< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 21 februari 2019 heeft de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam het bestemmingsplan "'t Oog Bedrijven" vastgesteld. Het plangebied ligt ten noordwesten van de kern Hardinxveld-Giessendam en voorziet in de realisatie van een bedrijventerrein. Aan het noordelijke deel van het plangebied voorziet het plan in de vestiging van bedrijven tot en met categorie 4.1 van de "Staat van bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein" of die naar aard en omvang daaraan gelijk te stellen zijn. Aan het zuidelijke deel van het plangebied voorziet het plan in de vestiging van bedrijven tot en met categorie 3.2 van de "Staat van bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein" of die naar aard en omvang daaraan gelijk te stellen zijn. [appellant] en anderen wonen ten zuiden van het plangebied in de woonwijk "De Blauwe Zoom" in Hardinxveld-Giessendam. Zij kunnen zich niet verenigen met de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, omdat zij onder meer vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Uitspraak



201903050/1/R3.

Datum uitspraak: 3 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Hardinxveld-Giessendam,

en

de raad van de gemeente Hardinxveld-Giessendam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "'t Oog Bedrijven" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2020, waar [appellant] en anderen en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, mr. G.J. Nieuwland, ing . J. Kraaijeveld, ing. R. Wegener en ir. M.J. van Wijngaarden, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plangebied ligt ten noordwesten van de kern Hardinxveld-Giessendam en voorziet in de realisatie van een bedrijventerrein. Aan het noordelijke deel van het plangebied voorziet het plan in de vestiging van bedrijven tot en met categorie 4.1 van de "Staat van bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein" of die naar aard en omvang daaraan gelijk te stellen zijn. Aan het zuidelijke deel van het plangebied voorziet het plan in de vestiging van bedrijven tot en met categorie 3.2 van de "Staat van bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein" of die naar aard en omvang daaraan gelijk te stellen zijn.

2.    [appellant] en anderen wonen ten zuiden van het plangebied aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in de woonwijk "De Blauwe Zoom" in Hardinxveld-Giessendam. Zij kunnen zich niet verenigen met de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, omdat zij onder meer vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat en het landschap.

Ontvankelijkheid

3.    De raad stelt dat het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk is, omdat zij geen belanghebbenden zijn bij de vaststelling van het plan. Volgens de raad zullen [appellant] en anderen gelet op de afstand tot het plangebied geen zicht hebben op de voorziene ontwikkeling in het plangebied en zullen zij ook verder geen gevolgen van enige betekenis van de met de bestreden besluit toegelaten activiteiten ondervinden.

3.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb .

3.2.    [appellant] woont aan de [locatie 1], [appellant A] aan de [locatie 2] en [appellant B] aan de [locatie 3] in Hardinxveld-Giessendam. De afstanden tussen hun woningen en het plangebied zijn ongeveer 120 m, 135 m en 190 m van het plangebied. Vanwege de aard en omvang en de ruimtelijke uitstraling van het voorziene bedrijventerrein, onder meer in verband met geluid- en verkeershinder, is in dit geval niet uitgesloten dat [appellant] en anderen daarvan op deze afstanden feitelijke gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden. Of [appellant] en anderen vanaf hun perceel en/of vanuit hun woning zicht hebben op het plangebied is niet doorslaggevend.

    Wat de raad in dit kader heeft aangevoerd vormt daarom geen grond om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

Natura 2000

4.    [appellant] en anderen betogen dat niet is uitgesloten dat het voorziene bedrijventerrein significant negatieve effecten heeft op het Natura 2000-gebied "Biesbosch". Hierover voeren zij aan dat de stikstofdepositie met AERIUS Calculator is berekend. Volgens [appellant] en anderen moet gelet op de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, over het Programma Aanpak Stikstof, gebruik gemaakt te worden van een ander rekenprogramma voor stikstofberekening, omdat AERIUS Calculator niet of minder geschikt is voor depositieberekeningen op korte afstand van de bron.

4.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.     

4.2.    De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

    De afstand tussen de percelen van [appellant] en anderen en het Natura 2000-gebied "Biesbosch" bedraagt ongeveer 1 km. Gelet op deze afstand bestaat naar het oordeel van de Afdeling niet zo’n verwevenheid van hun individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat moet worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk strekken tot bescherming van hun belangen als omwonenden van de in het plan voorziene ontwikkelingen.

    Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling de beroepsgronden van [appellant] en anderen over het Natura 2000-gebied "Biesbosch" buiten beschouwing laat omdat artikel 8:69a van de Awb eraan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Integrale visie

6.    [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is, omdat een integrale visie op het gebied "’t Oog" ontbreekt. Volgens [appellant] en anderen is dit van belang, omdat de structuurvisie verwijst naar de "transformatievisie" en hierin een aantal randvoorwaarden zijn opgenomen voor het geval verstedelijking plaatsvindt in dit gebied.

6.1.    De raad heeft toegelicht dat dit plan een uitwerking is van de gemeentelijke structuurvisie die op 19 februari 2015 is vastgesteld. De raad stelt dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein in het westen van het gebied "’t Oog" in de structuurvisie expliciet wordt genoemd en dat daaraan wat betreft de uitvoering prioriteit wordt gegeven. Verder is in paragraaf 4.5 van de plantoelichting onderbouwd dat twee mogelijkheden beide ruimtelijk aanvaardbaar zijn: (a) dit deel van het gehele gebied als zelfstandige ontwikkeling en (b) een verdere ontwikkeling van het gehele gebied. Daarnaast heeft de raad verwezen naar de "transformatievisie" waarin het gebied "’t Oog" wordt genoemd als ruimte voor verdere verstedelijking in de vorm van wonen en/of werken. De randvoorwaarden die in de "transformatievisie" zijn genoemd, gaan over een eventuele toevoeging van woon- of werkfuncties in het gebied "’t Oog". Als er een woon- of werkfunctie wordt toegevoegd dan moet daarbij de bereikbaarheid van die functie gegarandeerd zijn, aldus de raad. In dit plan is dat het geval, omdat het gebied "’t Oog" westelijk vanaf de Rijksweg A15 bereikbaar is via Zwijnskade en de Spoorweg en vanaf de noordzijde bereikbaar is via de Polderweg. Voor zover in de "transformatievisie" gesproken wordt over het inzetten van het gebied "’t Oog" als opvang voor uitbreiding van de gemeente Sliedrecht, heeft de raad toegelicht dat dit uitgangspunt niet gaat over de realisatie van bedrijvigheid waarvoor dit plan is vastgesteld. Tot slot heeft de raad aangegeven dat het coalitieakkoord 2018-2022 niet aan de vaststelling van dit plan in de weg staat, omdat in het coalitieakkoord staat dat het college inzet op een snelle ontwikkeling van een bedrijventerrein in het gebied "’t Oog".

6.2.    Het betoog van [appellant] en anderen geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit plan een uitwerking is van de gemeentelijke structuurvisie. Dit plan is dus ook niet in strijd met het gemeentelijk beleid, zoals verwoord in de structuurvisie. Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat ook wordt voldaan aan de randvoorwaarden in de "transformatievisie", aangezien de bereikbaarheid van het voorziene bedrijventerrein gegarandeerd is.

    Het betoog faalt.

Samenhang met ontwikkelingen in de omgeving

7.    [appellant] en anderen voeren aan dat een onderzoek naar de cumulatieve effecten, wat betreft geluidhinder, luchtkwaliteit en verkeer, van de voorziene ontwikkeling in dit plan met de nabijgelegen voorziene uitbreiding van woonwijk "Blauwe Zoom" en woonwijk "’t Oog" ontbreekt. In dit verband voeren zij aan dat op dit moment de verkeersafwikkeling aan de oostkant van de Spoorweg hinder veroorzaakt. De verkeershinder aan de oostkant van de Spoorweg is ten onrechte niet betrokken bij de vaststelling van dit plan, aldus [appellant] en anderen.

7.1.    Over het punt dat [appellant] en anderen betogen dat wat betreft geluidhinder het plan moet worden beoordeeld in samenhang met de nabijgelegen spoorwegen - de Betuweroute en de Merwede-Lingelijn - en de en de snelweg A15 overweegt de Afdeling het volgende. In de omgeving van de woningen van [appellant] en anderen liggen de Betuweroute en de Merwede-Lingelijn. Ongeveer 800 m ten zuiden van de woningen van [appellant] en anderen ligt de snelweg A15. Uit de stukken blijkt dat voor de spoorwegen en de snelweg A15 een beoordeling op grond van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) heeft plaatsgevonden. De Afdeling stelt voorop dat artikel 110f van de Wgh alleen van toepassing is als voor een woning - of ander geluidsgevoelig object - een hogere waarde wordt vastgesteld en daarnaast sprake is van meerdere geluidszones, waarbij de voorkeursgrenswaarde door minstens twee geluidsbronnen wordt overschreden. Het in het plangebied voorziene bedrijventerrein is echter geen ontwikkeling waarvoor hogere waarden op grond van de Wgh moeten worden vastgesteld.

    Dit neemt niet weg dat ook buiten de gevallen waarin de Wgh onderzoek naar de cumulatieve geluidbelasting voorschrijft zich gevallen kunnen voordoen waarin rekening moet worden gehouden met een negatieve invloed van cumulatieve geluidbelasting op het woon- en leefklimaat ter plaatse van bepaalde woningen. Om een goede afweging te maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet in die gevallen de cumulatieve geluidbelasting op de gevel van de betrokken woningen worden bezien.

7.2.    De raad heeft om te kunnen beoordelen of ter plaatse van de woningen in de woonwijk "De Blauwe Zoom" het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is de richtafstanden van de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: VNG-brochure) toegepast. De raad is daarbij uitgegaan van het omgevingstype "rustige woonwijk". Op grond van de planregels bij het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" zijn bedrijven in categorie 3.2 en categorie 4.1 toegestaan. In de VNG-brochure wordt voor een bedrijf in categorie 3.2 en categorie 4.1 in een rustige woonwijk een richtafstand van minimaal 100 m, respectievelijk 200 m tot gevoelige objecten aanbevolen. De kortste afstand tussen de grens van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2", waar bedrijven tot en met categorie 3.2 zijn toegestaan, en de woning van [appellant] en anderen bedraagt ongeveer 120 m. De kortste afstand tussen de grens van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1", waar bedrijven tot en met categorie 4.1 zijn toegestaan, en de woning van [appellant] en anderen bedraagt ongeveer 220 m.  Gelet op het voorgaande heeft de raad terecht gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden als bedoeld in de VNG-brochure. Hiertegenover hebben [appellant] en anderen niet duidelijk kunnen maken waarom de raad dit niet in redelijkheid zo heeft kunnen beoordelen.

    Verder heeft de in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan "De Blauwe Zoom - Woongebied" onderzoek laten verrichten naar de cumulatieve geluidbelasting van het wegverkeerslawaai en het spoorweglawaai. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Onderzoek geluid. Bestemmingsplan De Blauwe Zoom - Woongebied" (hierna: het akoestisch rapport) van 18 juli 2014, opgesteld door Kuiper Compagnons. In het akoestisch rapport staat dat uitsluitend in het zuidwestelijke deel van het plangebied de maximale ontheffingswaarde van 53 dB door de Rijksweg A15 wordt overschreden, zodat ter plaatse aanvullende maatregelen getroffen moeten worden.

    Voor de beoordeling van de gevolgen van het plangebied is ten behoeve van het verweer in de notitie "Akoestische berekening verkeerstoename Spoorweg" (hierna: de notitie) van 7 juni 2019, opgesteld door Kuiper Compagnons, onderzocht wat de geluidbelasting op de gevels van de woningen in de Blauwe Zoom is in een worst-casesituatie. In het onderzoek wordt uitgegaan van een verdubbeling van het bedrijventerrein, een woningbouwprogramma van 1.000 woningen, een worst-casebenadering van de verkeersafwikkeling naar de Zwijnskade, een rijsnelheid van 60 km en een wegdek van dichtasfaltbeton op de Spoorweg. Op basis van die uitgangspunten is geconcludeerd dat ook in een worst-casesituatie de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter plaatse van woningen in de woonwijk "De Blauwe Zoom" niet wordt overschreden.

7.3.    Over de cumulatieve effecten, wat betreft luchtkwaliteit en verkeer, overweegt de Afdeling als volgt. In paragraaf 7.3 van de plantoelichting heeft de raad uiteengezet hoe hij het aspect luchtkwaliteit heeft beoordeeld. De conclusie van die beoordeling is dat de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt niet zal leiden tot een overschrijding van de voor luchtkwaliteit geldende grenswaarden. [appellant] en anderen hebben geen concrete gronden over de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit aangevoerd.

     Verder heeft de raad in de plantoelichting uiteengezet welke verkeersbewegingen worden verwacht van en naar het plangebied. Het uitgangspunt is dat 80% van de verkeersstroom van het bedrijventerrein  afkomstig is dan wel bestemd is voor de snelweg A15 en zich zal verplaatsten via de zuidwestelijk van het plangebied gelegen Zwijnskade. De overige 20% van de verkeerstroom is afkomstig uit dan wel bestemd voor de richting centrum/Parallelweg/Nieuweweg, zuidoostelijk van het plangebied. [appellant] en anderen voeren onder verwijzing naar het rapport "Variantenstudie Ontsluiting ’t Oog", van 21 oktober 2019, opgesteld door Royal HaskoningDHV, aan dat het huidige gebruik van de ten oosten van het plangebied gelegen spoorwegovergang Binnendams verkeershinder tot gevolg kan hebben. In wat [appellant] en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeersafwikkeling in goede banen kan worden geleid. Hierbij is van belang dat in het genoemde rapport "Variantenstudie Ontsluiting ’t Oog" wordt aangegeven dat na beperking van het sluipverkeer een verkeerskundig acceptabele situatie kan worden gerealiseerd.

7.4.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het betoog van [appellant] en anderen geen aanleiding voor het oordeel dat de cumulatieve effecten, wat betreft verkeer-, geluidhinder en luchtkwaliteit van dit plan met de nabijgelegen voorziene ontwikkelingen, onvoldoende zijn betrokken bij de vaststelling van dit plan. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de cumulatieve effecten van dit plan niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen.

    Het betoog faalt.

Landschappelijke inpassing

8.    [appellant] en anderen betwisten dat het plan voorziet in een goede landschappelijke inpassing. Zij wijzen erop dat een bedrijventerrein met een maximale toegestane bouwhoogte van 12 tot 15 m niet landschappelijk kan worden ingepast binnen een strook van 3 m. Ook voeren zij aan dat de beeldkwaliteitsparagraaf rechtsonzeker is, omdat onduidelijk is of een bouwwerk geen gebouw zijnde van maximaal 2 m hoog voldoet aan de eisen van de beeldkwaliteitsparagraaf. Verder betogen [appellant] en anderen dat de regeling voor de buitenopslag en opslag in loodsen aan de achterzijde van de percelen zich niet goed verdraagt met de landschappelijk inpassing.

    Daarnaast voorziet het plan volgens [appellant] en anderen niet in de waarborging van de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein en een zorgvuldige overgang naar de omgeving. [appellant] en anderen wijzen erop dat in de plantoelichting staat dat aan de oostzijde van het plangebied beplanting op de kavels zal worden gerealiseerd, terwijl een verplichting om dat te doen niet in de planregels staat. De landschappelijke inpassing is volgens [appellant] en anderen evenmin handhaafbaar, omdat in artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder e, van de planregels alleen een voorwaarde is opgenomen om te mogen bouwen.

8.1.    Aan de oostzijde van het plangebied is binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" de aanduiding "specifieke vorm van groen-groenzone" toegekend. Artikel 3, lid 3.1.2, van de planregels luidt:

"Ter plaatse van de aanduiding:

specifieke vorm van groen-groenzone zijn gronden uitsluitend bestemd voor een groenzone, teneinde de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein en een zorgvuldige overgang naar de omgeving te waarborgen;"

    Artikel 3.2.1, aanhef en onder e, van de planregels luidt:

"Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden gelden voor gebouwen de volgende bouwregels

[…]

e. gebouwen mogen uitsluitend gebouwd worden wanneer wordt voldaan aan de eisen uit het Beeldkwaliteitsparagraaf."

     Artikel 3, lid 3. 4.1, onder b, sub 1 en 2, luidt:

"b. (Buiten)opslag ten behoeve van een bedrijf is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

1. opslag dient plaats te vinden binnen het bouwvlak;

2. opslag dient plaats te vinden achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw;"

    Aan de zuid-, west- en noordzijde van het plangebied is de bestemming "Groen" toegekend. Artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels luidt:

"De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen, bermen en overige beplanting;[…]"

8.2.    In de beeldkwaliteitsparagraaf in bijlage 2 bij de planregels staat onder andere dat de oostzijde van het plangebied een groene wand krijgt die bestaat uit een hoog begroeid hekwerk met een rij bomen ervoor, zodat een natuurlijke overgang van het bedrijventerrein naar het aangrenzend agrarisch gebied wordt gerealiseerd. De noordzijde van het plangebied krijgt een groene bufferzone en aan de westzijde van het plangebied worden watergangen gerealiseerd. Hiermee wordt volgens de raad voldaan aan het vereiste van een landschappelijke inpassing. De raad heeft verder toegelicht dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen in de aanvraag op grond van de beeldkwaliteitsparagraaf moet aantonen hoe de gebouwen zich verhouden tot de terreininrichting.

8.3.    Over het betoog dat een landschappelijke inpassing binnen een strook van 3 m niet mogelijk is, heeft de raad ter zitting gezegd dat zoals aangegeven in de beeldkwaliteitsparagraaf de inpassing bestaat uit een begroeid hekwerk met een rij bomen. Over het betoog dat onduidelijk is of een bouwwerk geen gebouw zijnde van maximaal 2 m hoog voldoet aan de eisen van de beeldkwaliteitsparagraaf, heeft de raad toegelicht dat binnen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" en de aanduiding "specifieke vorm van groen-groenzone" een bouwwerk van 2 m hoog kan worden gerealiseerd. Naar het oordeel van de Afdeling is aannemelijk gemaakt dat de inpassing kan worden gerealiseerd binnen de op de verbeelding aangegeven strook met een breedte van 3 m. De raad heeft overigens ter zitting aangeven dat de strook een breedte van 10 m zal krijgen. Wat betreft de regeling voor (buiten)opslag heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze geen afbreuk doet aan de planregels voor landschappelijke inpassing.

8.4.    Over het betoog dat de voorwaardelijke verplichting in artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder e, van de planregels ten onrechte alleen gekoppeld is aan de bouw, overweegt de Afdeling als volgt. Het bedrijventerrein waarin het plan voorziet kan slechts gerealiseerd worden indien voldaan wordt aan de eisen uit de beeldkwaliteitsparagraaf. Zo lang niet wordt voldaan aan deze eisen kunnen gebouwen niet worden gebouwd. Het voorgaande betekent dat, anders dan [appellant] en anderen betogen, de uitvoering van de beeldkwaliteitsparagraaf voor de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein", naar het oordeel van de Afdeling, voldoende verzekerd is in het plan. Bovendien is deze planregel handhaafbaar. Artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder e, van de planregels verplicht alle rechthebbenden op de gronden in het bouwvlak tot uitvoering van de beeldkwaliteitsparagraaf. Niet naleving van deze bepaling betekent dat handhavend kan worden opgetreden.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de landschappelijke inpassing van de voorziene ontwikkeling gelet op het plandeel met de bestemming "Groen" in samenhang bezien met artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, de aanduiding "specifieke vorm van groen-groenzone" in samenhang bezien met artikel 3, lid 3. 1.2, en artikel 3.2.1, aanhef en onder e, van de planregels, is geborgd.

    Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

9.    [appellant] en anderen voeren aan dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet verzekerd is. Zij stellen dat de raad heeft nagelaten om de financiële uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk te maken.

9.1.    De Afdeling overweegt dat in het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de financiële aspecten van het plan aan de uitvoerbaarheid ervan in de weg staan.

9.2.    In paragraaf 10.1 van de plantoelichting is over de uitvoerbaarheid van het plan opgenomen dat de gemeente grond in eigendom heeft en zorg draagt voor het bouwrijp maken van het gebied en de uitgifte van de kavels. Hiermee is het kostenverhaal zoals dat heet "anderszins verzekerd" en is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk. Verder heeft de raad toegelicht dat de kosten voor de vaststelling van dit plan door de gemeente zijn gedragen. De verwachting is dat het plan direct inkomsten oplevert uit grondverkoop, aangezien er momenteel geen gemeentelijk bedrijventerrein beschikbaar is en zich inmiddels een groot aantal potentiële kopers bij de gemeente heeft aangemeld, aldus de raad.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad gelet op het voorgaande onderbouwd dat de verwachting gerechtvaardigd is dat het plan financieel uitvoerbaar zal zijn.

    Het betoog faalt.

Herhalen zienswijze

10.    Voor zover [appellant] en anderen verzoeken de inhoud van hun zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de Nota van beantwoording zienswijzen is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in hun beroepschrift en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging hiervan onjuist zou zijn.

Conclusie

11.    Het beroep is ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2020

191-889.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature