat het watergebiedsplan is vastgesteld en in werking getreden. Daargelaten dat het watergebiedsplan met de uitspraak van de Afdeling van heden, ECLI:NL:RVS:2020:1295, in rechte onaantastbaar is geworden, vereist artikel 5.24, eerste lid, van de Waterwet niet dat procedures met betrekking tot het watergebiedsplan zijn afgerond voordat een gedoogplicht wordt opgelegd. Ook is niet vereist dat er tussen beheerder en rechthebbenden overeenstemming is bereikt over de verwerving van gronden. Immers, biedt artikel 5.24 van de Waterwet juist de mogelijkheid voor de beheerder om een gedoogplicht op te leggen in het geval dat met rechthebbenden geen overeenstemming wordt bereikt en door rechthebbenden geen toestemming wordt verleend voor het uitvoeren van de werkzaamheden. De enkele omstandigheid dat [appellante] vindt dat er geen serieus bod is gedaan, maakt dit niet anders.

    Het betoog faalt.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat zij onevenredig nadelige gevolgen ondervindt van de gedoogplicht. Daartoe voert zij aan dat de gedoogplicht betrekking heeft op ongeveer 6,3% van haar huiskavel. Daaronder verstaat zij het perceel met de bedrijfsgebouwen en de direct daaraan grenzende gronden. Bovendien is in het besluit van 7 mei 2019 niet opgenomen wat de duur van de werkzaamheden is, terwijl zij niet over vervangende grond beschikt. Zij wijst erop dat het haar niet te doen is om onteigening, maar dat het dagelijks bestuur haar middels grondruil had moeten compenseren. Verder wijst zij erop dat de provincie bij de verwerving van de benodigde gronden moet worden betrokken, omdat Natura 2000-gebied De Wieden deels in het watergebiedsplan ligt.

3.1.    Artikel 5.24, eerste lid, van de Waterwet luidt:

"De beheerder kan, voor zover dat voor de vervulling van zijn taken redelijkerwijs nodig is, rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken de verplichting opleggen om de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk en de daarmee verband houdende werkzaamheden te gedogen, wanneer naar zijn oordeel de belangen van die rechthebbenden onteigening niet vorderen."

3.2.    Artikel 5.24 van de Waterwet bepaalt dat de gedoogplicht slechts mag worden opgelegd wanneer de belangen van rechthebbenden onteigening niet vorderen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1719), is voor het antwoord op de vraag of de belangen van een rechthebbende onteigening vorderen, de voor de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk benodigde grondoppervlakte in verhouding tot het totale grondoppervlak van de rechthebbende van belang. Voorts is van belang of zich bijzondere omstandigheden voordoen, zoals de omstandigheid dat de bruikbaarheid van de rest van een perceel vermindert als gevolg van de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk op een gedeelte van dat perceel.

3.3.    In het besluit van 7 mei 2019 staat dat de totaal benodigde oppervlakte voor de aanleg en wijziging van waterstaatswerken 0.53.21 hectare bedraagt. Dit betreft het verbreden en verdiepen van watergangen, de bouw van een gemaal en de aanleg van stuwen. Daarnaast bedraagt de totaal benodigde oppervlakte van de tijdelijke werkstroken 3.31.86 hectare, welke na afronding van de werkzaamheden in oorspronkelijke landbouwkundige staat worden opgeleverd. Verder heeft het dagelijks bestuur toegelicht dat de werkstrook bij het gemaal maximaal ongeveer een jaar aaneengesloten wordt gebruikt en dat de werkstroken langs een oppervlaktewaterlichaam maximaal ongeveer drie maanden aaneengesloten worden gebruikt. Ook staat er in het besluit dat de werkzaamheden plaatsvinden in de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2023.

3.4.    De rechtbank is ervan uitgegaan dat de totale oppervlakte van [appellante] 110.00.00 hectare bedraagt. De door het dagelijks bestuur definitief benodigde oppervlakte bedraagt in dit geval 0,48% en de tijdelijk benodigde oppervlakte 3,02% van de totale oppervlakte van de gronden van [appellante]. Deze percentages zijn dusdanig gering dat die geen onteigening van de benodigde gronden vorderen, aldus de rechtbank. De hoeveelheid definitief benodigde gronden is erg klein in verhouding tot alle grond van [appellante]. De tijdelijk benodigde gronden zal het dagelijks bestuur maar een relatief beperkte periode in gebruik hebben.

3.5.    Niet in geschil is dat de gedoogplicht, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 is weergegeven, betrekking heeft op in totaal 3.85.07 hectare grond waarvan 3.31.86 hectare tijdelijk en 0.53.21 hectare definitief benodigd is. In ogenschouw genomen dat [appellante] in totaal ongeveer 110.00.00 hectare in eigendom heeft, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de gedoogplicht ziet op ongeveer 3,5% van het totale grondoppervlak van [appellante]. De benodigde grondoppervlakte in verhouding tot het totale grondoppervlak van [appellante] kan daarmee als gering worden beschouwd. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de gedoogplicht betrekking heeft op een definitief benodigde oppervlakte van ongeveer 0,48% en dat de tijdelijk benodigde gronden na afronding van de werkzaamheden op 31 december 2023 in oorspronkelijke landbouwkundige staat aan [appellante] worden opgeleverd, ondervindt [appellante] geen onevenredig nadelige gevolgen van de gedoogplicht. Evenmin is gebleken dat de bruikbaarheid van de rest van een perceel vermindert als gevolg van de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk op een gedeelte van dat perceel. Bovendien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur voor het gebruik van de benodigde gronden niet afhankelijk is van overeenstemming met [appellante] over een grondruil.

    Wat betreft het betoog van [appellante] dat de provincie bij de verwerving van de benodigde gronden moet worden betrokken vanwege Natura 2000-gebied De Wieden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat eventuele gevolgen van de gedoogplicht voor het Natura 2000-gebied hier geen rol spelen. Bovendien zijn de gronden waar de gedoogplicht betrekking op heeft niet in het Natura 2000-gebied gelegen.

    De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het dagelijks bestuur in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt om [appellante] de gedoogplicht op te leggen.

    Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt dat het dagelijks bestuur het gemaal wil realiseren op haar huiskavel, terwijl dit ook zou kunnen op het bouwblok van het waterschap.

4.1.    Dit betoog is voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom het betoog over de locatie van het gemaal niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2020

195-855.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature