< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluiten van 21 juni 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201905936/1/V3.

Datum uitspraak: 22 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 augustus 2019 in zaken nrs. NL19.14565 en NL19.14567 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluiten van 21 juni 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris en de vreemdelingen hebben nadere stukken ingediend

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2020, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R.A. Visser, en de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. N. Vollebergh, advocaat te Breda, en bijgestaan door L. Makaddam, tolk, zijn verschenen.

De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met zaak ECLI:NL:RVS:2020:1087.

Overwegingen

    Inleiding

1.    De vreemdelingen hebben twee minderjarige kinderen, geboren op 6 augustus 2008 en 1 november 2012. De staatssecretaris heeft de asielaanvragen van de vreemdelingen niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij en hun twee minderjarige kinderen in Hongarije al een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen.

2.    Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen bij terugkeer naar Hongarije geen reëel risico lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest.

3.    De aan deze uitspraak gehechte bijlage bevat een overzicht van de in dit kader door partijen aangehaalde en meegestuurde bronnen. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Uitspraak van de rechtbank

4.    Onbestreden is dat voor statushouders uit Hongarije in het algemeen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank heeft echter overwogen dat, gelet op het arrest van het EHRM van 30 mei 2017, E.T. en N.T. tegen Zwitserland en Italië, ECLI:CE:ECHR:2017:0530DEC007948013, en van het Hof van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219, alsnog sprake kan zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM en van artikel 4 van het EU Handvest als blijkt dat een persoon die volledig afhankelijk is van de steun van de staat, buiten zijn eigen wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een "toestand van zeer verregaande materiële deprivatie". De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris, gelet op wat de vreemdelingen hebben aangevoerd over de situatie in Hongarije en hun kwetsbare positie, onvoldoende heeft onderzocht wat hun te wachten zal staan als zij terugkeren naar Hongarije. De staatssecretaris had volgens de rechtbank concrete individuele garanties van de Hongaarse autoriteiten moeten krijgen, in het bijzonder gelet op de medische situatie van de oudste zoon. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris nader moet motiveren waarom de vreemdelingen niet, gelet op hun bijzondere kwetsbaarheid, buiten hun eigen wil en keuzes om, in een situatie terecht komen van verregaande materiële deprivatie.

Hoger beroep

5.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij nader onderzoek moet doen. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris niet onderkend dat er wel degelijk toegang is tot de gezondheidszorg. Daarnaast klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdelingen door hun bijzondere kwetsbaarheid, buiten hun eigen wil en hun persoonlijke keuzes om, niet in een situatie terecht komen van zeer verregaande materiële deprivatie. Statushouders hebben in beginsel immers de mogelijkheid zelfstandig een bestaan op te bouwen. Bovendien kunnen de vreemdelingen zich voor bescherming of hulp wenden tot de Hongaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk is, aldus de staatssecretaris. Zij moeten volgens de staatssecretaris zelf hun rechten effectueren en dat hebben zij niet gedaan.

Terugkeer bijzonder kwetsbare statushouders

6.    Zoals volgt uit de uitspraak van 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2385, heeft de Afdeling uit het arrest Ibrahim afgeleid dat het Hof benadrukt dat de drempel voor een beroep op artikel 4 van het EU Handvest - dat gelijkstaat aan artikel 3 van het EVRM - onverminderd hoog blijft. De drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een "toestand van zeer verregaande materiële deprivatie", waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.

6.1.    Uit de uitspraak van 15 juli 2019 volgt verder dat bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in de punten 89 tot en met 91 van het arrest Ibrahim (punten 86, 88 en 93 van dat arrest).

6.2.    De staatssecretaris heeft het oordeel van de rechtbank dat de vreemdelingen als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Ibrahim moeten worden aangemerkt, in hoger beroep niet bestreden. In deze zaak staat de bijzondere kwetsbaarheid dan ook vast.

6.3.     Uit de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2020:1087, volgt dat de staatssecretaris bij bijzonder kwetsbare statushouders, in het licht van met name punt 93 van het arrest Ibrahim, nader moet motiveren waarom zij bij terugkeer naar Hongarije niet, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, die voldoet aan de in de punten 89 tot en met 91 van het arrest Ibrahim genoemde criteria. Omdat deze motivering in het besluit van 21 juni 2019 ontbreekt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft onderzocht of de vreemdelingen een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest.

6.4.    De grief faalt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

8.    Dit betekent dat de staatssecretaris zich in nieuwe besluiten alsnog moet uitlaten over de vraag of de vreemdelingen, gegeven hun bijzondere kwetsbaarheid, als gevolg hiervan bij terugkeer naar Hongarije een reëel risico lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Van Leeuwen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020

373-872.

 

BIJLAGE

 

1.    'Country Report: Hungary, 2018 Update', Asylum Information Database (AIDA), 31 december 2018

2.    ‘Two years after. What’s left of Refugee Protection in Hungary’, Hungarian Helsinki Committee (HHC), September 2017

3.    'Country Report on Human Rights Practices 2017 - Hungary', US Department of State (USDOS), 20 april 2018

4.    'Asylum Seekers and Beneficiaries of International Protection in Hungary (Updated Report)', V4NIEM: Visegrad Countries National Integration Evaluation Mechanism Report 2019

5.    Beantwoording van de vragen van Buitenlandse Zaken door de Hongaarse 'Immigration and Asylum Office' op 27 juni 2018 en het 'Ministry of Human Capacities' op 11 september 2018


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature