< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 8 januari 2018 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Literatuurwijk" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) vastgesteld (hierna: het besluit hogere waarden).

Uitspraak



201900414/1/R1.

Datum uitspraak: 10 juli 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B] en [appellante C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend dan wel gevestigd te Almere,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Almere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2018 heeft het college ten behoeve van het bestemmingsplan "Literatuurwijk" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) vastgesteld (hierna: het besluit hogere waarden).

Bij besluit van 15 november 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Literatuurwijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2019, waar [appellant], bij monde van [appellant B], en de raad, vertegenwoordigd door M.P. Kriele, G.J. van de Bovenkamp en A.M. Kraaijeveld, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting De Binderij 65 B.V en Ertg Vastgoed B.V., beide bijgestaan door mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan betreft een actualisatie van de planologische regeling voor het woongebied Literatuurwijk. Tevens voorziet het plan in de transformatie van het bedrijventerrein De Binderij naar gemengd woon- werkgebied met maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening. Aan de bestaande kantoorpanden aan De Binderij 65 en De Binderij 67 (hierna: De Binderij 65-67) wordt de bestemming "Gemengd - 5" toegekend, zodat op grond van artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder l, van de planregels de percelen aan De Binderij 65-67 bestemd zijn voor wonen.

2.    [appellant] woont, respectievelijk is gevestigd binnen het plangebied aan [locatie] te Almere. Hij kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Gemengd - 1" en het plandeel met de bestemming "Gemengd - 5", omdat hij onder andere vreest voor verkeers- en parkeeroverlast en een beperking van zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden.

Het beroep tegen het besluit hogere waarden

Ontvankelijkheid

3.     Het college stelt dat het beroep van [appellant] tegen het besluit hogere waarden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat hij geen belanghebbende is bij dat besluit.

3.1.    Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

3.2.     Het besluit tot vaststelling van hogere waarden is een noodzakelijke voorwaarde om de bouw van woningen binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 5" mogelijk te maken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:630, zijn bij een dergelijk besluit rechtstreeks de belangen betrokken van iedere persoon die door de realisering van de voorgenomen activiteit rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. Nu het bedrijf en de woning van [appellant] aan [locatie] op korte afstand van de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 5" zijn gesitueerd, wordt [appellant] in zoverre rechtstreeks in zijn belangen geraakt door de realisering van de woningen en derhalve eveneens door de vaststelling van het besluit hogere waarden voor deze woningen.

3.3.    De conclusie is dat de [appellant] belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, beroep kan instellen. Gelet hierop is het beroep van [appellant] ontvankelijk.

Het besluit hogere waarden

4.    [appellant] betoogt dat het college ten onrechte een hogere waarde van 54 dB heeft vastgesteld voor de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 5" in verband met de geluidbelasting vanwege de Hollandsedreef en de Flevolijn.

4.1.      Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

4.2.    De hoofdstukken V en VI van de Wgh bevatten een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone rond een industrieterrein of een zone langs een weg, ter zake van de geluidbelasting vanwege het industrieterrein of de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woningen is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woningen een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woningen.

    De regelingen in de Wgh strekken ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege het industrieterrein of de weg maximaal mag optreden. Deze regeling strekt daarmee, zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1411, tot bescherming van de bewoners van de te bouwen woningen. Bij besluit van 8 januari 2018 heeft het college voor de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 5" hogere waarden vastgesteld. [appellant] woont, respectievelijk is gevestigd aan [locatie] in de directe omgeving van de te bouwen woningen. [appellant] is geen eigenaar van een van de woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld en niet is gebleken van concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van de voorziene woningen. Onder deze omstandigheden strekt de regeling van de Wgh naar het oordeel van de Afdeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant]. Gelet op artikel 8:69a van de Awb kan hetgeen [appellant] aanvoert over het besluit tot vaststelling van hogere waarden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd.

4.3.    Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit hogere waarden, is ongegrond.

Het beroep tegen het bestemmingsplan

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beperking bedrijfsvoering

6.    [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" heeft toegekend aan zijn perceel, omdat het leidt tot een beperking van de bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf. Voorts is een woonfunctie op een korte afstand van zijn perceel niet verenigbaar met de bedrijfsvoering, aldus [appellant].

6.1.    De Afdeling stelt vast dat het metaalbedrijf ter plaatse van het perceel van [appellant] behoort tot milieucategorie 3.2 als bedoeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten VNG 2009. Voorts stelt de Afdeling vast dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "2J" ter plaatse van het perceel van [appellant] bedrijven tot en met categorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten waren toegestaan.

    De raad wijst erop dat geen sprake is van een verlaging van de maximaal toegestane milieucategorie ten opzichte van het voorheen geldende plan. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voor de toegestane bedrijfsactiviteiten van [appellant] een beperking van de maximaal toegestane milieucategorie geldt.

6.2.    Verder heeft de raad wat betreft de afstand van de voorziene woningen tot het bedrijf van [appellant] toegelicht dat het bedrijf van [appellant] in milieucategorie 3.2 valt. Op basis van de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009 (hierna: de VNG-brochure) kan de richtafstand in het omgevingstype "gemengd gebied" met één stap naar beneden worden bijgesteld, zodat de richtafstand 50 m bedraagt.

    Gelet op de ligging van het plangebied nabij de zogenoemde Flevolijn, woningen, winkels en bedrijvigheid heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling uit mogen gaan van de richtafstand die geldt voor het omgevingstype "gemengd gebied" in de zin van de VNG-brochure. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen het perceel aan [locatie] en het perceel aan De Binderij 65-67 ongeveer 80 m bedraagt, zodat aan de richtafstand uit de VNG-brochure wordt voldaan. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse van het perceel aan [locatie] geen sprake zal zijn van een onevenredige belemmering van de bedrijfsvoering als gevolg van de voorziene woningen binnen het plandeel met de bestemming

"Gemengd - 5".

    Het betoog faalt.

Verkeer

7.    [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte het rapport "Akoestisch onderzoek bestemmingsplan Literatuurwijk beoordeling woon- en leefklimaat De Binderij 65 en 67 vanwege verkeer op De Binderij" van 26 juni 2017 (hierna: het verkeersonderzoek), aan het besluit tot het vaststellen van het plan ten grondslag heeft gelegd. Hiertoe voert hij aan dat bij de berekening van de verkeersbewegingen op De Binderij wordt uitgegaan van onjuiste tellingen.

    Voorts voert [appellant] aan dat onduidelijk is of de ontsluitingsweg de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan kan verwerken en onduidelijk is wat de gevolgen van de voorziene woningen zijn voor deze verkeersbelasting.

7.1.    De raad heeft onderzoek verricht naar de geluidbelasting op De Binderij 65-67 vanwege verkeer op De Binderij, waarbij gedurende twee weken verkeerstellingen zijn uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het verkeersonderzoek. Wat betreft de verkeerstellingen heeft de raad toegelicht dat gebleken is dat het in de praktijk voor kan komen dat bij een snelheid van minder dan 10 km/per uur een truck gemeten wordt als zware bestelwagen en/of als auto, zodat de totale aantallen van de mechanische telling wel kloppen met de werkelijkheid maar de verdeling van de aantallen binnen de verschillende categorieën voertuigen mogelijk niet geheel klopt. In het verkeersrapport staat dat om die reden is afgesproken om op basis van een inventarisatie van het aantal middelzware en zware verkeersbewegingen de berekeningen nogmaals uit te voeren en de aantallen geprognostiseerde voertuigbewegingen vanwege de te realiseren woningen in de berekeningen mee te nemen. Om het aantal middelzware en zware verkeersbewegingen te inventariseren zijn enquêtes afgenomen onder bedrijven en ondernemers in de omgeving. Op basis van de verkregen verkeersgegevens, de toekomstige toename van verkeer vanwege de verkeersaantrekkende werking door de realisatie van woningen aan De Binderij 65-67 en een inventarisatie van het aantal middelzware en zware verkeersbewegingen bij relevante bedrijven op De Binderij zijn de uiteindelijke verkeersgegevens bepaald, aldus de raad. De conclusie van het verkeersonderzoek luidt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op De Binderij ter plaatse van De Binderij 65-67 en Multatuliweg 2 voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. [appellant] heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor twijfel aan de conclusie in het verkeersonderzoek.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek naar de geluidbelasting op De Binderij 65-67 vanwege verkeer op De Binderij, waarbij verkeerstellingen zijn uitgevoerd, niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de resultaten daarvan niet aan het plan ten grondslag mochten worden gelegd.

7.2.    Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat onduidelijk is of de ontsluitingsweg de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan kan verwerken, overweegt de Afdeling als volgt. In paragraaf 5.2 van de plantoelichting staat dat de panden aan De Binderij 65-67 worden ontsloten via de bestaande in- en uitritten aan De Binderij. De raad heeft aangegeven dat de bestaande verkeersintensiteit op De Binderij maximaal 1.000 motorvoertuigen per etmaal bedraagt en de bestaande verkeersstructuur daarvoor toereikend is. Het aantal verkeersbewegingen is vergelijkbaar met het aantal verkeersbewegingen in een rustige woonwijk. Voorts heeft de raad erop gewezen dat de verkeersgeneratie als gevolg van de functiewijziging ter plaatse van De Binderij 65-67 tussen 150 en 180 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. Gelet op dit relatief geringe aantal verkeersbewegingen, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van deze extra verkeersbewegingen geen onaanvaardbare verkeerssituatie op de ontsluitingsweg zal ontstaan.

    Het betoog faalt.

Parkeren

8.    [appellant] betoogt dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen op De Binderij. Hij voert daartoe aan dat de raad bij het onderzoek naar de parkeerbehoefte als gevolg van de voorziene ontwikkeling binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 5" van een onjuiste parkeernorm is uitgegaan. In dit verband voert hij voorts aan dat binnen het bedrijventerrein De Binderij de verplichting te parkeren op eigen terrein vervalt.

8.1.    Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder z, van de planregels luidt:

"De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

z. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de parkeernormen, als bedoeld in Bijlage 4 Lijst van parkeernormen èn in voldoende laad- en losruimte;"

    Artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder o, w en x, van de planregels luidt:

"De voor 'Gemengd - 5' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

o. parkeervoorzieningen en verblijfsgebied;

[…]

onder de voorwaarde dat:

w. een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van bouwwerken en gronden slechts wordt verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de parkeernormen, als bedoeld in Lijst van parkeernormen èn in voldoende laad- en losruimte;

waarbij:

x. de in lid w. bedoelde parkeergelegenheid voor het parkeren van auto's afmetingen moet hebben, die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien de afmetingen bij langsparkeren tenminste 2 m breed bij 5,5 m lang (waarbij de eerste en laatste parkeerplaats 6 m lang zijn) en bij andere parkeervormen (b.v. haaksparkeren) tenminste 2,5 m breed en 5 m lang bedragen."

8.2.    De raad heeft toegelicht dat bij de ontwikkeling van de Literatuurwijk parkeren op eigen terrein als uitgangspunt is genomen en een gemiddelde parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning wordt gehanteerd. Volgens de raad komt de parkeerbehoefte hiermee neer op 38 tot 42 parkeerplaatsen bij De Binderij 65 en 30 parkeerplaatsen bij De Binderij 67.

    In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad deze parkeernorm niet heeft mogen hanteren ten aanzien van de voorziene ontwikkeling binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 5". Daarbij is in aanmerking genomen dat de raad heeft toegelicht dat bij De Binderij 67 voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein zijn en bij De Binderij 65 de mogelijkheid bestaat om het naastgelegen stuk grond te kopen ten behoeve van de realisatie van de benodigde parkeerplaatsen. Voorts neemt de Afdeling hierbij in ogenschouw dat op grond van artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder w, van de planregels een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van bouwwerken en gronden slechts wordt verleend indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de parkeernormen. [appellant] heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de parkeerdruk binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd - 5" zodanig zal toenemen als gevolg van het plan, dat de raad dit onaanvaardbaar had moeten achten.

    Voor zover [appellant] betoogt dat binnen het bedrijventerrein De Binderij de verplichting te parkeren op eigen terrein vervalt, mist dat betoog feitelijke grondslag. Uit de plantoelichting en uit artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder z, van de planregels volgt immers dat bij de voorziene ontwikkelingen op eigen terrein moet worden voorzien in voldoende mogelijkheden voor parkeren. Wat betreft het betoog van [appellant] over de bestaande parkeerproblematiek overweegt de Afdeling dat, daargelaten de omstandigheid dat [appellant] daarover geen concrete gegevens heeft overgelegd, het bestemmingsplan slechts hoeft te voorzien in een oplossing voor de parkeerbehoefte die uit het plan voortvloeit en niet hoeft te voorzien in een oplossing voor een bestaand parkeerprobleem.

    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende parkeerplaatsen voor de te realiseren woningen beschikbaar zullen zijn en zich geen parkeerproblemen zullen voordoen ten gevolge van het plan.

    Het betoog faalt.

Planschade

9.    [appellant] betoogt dat hij als gevolg van het plan schade lijdt. Hiertoe voert hij aan dat binnen het bedrijventerrein De Binderij de verplichting te parkeren op eigen terrein vervalt en de realisatie van woningen in de nabijheid van zijn bedrijf negatieve invloed heeft op de verkoopbaarheid van zijn pand aan [locatie].

9.1.    De Afdeling overweegt dat wat er ook zij van de nadelige invloed van het plan op de verkoopbaarheid van het pand aan [locatie], geen grond bestaat voor het oordeel dat die invloed op de verkoopbaarheid zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een zwaarder gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Voorts overweegt de Afdeling dat voor eventuele tegemoetkoming in planschade een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden bestaat. Bezwaren daarover kunnen in de onderhavige bestemmingsplanprocedure niet aan de orde komen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Het beroep, voor zover gericht tegen het bestemmingsplan, is ongegrond.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

w.g. Pans    w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2019

191-889.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature