< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 14 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk aan Aannemingscombinatie Leiderdorp B.V., voor zover hier van belang, een omgevingsvergunning verleend voor de nieuwbouw van 31 grondgebonden woningen in het plandeel De Voorhof in de wijk Boechorst te Noordwijk (hierna: het perceel) en besloten de op 18 april 2011 aan ACL verleende omgevingsvergunning in te trekken.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201808590/1/A1.

Datum uitspraak: 4 september 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Noordwijk,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 3 oktober 2018 in zaak nrs. 18/5154 en 18/5866 in het geding tussen:

onder meer [appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juni 2018 heeft het college aan Aannemingscombinatie Leiderdorp B.V. (hierna: ACL), voor zover hier van belang, een omgevingsvergunning verleend voor de nieuwbouw van 31 grondgebonden woningen in het plandeel De Voorhof in de wijk Boechorst te Noordwijk (hierna: het perceel) en besloten de op 18 april 2011 aan ACL verleende omgevingsvergunning in te trekken.

Bij uitspraak van 3 oktober 2018 heeft de rechtbank het door onder meer [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en ACL hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college en ACL hebben een zienswijze ingediend.

[appellant] en ACL hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2019, waar [appellant], vergezeld door [appellant] en [partij], bijgestaan door mr. S.T.J. Olierook, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Hobeijn, bijgestaan door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, zijn verschenen. Voorts is ACL, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    ACL is eigenaar van het perceel en wenst 31 grondgebonden woningen in een carré-vorm op het perceel te realiseren. Eerder was voor het perceel op 18 april 2011 omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 60 appartementen in een U-vorm. Deze appartementen zijn vanwege de crisis niet gerealiseerd en de daartoe verleende omgevingsvergunning is bij besluit van 14 juni 2018 ingetrokken.

Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Boechorst" omdat het gebouw gedeeltelijk op de bestemming "Verkeer" en gedeeltelijk buiten het bouwvlak zal worden gerealiseerd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarom heeft het met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo . De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het besluit van 14 juni 2018 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

[appellant] woont aan het Tamarijnslaantje in het nabijgelegen appartementencomplex Résidence Bronsgeest en heeft rechtstreeks zicht op de te realiseren woningen aan één zijde van de carré. Hij kan zich niet met de bouw van de woningen in deze vorm verenigen.

2.    De regelgeving die ten grondslag ligt aan de hierna volgende overwegingen, en die daarin niet is weergegeven, is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Bevoegdheid van het college

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was omgevingsvergunning te verlenen en dat het college geen verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad van Noordwijk behoefde te vragen. Hij voert aan dat het bouwplan niet voldoet aan de door de gemeenteraad bij besluit van 31 augustus 2011 aangewezen categorieën van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. De carré-vorm wijkt volgens hem af van de afspraken over de stedenbouwkundige opzet, te weten de U-vorm, die onder meer zijn opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan.

Het college en ACL betogen in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) buiten de omvang van het geding is getreden door te oordelen dat geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist. Zij voeren aan dat in beroep niet is betoogd dat het college ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen heeft gevraagd. Daarnaast betoogt ACL dat de rechtbank de rechtsgronden in strijd met artikel 8:69, tweede lid, van de Awb ambtshalve heeft aangevuld, omdat ambtshalve aanvulling van gronden alleen aan de orde is bij kwesties van openbare orde.

3.1.    Artikel 8:69 van de Awb luidt:

"1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.

[…]."

Artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) luidt:

"1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2. 12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

[…].

3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

[…]."

In het besluit van 31 augustus 2011 van de gemeenteraad zijn gevallen aangewezen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen is vereist (hierna: het aanwijzingsbesluit). Onder 1, categorie 3, van het aanwijzingsbesluit is bepaald dat geen verklaring van geen bedenkingen is vereist "indien de aangevraagde activiteit past binnen door de Raad vastgestelde stedenbouwkundige randvoorwaarden, een stedenbouwkundige visie of een daarmee te vergelijken (ruimtelijk) kader. De activiteit voldoet (tevens) aan alle van de volgende kenmerken:

- het plan is niet in strijd met de provinciale structuurvisie ruimtelijke ordening;

- het plan is niet in strijd met de provinciale verordening ruimte;

- de woningbouw past binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma;

- het plan heeft geen ingrijpende gevolgen voor de gemeente;

- deze categorie is ook van toepassing als door de raad al een krediet beschikbaar is gesteld voor de aangevraagde activiteit."

3.2.    In beroep is niet betoogd dat het college ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen heeft aangevraagd.

De Afdeling zal eerst de betogen van het college en ACL behandelen dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden en ten onrechte de rechtsgronden heeft aangevuld door in te gaan op de vraag of de rechtbank ambtshalve moet beoordelen of het college terecht geen verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad heeft gevraagd.

Uit artikel 6.5, eerste lid, van het Bor volgt dat het college de bevoegdheid toekomt om omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo indien de gemeenteraad heeft verklaard dat hij geen bedenkingen heeft tegen het project. Uit dit artikelonderdeel in samenhang bezien met artikelen 2.27 en 2.20a van de Wabo volgt dat het college in beginsel niet bevoegd is om omgevingsvergunning te weigeren of te verlenen en af te wijken van het bestemmingsplan, zonder de gemeenteraad om een verklaring van geen bedenkingen te vragen. Het is de gemeenteraad die gelet op zijn specialistische kennis of bestuurlijke verantwoordelijkheid beslissingsbevoegd is over dit aspect van de vergunning dat aan de beoordeling van het college is onttrokken. Hierop is een uitzondering mogelijk indien de gemeenteraad categorieën van gevallen heeft aangewezen waarin een verklaring niet is vereist.

In dit geval heeft het college de gemeenteraad niet gevraagd om een verklaring van geen bedenkingen te verlenen, omdat het van oordeel was dat het project past binnen het aanwijzingsbesluit. De vraag is derhalve of het college terecht geen verklaring van geen bedenkingen heeft gevraagd en of als gevolg daarvan het de bevoegdheid had om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen. De bevoegdheid van het college om omgevingsvergunning te verlenen betreft een kwestie van openbare orde en de rechtbank heeft dit punt dan ook terecht ambtshalve getoetst. De rechtbank is dan ook niet buiten de omvang van het geding getreden en er is geen strijd met artikel 8:69, tweede lid, van de Awb . Anders dan ACL stelt, gaat het niet om een beweerdelijk gebrek in de uitoefening van de bevoegdheid, zoals aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:487. De bevoegdheid om omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo bestaat immers pas nadat de verklaring van geen bedenkingen is gevraagd en is verleend. Voor zover het college ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2535, overweegt de Afdeling dat dit geen vergelijkbaar geval is. In die zaak, waar beroep was ingesteld tegen een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, was de vraag aan de orde of het eerst in beroep aangevoerde met betrekking tot de flora en fauna en het daarbij ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen zag op een afzonderlijk besluitonderdeel. In deze zaak is niet aan de orde dat eerst in beroep een afzonderlijke toestemming en besluitonderdeel wordt aangevochten, omdat in de zienswijzen al de omgevingsvergunning voor het strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerst lid, aanhef en onder c, van de Wabo is betwist.

De betogen van het college en ACL falen.

3.3.    Het college heeft zich in het besluit van 14 juni 2018 op het standpunt gesteld dat het bouwplan in lijn is met de stedenbouwkundige uitgangspunten zoals die voor de wijk Boechorst zijn vastgesteld in het Beeldkwaliteitsplan Boechorst van oktober 2000 (hierna: het beeldkwaliteitsplan). Bij het opstellen van het beeldkwaliteitsplan is uitgegaan van gestapelde woningen die gezamenlijk een hofje zouden vormen. In afwijking daarvan voorziet het bouwplan weliswaar in de bouw van grondgebonden woningen, maar de stedenbouwkundige invulling is zodanig, dat er nog immer sprake is van een hofje, aldus het college. De grondgebonden woningen zijn volgens het college zonder meer passend binnen de voor de wijk Boechorst gewenste stedenbouwkundige opzet. Het college stelt zich in het besluit verder gemotiveerd op het standpunt dat het bouwplan voldoet aan de overige onder categorie 3 opgenomen kenmerken.

3.4.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan onder categorie 3 van het aanwijzingsbesluit valt en dat het college geen verklaring van geen bedenkingen aan de gemeenteraad hoefde te vragen. In wat door [appellant] is aangevoerd in hoger beroep kan geen aanleiding voor een ander oordeel worden gevonden. Het college heeft in het besluit van 14 juni 2018 gemotiveerd en onweersproken toegelicht dat het bouwplan voldoet aan de stedenbouwkundige uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan en daarom past binnen door de gemeenteraad vastgestelde stedenbouwkundige randvoorwaarden, stedenbouwkundige visie of een daarmee te vergelijken (ruimtelijk) kader. Dat het bouwplan niet in een U-vormig gebouw voorziet en daarmee afwijkt van het ruimtelijk kader dat opgenomen is in de toelichting van het bestemmingsplan, maakt dat niet anders, gelet op het gebruik van het woord "of" in categorie 3 van het aanwijzingsbesluit.

Het betoog faalt.

3.5.    Uit het voorgaande volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen.

Vertrouwensbeginsel

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door de omgevingsvergunning te verlenen. Hij voert aan dat er tussen de gemeente Noordwijk en de Vereniging van Eigenaars Résidence Bronsgeest (hierna: VvE Bronsgeest) afspraken zijn gemaakt over de ontwikkeling van de locatie De Voorhof die gelden voor alle toekomstige bouwplannen. Volgens [appellant] is afgesproken dat op het perceel een U-vormig complex zou worden gebouwd. Verder zijn volgens hem afspraken gemaakt over de minimale afstand van de gevels van de woningen aan het Tamarijnslaantje en de beoogde bebouwing. Omdat de open zijde van het complex naar de woning van [appellant] gericht zou zijn, zou de afstand van de gevel van zijn woning tot de gevel van het appartementencomplex 70 m bedragen. Ter onderbouwing verwijst hij naar een brief van 5 april 2006 van F. Koiter, destijds projectleider Boechorst van de gemeente Noordwijk. [appellant] stelt dat, omdat in deze brief wordt verwezen naar uitlatingen van een wethouder van de gemeente Noordwijk die gedaan zijn tijdens de bespreking van het aangepaste stedenbouwkundig verkavelingsplan voor De Voorhof in de Raadscommissie, hij mocht veronderstellen dat Koiter de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Bovendien zijn de gemaakte afspraken over de stedenbouwkundige opzet, te weten een U-vormig gebouw met een open binnenterrein, in de toelichting van het bestemmingsplan bevestigd. Daarbij verwijst [appellant] onder meer naar de in de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen beantwoording van de zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan "Boechorst". De gemeenteraad bevestigt in het antwoord op de zienswijze van [persoon] dat de gemaakte afspraken op juiste wijze zijn weergegeven in de brief van 2 februari 2007 van de VvE Bronsgeest. Volgens [appellant] staat in de brief van 2 februari 2007 onder meer dat het appartementencomplex op het perceel een U-vorm zal hebben. Daarnaast wijst hij er op dat in het bestemmingsplan op de verbeelding een U-vormig bouwvlak is opgenomen.

4.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, dient, om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend.

4.2.    De brief van 5 april 2006 is gericht aan de VvE Bronsgeest. In de brief staat: "Bij de bespreking van het aangepaste stedenbouwkundige verkavelingsplan voor De Voorhof in de Raadscommissie is door de wethouder aangegeven, dat over het architectonische ontwerp voor De Voorhof overleg zal worden gepleegd met de bewoners van de Résidence Bronsgeest. In dit overleg tussen de bewoners en de architect zullen de mogelijkheden worden besproken het plan aan te passen aan de wensen van de bewoners van Résidence Bronsgeest. Hierbij wordt de capaciteit van het plan niet verkleind en blijft de globale stedenbouwkundige opzet (U-vorm) in stand. Deze afspraken zijn met de ontwikkelaar afgestemd en hij heeft zich akkoord verklaard om binnen de mogelijkheden van de markt en de techniek hieraan mee te werken."

Ongeacht of met de brief van 5 april 2006 vertrouwen richting [appellant] is gewekt, die destijds nog geen bewoner aan het Tamarijnslaantje was, heeft [appellant] met deze brief niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een toezegging als bedoeld onder 4.1. Weliswaar bevat deze brief een toezegging dat de globale stedenbouwkundige opzet in stand zal blijven, maar aan die toezegging is in de brief van 5 april 2006 ook het voorbehoud verbonden dat de ontwikkelaar zal meewerken binnen de mogelijkheden van de markt. In deze brief is, anders dan [appellant] stelt, verder niet toegezegd dat alle toekomstige bebouwing op de locatie De Voorhof alleen in een U-vorm gebouwd mag worden. Bovendien zijn de gemaakte afspraken wel nagekomen, omdat op 18 april 2011 omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een U-vormig gebouw met 60 woningen. De omgevingsvergunning voor het nieuwe bouwplan is aangevraagd, omdat de woningen van het bij besluit van 18 april 2011 vergunde bouwplan niet verkoopbaar bleken en dat plan derhalve niet binnen de mogelijkheden van de markt paste.

Voor zover [appellant] stelt een toezegging te kunnen ontlenen aan de op de verbeelding ingetekende U-vorm en aan de toelichting op het bestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat het bepaalde in de planregels en verbeelding of plantoelichting niet op één lijn kan worden gesteld met een toezegging als bedoeld onder 4.1, omdat in het bestemmingsplan ruimtelijke regels zijn opgenomen waarvan het college op grond van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo gemotiveerd kan afwijken. Dat geldt evenzeer voor de in de toelichting op het bestemmingsplan opgenomen reactie van de gemeenteraad op de zienswijze van [persoon], waarin verwezen wordt naar de brief van 2 februari 2007. Voor zover [appellant] daarmee bedoelt te betogen dat de afspraken in de brief van 2 februari 2007 een toezegging inhoudt omdat in de reactie van de gemeenteraad is vermeld dat er overleg heeft plaatsgevonden met de VvE Bronsgeest en dat de daaruit volgende afspraken door de VvE Bronsgeest zijn weergegeven in haar brief van 2 februari 2007, volgt de Afdeling [appellant] niet. In die brief heeft de VvE Bronsgeest aangegeven met een bepaalde bouwmassa in te kunnen stemmen indien aan een aantal afspraken tegemoet wordt gekomen. De afspraken zien niet op de vorm van de toekomstige bebouwing. In de brief van 2 februari 2007 staat wél dat de diepte van het binnenterrein naar verwachting circa 70 m zal bedragen, maar dat het mede afhankelijk is van de verdere uitwerking van het ontwerp. De afspraak dat de diepte van het binnenterrein 70 m zou bedragen, is gemaakt onder voorbehoud en kan derhalve niet worden aangemerkt als een toezegging. Voor zover [appellant] aanvoert dat uit de door hem ingediende nadere stukken, waaronder de mail van 4 december 2006 van de heer Koiter aan ACL, zou volgen dat toezeggingen zijn gedaan dat met betrekking tot alle toekomstige bebouwing op de locatie De Voorhof er alleen omgevingsvergunning zal worden verleend voor bebouwing met een U-vorm en een open binnenterrein met bepaalde afstanden tussen de gevels van de woningen, kan dit betoog niet slagen. Deze stukken hebben betrekking op de voorgenomen bouwtekeningen en notities die uiteindelijk hebben geleid tot de omgevingsvergunning van 18 april 2011 en zien niet op toekomstige bouwplannen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen.

Het betoog faalt.

Belangenafweging

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet alle bij het besluit van 14 juni 2018 betrokken belangen heeft afgewogen, omdat de gemaakte afspraken niet zijn meegenomen in de belangenafweging. Het college had de afspraken die gemaakt zijn met de VvE Bronsgeest moeten meewegen in de besluitvorming, aldus [appellant].

5.1.    De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van het college. Het college heeft daarbij beleidsruimte en de rechter moet zich beperken tot de vraag of het college in dit geval in redelijkheid heeft kunnen besluiten de omgevingsvergunning te verlenen.

5.2.    Het college heeft de belangen van ACL bij het realiseren van de 31 woningen zwaarder laten wegen dan de belangen van [appellant]. Daarbij heeft het zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan geen strijd oplevert met het burenrecht, dat de privacy van [appellant] en de andere bewoners van Résidence Bronsgeest gewaarborgd blijft omdat de afstand tussen de gevels minimaal 23 m is en sprake is van laagbouw van maximaal 11 m hoog en dat geen sprake is van onevenredige vermindering van zonlicht. Verder stelt het zich op het standpunt dat met het bouwplan in vergelijking met het oude, eerder vergunde, bouwplan het aantal woningen nagenoeg wordt gehalveerd, dat de woningen 1 tot 6 m lager worden en dat het complex ruimtelijker is opgezet dan bij het eerdere bouwplan. Daarnaast heeft het college zich in de Nota van beantwoording zienswijzen op het standpunt gesteld dat slechts voor een beperkt aantal adressen aan het Tamarijnslaantje geldt dat zij bij het oude bouwplan in de U-vorm zouden kijken en de afstand tot de gevel zo’n 70 m zou zijn. Daarom wordt met het nieuwe bouwplan slechts voor een beperkt aantal omwonenden de afstand tot de gevel van 70 m naar 23 m gewijzigd. Voor de overige omwonenden geldt dat de bebouwing van het nieuwe bouwplan precies op de bouwgrens komt van het bestemmingsplan en daardoor de afstand tot de gevel in die gevallen niet gewijzigd wordt. De rechtbank heeft gezien deze motivering terecht overwogen dat het college in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen van ACL dan de belangen van [appellant]. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de afspraken met de VVE Bronsgeest had moeten meewegen in de belangenafweging.

Het betoog faalt.

Welstand

6.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat hij gemotiveerd heeft betwist dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Hij voert aan dat het bouwplan niet voldoet aan het criterium uit de Welstandsnota 2014 van Noordwijk (hierna: de Welstandsnota) dat gebouwen qua ligging deel uit moeten maken van het stedenbouwkundig patroon en dat daarbij het bestemmingsplan leidend is. Omdat het bouwplan in afwijking van het stedenbouwkundig patroon van het bestemmingsplan een carré-vorm heeft, is het in strijd met redelijke eisen van welstand, aldus [appellant]. Daarnaast heeft de Welstandscommissie gesteld dat het bouwplan afwijkt van het "Beeldkwaliteitsplan Boechorst". Het college kan daarom niet volstaan met een enkele verwijzing naar het stempeladvies van de Welstandscommissie, aldus [appellant].

6.1.    Het college heeft onder verwijzing naar het positieve stempeladvies van de Stichting Dorp, Stad en Land van 5 september 2017 zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3193, kan een college, in geval van een positief stempeladvies van een welstandcommissie, niet volstaan met de enkele verwijzing naar dat advies, indien de desbetreffende appellant in zijn zienswijze gemotiveerd heeft uiteengezet dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. [appellant] heeft in zijn zienswijze niet gemotiveerd betwist dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Anders dan [appellant] ter zitting heeft gesteld, kan een betwisting niet worden afgeleid uit de zin uit de zienswijze van [appellant] dat de afstand tot de gevel van de voorziene woningen slechts 23 m zal betreffen. Daarom kon het college ten tijde van het besluit van 14 juni 2018 voor de motivering van zijn welstandsoordeel volstaan met een verwijzing naar het stempeladvies.

6.2.    [appellant] betoogt echter terecht dat de rechtbank heeft miskend dat hij in beroep gemotiveerd heeft betwist dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. [appellant] heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat het bouwplan zich naar zijn aard niet verdraagt met de omliggende bebouwing en ruime opzet van het plan Boechorst, omdat de zijde van de carré dicht op het Tamarijnslaantje is gelegen. Dit kan echter, gelet op het navolgende, niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het college heeft toegelicht dat de Welstandscommissie bij de welstandsbeoordeling van het bouwplan rekening heeft gehouden met de bereidheid van het college om aan de afwijking van het bestemmingsplan medewerking te verlenen. Het college heeft daarnaast toegelicht dat de Welstandscommissie het bouwplan heeft getoetst aan de gebiedscriteria en de algemene criteria van de Welstandsnota en tot de conclusie is gekomen dat deze criteria zich niet verzetten tegen het bouwplan. Dit heeft [appellant] niet betwist. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Het betoog faalt.

Alternatieven

7.    Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college met een alternatief bouwplan een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren bereikt had kunnen worden, overweegt de Afdeling als volgt.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college dient te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor een project, waarvoor vergunning is gevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3247. Het oude bouwplan kan niet als een dergelijk alternatief worden aangemerkt, alleen al omdat de woningen niet verkoopbaar bleken. [appellant] heeft in hoger beroep geen andere alternatieven naar voren gebracht.

Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het incidenteel hoger beroep van het college en ACL is ongegrond. Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Steendijk

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2019

414-884.

 

BIJLAGE

 

Bestemmingsplan "Boechorst"

Artikel 12 Wonen - 3

Artikel 12.2 luidt:

"Op en onder de in lid 1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat gebouwen slechts zijn toegestaan binnen de aangegeven bouwvlakken."

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1 luidt:

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…],

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]."

Artikel 2.12 luidt:

"1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

[…]."

Artikel 2.20 a luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd."

Artikel 2.27 luidt:

"1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

[…]."


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature