< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het Hoogheemraadschap aan [vergunninghouder] te Markenbinnen (hierna: [vergunninghouder]) een watervergunning verleend voor het verrichten van handelingen in een watersysteem.

Uitspraak



201807776/1/A1 en 201807781/1/A1.

Datum uitspraak: 27 november 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], allen wonend te Markenbinnen, gemeente Alkmaar (hierna: [appellant A] en anderen), appellanten,

tegen de mondelinge uitspraak van 25 juli 2018 in zaak nr. 17/1950 en de uitspraak van 13 augustus 2018 in zaak nr. 17/5104 van de rechtbank Noord-Holland in de gedingen tussen:

[appellant A] en anderen

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna: het Hoogheemraadschap).

Procesverloop

Zaak nr. 201807776/1/A1

Bij besluit van 28 april 2015 heeft het Hoogheemraadschap aan [vergunninghouder] te Markenbinnen (hierna: [vergunninghouder]) een watervergunning verleend voor het verrichten van handelingen in een watersysteem.

Bij besluit van 7 maart 2017 heeft het Hoogheemraadschap het door de ‘Gedupeerden van Markenbinnen’ daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 25 juli 2018 (zaak nr. 17/1950) heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is aangehecht.

Zaak nr. 201807781/1/A1

Bij besluit van 13 juni 2017 heeft het Hoogheemraadschap de op 28 april 2015 aan [vergunninghouder] verleende vergunning voor het verrichten van handelingen in een watersysteem gewijzigd.

Bij besluit van 3 oktober 2017 heeft het Hoogheemraadschap het door [appellant A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 13 augustus 2018 (zaak nr. 17/5104) heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen de uitspraken van 25 juli 2018 en 13 augustus 2018 hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het Hoogheemraadschap heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 18 juni 2019, waar [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], en het Hoogheemraadschap, vertegenwoordigd door P. Horsmeijer, zijn verschenen.

Overwegingen

Zaak nr. 201807776/1/A1

Inleiding

1.    De verleende vergunning ziet blijkens het besluit van 28 april 2015 op het wijzigen van het waterpeil in het centrale deel van de Markerpolder nabij Markenbinnen. De uit te voeren werken en werkzaamheden bestaan onder meer uit het dempen van een waterloop, het graven van een waterloop, het verdiepen van waterlopen, het verwijderen, verplaatsen en aanpassen van stuwen met overstort, het plaatsen van een peilscheidingsdam, het verwijderen en aanbrengen van dammen met een duiker en het verlagen van het waterpeil tussen de 10 à 20 cm in verschillende peilgebieden.

De maatregelen waarvoor met het besluit toestemming is verleend hebben blijkens het besluit het verlagen van het waterpeil in het betrokken gebied ten doel, waarmee betere productieomstandigheden voor de agrarische bedrijven in het gebied ontstaan.

2.    Niet in geschil is dat het besluit van 28 april 2015 op die datum aan de aanvrager is toegezonden en op 7 mei 2015 in het digitale Waterschapsblad is gepubliceerd.

Bij brief van 5 oktober 2016 is tegen het besluit een bezwaarschrift bij het Hoogheemraadschap ingediend door de ‘Gedupeerden van Markenbinnen’. Zoals blijkt uit deze brief zien de bezwaren er met name op dat verdere verlaging van het waterpeil in de Markerpolder naar zij stellen nadelige gevolgen heeft voor hun woon- en leefomgeving, bijvoorbeeld voor de fundering van hun woningen. Uit hun brief blijkt verder dat zij het bezwaarschrift eerst op 5 oktober 2016 hebben ingediend, omdat zij pas kort daarvoor van het besluit op de hoogte zijn geraakt.

Het Hoogheemraadschap heeft het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

De uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft het Hoogheemraadschap gevolgd in het standpunt dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen reden bestaat die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit op juiste wijze bekendgemaakt door toezending ervan aan de aanvrager op 28 april 2015. Daarmee is de bezwaartermijn aangevangen op 29 april 2015 en geëindigd op 9 juni 2015, zodat het bezwaarschrift van 5 oktober 2016 te laat is ingediend.

De overschrijding van de termijn is naar het oordeel van de rechtbank niet verschoonbaar, omdat de vergunning op 7 mei 2015 is gepubliceerd in het digitale Waterschapsblad en de bezwaarmakers daarvan dus tijdig kennis hadden kunnen nemen en tijdig bezwaar hadden kunnen maken. Dat zij de publicatie hebben gemist, komt naar het oordeel van de rechtbank voor hun risico.

Wettelijk kader

4.    Het wettelijk kader is vermeld in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Het hoger beroep

5.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het Hoogheemraadschap hun bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voeren daartoe aan dat het Hoogheemraadschap hen ten onrechte niet als belanghebbenden bij het besluit heeft aangemerkt en hen daarom het besluit ten onrechte niet persoonlijk heeft toegezonden, aldus [appellant A] en anderen.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is volgens [appellant A] en anderen de termijnoverschrijding in ieder geval verschoonbaar, omdat zij niet tijdig kennis hebben kunnen nemen van het besluit. Die omstandigheid dient naar zij stellen niet voor hun risico te komen, omdat het Hoogheemraadschap hen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om vooraf hun zienswijzen op het ontwerpbesluit te geven. Op het Hoogheemraadschap rustte die plicht volgens hen temeer, omdat in 1991 een convenant is gesloten tussen betrokkenen met betrekking tot de peilproblematiek in de Markerpolder, waarbij bewoners van Markenbinnen partij waren.

Verder betogen zij dat publicatie van het besluit in alleen het digitale Waterschapsblad gelet op de rechtszekerheid onvoldoende was. Om de bewoners van Markenbinnen daadwerkelijk te bereiken had van het besluit tevens op andere wijze mededeling moeten worden gedaan, namelijk door publicatie in het plaatselijke huis-aan-huisblad De Uitkomst. Onder die omstandigheden kan het de ‘Gedupeerden van Markenbinnen’ niet worden tegengeworpen niet tijdig bezwaar te hebben gemaakt, aldus [appellant A] en anderen.

5.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellant A] en [appellant E] niet behoren tot de groep van personen verenigd in de ‘Gedupeerden van Markenbinnen’ namens wie het bezwaar is ingediend. Uit de gedingstukken blijkt dat in de bezwaarprocedure door de secretaris van de bezwarencommissie aan de ‘Gedupeerden van Markenbinnen’ is gevraagd om een duidelijke lijst met namen en adressen van de personen namens wie het bezwaar is ingediend. Die lijst is daarop overgelegd. [appellant A] en [appellant E] komen daar niet op voor.

Gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de rechtbank het beroep voor zover ingediend door [appellant A] en [appellant E], zij het op andere gronden, reeds om die reden terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Hun hoger beroep is reeds daarom ongegrond.

In het hierna volgende zullen daarom in deze zaak appellanten [appellant B], [appellant C] en [appellant D] worden aangeduid als [appellant B] en anderen.

5.2.    Het besluit van 28 april 2015 betreft een op aanvraag genomen en tot de aanvrager gericht besluit. Zulk een besluit dient op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb te worden bekend gemaakt door toezending ervan aan de aanvrager, waarbij deze toezending de bekendmaking vormt die ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb bepalend is voor de aanvang van de bezwaartermijn. Het besluit behoefde niet te worden bekendgemaakt aan de personen die zich hebben verenigd in de groep ‘Gedupeerden van Markenbinnen’, nu het besluit niet aan hen was gericht als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat nu niet in geschil is dat het besluit van 28 april 2015 op die dag aan [vergunninghouder] is toegezonden, daarmee dat besluit overeenkomstig artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, bekend is gemaakt. De bezwaartermijn is daarom op 29 april 2015 aangevangen en op 9 juni 2015 geëindigd. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het bezwaarschrift van 5 oktober 2016 te laat is ingediend.

5.3.    De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het betoog dat de personen verenigd in de ‘Gedupeerden van Markenbinnen’ ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijzen op het besluit te geven, heeft de rechtbank terecht niet gevolgd. Op het besluit is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Awb niet van toepassing. Het Hoogheemraadschap was daarom niet verplicht om de ‘Gedupeerden van Markenbinnen’ in het kader van die procedure in de gelegenheid te stellen hun zienswijzen op een ontwerpbesluit naar voren te brengen.

Ook heeft het Hoogheemraadschap daartoe geen aanleiding hoeven zien in het bepaalde in artikel 4:8 van de Awb. Niet alle mogelijke belanghebbenden die als derden het recht hebben rechtsmiddelen aan te wenden tegen een besluit, behoeven vooraf in de gelegenheid te worden gesteld om hun zienswijzen kenbaar te maken. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 4:7 en 4:8, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II, 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 12, en Kamerstukken II, 1990/91, 21 221, nr. 5, blz. 67 en 70) is met deze artikelen een beperkte hoorplicht beoogd, in die zin dat voornoemde hoorplicht wordt beperkt tot de gevallen waarin het standpunt van de belanghebbende betekenis kan hebben voor een juiste vaststelling van de relevante feiten en belangen. Genoemde bepalingen hebben de strekking een zorgvuldige voorbereiding van de beschikking te bevorderen en niet zozeer het bieden van gelegenheid tot het geven van inspraak. Nog daargelaten of de ‘Gedupeerden van Markenbinnen’ zijn aan te merken als belanghebbenden bij het besluit, is aan de voor het moeten horen vermelde vereisten niet voldaan, omdat het besluit niet steunt op gegevens over feiten en belangen die ‘de Gedupeerden van Markenbinnen’ betreffen en tegelijkertijd afwijken van gegevens die zij ter zake zelf hebben verstrekt. Het Hoogheemraadschap behoefde de ‘Gedupeerden van Markenbinnen’ niet op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb vooraf over het besluit te horen.

De rechtbank heeft in dit geval terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel. Zij heeft daarbij ook terecht geen betekenis toegekend aan het door [appellant B] en anderen in het geding gebrachte zogenoemde convenant. Dit stuk, dat zich onder de gedingstukken bevindt, is een verslag van een vergadering van 8 mei 1991 van vertegenwoordigers van de Provincie, het Waterschap, de gemeente Uitgeest, [vergunninghouder] en een aantal bewoners van Markenbinnen, waaronder [appellant A] en [appellant C], in het kader van een destijds lopende bezwaarprocedure. Daarbij is een compromisvoorstel besproken met betrekking tot de peilproblematiek in de Markerpolder. In dit vergaderverslag wordt geen melding gemaakt van een informatieplicht, dan wel een plicht tot het geven van de gelegenheid tot het indienen van zienswijzen, zoals door [appellant B] en anderen bedoeld.

Wat de kennisgeving van het besluit in alleen het digitale Waterschapsblad betreft, heeft het Hoogheemraadschap zich op het standpunt gesteld dat de "Verordening elektronische bekendmaking Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2014" (hierna: de verordening) het mogelijk maakt om deze kennisgeving uitsluitend elektronisch te doen. De Afdeling overweegt daarover het volgende.

De rechtbank heeft ook in de omstandigheid dat de kennisgeving van het besluit alleen elektronisch is gedaan, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Zoals het Hoogheemraadschap terecht heeft gesteld, bestaat geen wettelijke verplichting om een kennisgeving van het betrokken besluit te doen. Reeds daarom staat artikel 2:14, tweede lid, van de Awb niet aan uitsluitend elektronische kennisgeving in de weg.

Bovendien kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, een kennisgeving via het internet een geschikte wijze van kennisgeving zijn (vergelijk onder meer de uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:379). Artikel 2:14, tweede lid, bepaalt weliswaar dat de verzending van berichten die niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht zoals hier aan de orde, niet uitsluitend elektronisch plaatsvindt, maar maakt daarop een uitzondering voor het geval bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In dit geval is in de verordening en daarmee bij wettelijk voorschrift, in artikel 2, eerste lid, bepaald dat iedere bekendmaking uitsluitend in een elektronisch waterschapsblad geschiedt, tenzij bij wet of regelgeving een andere wijze van bekendmaking is voorgeschreven. Daarvan is niet gebleken. Volgens artikel 1, aanhef en onder c, van de verordening geldt artikel 2, eerste lid, ook voor kennisgevingen waarvoor geen wettelijke plicht geldt.

Het elektronisch waterschapsblad is volgens artikel 2, tweede lid, van de verordening voor een ieder via de website ‘www.overheid.nl’ te raadplegen. Het Hoogheemraadschap heeft verder ter zitting onweersproken gesteld dat de vaststelling van de verordening niet uitsluitend digitaal, maar ook in het huis-aan-huisblad waarin voorheen de bekendmakingen van het Hoogheemraadschap werden gepubliceerd, bekend is gemaakt.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande in het aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat niet overeenkomstig de hiervoor vermelde verordening van het besluit kennis is gegeven. [appellant B] en anderen hadden daarvan dus tijdig kennis kunnen nemen en tijdig bezwaar kunnen maken. Een verschoonbare termijnoverschrijding doet zich niet voor.

Het betoog faalt.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Zaak nr. 201807781/1/A1

Inleiding

7.    De verleende vergunning bij het besluit van 13 juni 2017 dient als wijziging op de eerder aan [vergunninghouder] verleende vergunning van 28 april 2015. De wijzigingen betreffen:

- De peilverlaging in peilgebied 04460-07 van NAP -2,40 meter naar NAP -2,50 meter komt te vervallen;

- De te dempen waterloop met nummer 10 komt te vervallen;

- De te graven waterloop met nummer 9 komt te vervallen;

- De aan te leggen dammen met nummers 11A en 11B komen te vervallen;

- De bijzondere voorschriften dempen waterloop (nummer 10) komen te vervallen;

- De bijzondere voorschriften graven waterloop (nummer 9) komen te vervallen;

- De bijzondere voorschriften aanleg twee dammen met duiker (nummers 11A en 11B) in de nieuw te graven waterloop komen te vervallen.

8.    Bij brief van 27 juni 2017 hebben [appellant A] en anderen een bezwaarschrift tegen het wijzigingsbesluit ingediend. Zoals blijkt uit deze brief, waarin voor een toelichting wordt verwezen naar het bezwaarschrift van 5 oktober 2016 tegen het besluit van 28 april 2015, hebben zij om verschillende redenen bezwaren tegen het besluit. Verdere waterpeilverlagingen hebben naar zij stellen nadelige gevolgen voor hun woon- en leefomgeving.

Het Hoogheemraadschap heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het zich op het standpunt stelt dat [appellant A] en anderen niet zijn aan te merken als belanghebbenden bij het besluit van 13 juni 2017 als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb.

De uitspraak van de rechtbank

9.    De rechtbank heeft het Hoogheemraadschap gevolgd in het standpunt dat [appellant A] en anderen niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het besluit van 13 juni 2017. Zij heeft daarbij vooropgesteld dat voor de vraag of zij belanghebbend zijn, uitsluitend de mogelijk door hen te ondervinden gevolgen van het wijzigingsbesluit relevant zijn en niet die van het oorspronkelijke besluit van 28 april 2015, omdat het tegen dat besluit ingestelde beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren, ongegrond is verklaard.

De rechtbank heeft in de gevolgen van het wijzigingsbesluit, waarvan het belangrijkste gevolg is dat waterloop 10 niet wordt gedempt en waterloop 9 niet wordt gegraven, geen grond gevonden voor het oordeel dat [appellant A] en anderen ten onrechte niet als belanghebbenden bij het besluit van 13 juni 2017 zijn aangemerkt. Zij heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.

Het hoger beroep

10.    [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat zij wel zijn aan te merken als belanghebbenden bij het wijzigingsbesluit. Zij voeren daartoe aan dat het besluit nadelige gevolgen heeft voor hun woon- en leefomgeving. Doordat het Hoogheemraadschap in tegenstelling tot eerdere afspraken, die volgens [appellant A] en anderen mede zijn neergelegd in het eerdergenoemde convenant, opnieuw een waterpeilverlaging toestaat, maakt de cumulatie van effecten daarvan dat bodemdalingen optreden en daarmee risico’s ontstaan voor de funderingen van hun woningen en het nabijgelegen fort. Verder raakt volgens [appellant A] en anderen het wijzigingsbesluit hen in hun belangen omdat daardoor de vrije doorvaart, alsmede de vismigratie in het gebied onmogelijk wordt gemaakt. Daardoor treedt voor hen tevens een verlies aan recreatiemogelijkheden op.

10.1.    Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1546), heeft de wetgever de eis van een rechtstreeks belang gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen instellen.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2271), is uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken, indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van de betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

10.2.    De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat het beroep tegen het besluit van het Hoogheemraadschap van 7 maart 2017, waarbij de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2015 is gehandhaafd, bij de uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2018 ongegrond is verklaard. Laatstgenoemde uitspraak van de rechtbank is bij de uitspraak van heden van de Afdeling in zaak nr. 201807776/1/A1 bevestigd.

Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de door [appellant A] en anderen gestelde negatieve gevolgen van het besluit van 28 april 2015 bij de beantwoording van de vraag of [appellant A] en anderen in deze procedure belanghebbend zijn, buiten beschouwing blijven.

Door het wijzigingsbesluit van 13 juni 2017 wordt minder mogelijk gemaakt dan bij het besluit van 28 april 2015 aan [vergunninghouder] was vergund. Het besluit trekt toestemmingen in waaronder die voor het graven en dempen van waterloop 9 en 10 en voor het verlagen van het waterpeil in peilgebied 04460-07. Een peilverlaging waartegen appellanten zich in de andere procedure verzetten, komt met dit besluit aldus te vervallen.

Voor zover zij hebben betoogd dat het niet graven van waterloop 9 voor hen negatieve gevolgen heeft in de vorm van verhindering van de vrije doorvaart, de vismigratie alsmede een verlies aan recreatiemogelijkheden, heeft de rechtbank dit betoog terecht niet gevolgd. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat de bij de vergunning van 28 april 2015 vergunde waterloop 9 zou worden voorzien van twee dammen met niet doorvaarbare duikers, zodat [appellant A] en anderen ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat zij deze waterloop hadden kunnen gebruiken om met een vrije doorvaart het achterliggende gebied te bereiken. [appellant A] en anderen hebben deze conclusie van de rechtbank niet gemotiveerd bestreden. De rechtbank heeft verder over de vismigratie/visstand terecht geoordeeld dat daarin geen voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang van [appellant A] en anderen is gelegen dat hen in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat maakt dat hun belangen rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken.

De door [appellant A] en anderen gestelde aantasting van de funderingen van hun woningen door de cumulatie van verdere waterpeilverlagingen, kan gelet op het voorgaande in ieder geval niet worden geacht een gevolg te zijn van het besluit van 13 juni 2017, nu dit besluit slechts daartoe verleende toestemmingen intrekt.

Het betoog dat op grond van het zogenoemde convenant uit 1991 alle bewoners binnen een straal van 500 m rondom het gebied waarop de vergunning ziet tot de kring van belanghebbenden bij het besluit behoren, volgt de Afdeling niet. Dit vergaderverslag is niet van belang voor de beoordeling van de vraag of [appellant A] en anderen als belanghebbenden bij het besluit van 13 juni 2017 kunnen worden aangemerkt.

10.3.     Ook het overigens door [appellant A] en anderen in hoger beroep aangevoerde leidt niet tot het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking komt.

Het betoog faalt.

11.    [appellant A] en anderen hebben in hoger beroep verder betoogd dat het Hoogheemraadschap bij de besluitvorming ten onrechte is uitgegaan van hoogten van het peil die feitelijk onjuist zijn. Daarnaast hebben zij gesteld dat [vergunninghouder] zonder vergunning dammen heeft gerealiseerd en daarbij tevens zonder vergunning bouw- en sloopafval heeft gestort.

Deze betogen vallen buiten de omvang van dit geding, nu dit uitsluitend de gewijzigde watervergunning tot onderwerp heeft. [appellant A] en anderen kunnen indien zij dit wensen, met betrekking tot de voormelde door hen genoemde omstandigheden bij het bevoegd gezag een verzoek om handhaving indienen.

Conclusie

12.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

13.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Jurgens    w.g. Bolleboom

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2019

641.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2:

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 2:14, tweede lid:

Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, geschiedt de verzending van berichten die niet tot een of meer geadresseerden zijn gericht, niet uitsluitend elektronisch.

Artikel 3:41, eerste lid:

De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Artikel 4:8, eerste lid:

Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

Artikel 6:7:

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

Artikel 6:8, eerste lid:

De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Artikel 6:11:

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 6:13:

Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Verordening elektronische bekendmaking Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2014

Artikel 1 (Begripsbepalingen), aanhef en onder c en f:

In deze verordening wordt verstaan onder:

c. bekendmaking: de wettelijk verplichte bekendmaking voor de inwerkingtreding van besluiten die niet tot een of meer (bekende) belanghebbenden zijn gericht, de wettelijk verplichte kennisgeving van ontwerpbesluiten alsmede overige wettelijk verplichte kennisgevingen, mededelingen dan wel aankondigingen en kennisgevingen waarvoor geen wettelijke plicht geldt;

f. elektronisch waterschapsblad: een door het dagelijks bestuur elektronisch uitgegeven blad dat voldoet aan de technische eisen zoals gesteld in de Regeling elektronische bekendmaking en beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden.

Artikel 2, eerste lid:

Iedere bekendmaking geschiedt uitsluitend in een elektronisch waterschapsblad, tenzij bij wet of regelgeving een andere wijze van bekendmaking is voorgeschreven.

Tweede lid:

Het elektronisch waterschapsblad is voor een ieder te raadplegen op www.overheid.nl.

Derde lid:

De bekendmaking in het elektronisch waterschapsblad is de rechtsgeldige bekendmaking.

Vierde lid:

Onverminderd het bepaalde in het eerste en het derde lid kan het dagelijks bestuur besluiten een bekendmaking ook te plaatsen in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature