< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 22 juli 2016 heeft het college zijn beslissing om op 12 juli 2016 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, € 125,00, voor rekening van [opposante] komen.

Uitspraak



201705439/1/A1 en 201705439/3/A1.

Datum uitspraak: 21 november 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht , hierna: Awb ) van:

[opposante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2018 in zaak nr. 201705439/2/A1,

en met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb , uitspraak op het beroep van:

[opposante],

in het geding tussen:

[opposante],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2016 heeft het college zijn beslissing om op 12 juli 2016 wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen spoedeisende bestuursdwang toe te passen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, € 125,00, voor rekening van [opposante] komen.

Bij besluit van 6 oktober 2016 heeft het college het door [opposante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [opposante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 30 maart 2018 in zaak nr. 201705439/2/A1 heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [opposante] verzet gedaan.

De Afdeling heeft het verzet ter zitting behandeld op 2 oktober 2018.

Overwegingen

Verzet tegen de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2018 in zaak nr. 201705439/2/A1

1.    Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb , betreft uitsluitend de vraag of de Afdeling ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van [opposante] tegen de uitspraak van 30 maart 2018.

2.    Artikel 8:54 van de Awb luidt:

"Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:

[…]

b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,

[…]

2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid. "

Artikel 8:55 luidt:

"1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.

[…]

9. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

10. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, kan hij tevens uitspraak doen op het beroep, mits:

a. nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, en

b. de partijen in de gelegenheid zijn gesteld op een zitting te worden gehoord en daarbij zijn gewezen op de bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep."

3.    In de uitspraak waar [opposante] verzet tegen heeft gedaan, heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op een schermafdruk van het postregistratiesysteem Octopus, aannemelijk is dat het besluit van 6 oktober 2016 op diezelfde dag is verzonden. Aangezien [opposante] op 3 juli 2017 beroep heeft ingesteld, is haar beroep te laat en daarom niet-ontvankelijk verklaard.

4.    [opposante] betoogt dat zij het besluit van 6 oktober 2016 niet heeft ontvangen en pas op de hoogte raakte van dit besluit, toen zij op 8 juni 2017 een dwangbevel tot betaling ontving. [opposante] betoogt in verzet dat de Afdeling niet heeft onderkend dat de overgelegde schermafdruk van het postregistratiesysteem Octopus niet aantoont dat het besluit daadwerkelijk met de post is verzonden. Zij voert aan dat niet aannemelijk is dat het besluit is verzonden, omdat in het postregistratiesysteem dat het college gebruikt, alleen wordt geregistreerd dat een brief wordt uitgeprint, maar niet wat daarna met die brief gebeurt.

4.1.    Artikel 6:7 van de Awb luidt:

"De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken".

Artikel 6:8, eerste lid, luidt:

"De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt".

Artikel 3:41, eerste lid, luidt:

"De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager."

4.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is het, indien de geadresseerde stelt dat deze een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan vooralsnog kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient geen sprake te zijn van recente problemen bij de verzending van post. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen; voldoende is dat op grond van hetgeen deze aanvoert ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

4.3.    De beroepstermijn begint de dag nadat het besluit is verzonden. In geschil is of het college het besluit van 6 oktober 2016 op die dag zelf heeft verzonden. Vast staat en ook niet in geschil is dat het besluit niet aangetekend is verzonden en dat op het besluit het juiste adres staat.

Het besluit is niet voorzien van een verzenddatum en er is geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Het college heeft schermafdrukken overgelegd van het gebruikte postregistratiesysteem Octopus. Volgens het college houdt dit systeem in dat wanneer het besluit wordt geprint om dezelfde dag ter verzending per post aan te bieden, de datum van verzending automatisch wordt ingevuld. Tevens gaat dan direct een kopie van het ondertekende en per post aangeboden besluit naar het cluster dat het besluit heeft opgesteld. Op de schermafdrukken is vermeld dat het besluit op 6 oktober 2016 is verzonden. [opposante] heeft terecht aangevoerd dat deze schermafdrukken alleen aantonen dat het besluit is geprint, maar daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat het besluit ook daadwerkelijk is verzonden. Gelet op het voorgaande heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat het besluit op 6 oktober 2016 aan [opposante] is verzonden. Het college heeft op 8 juni 2017 alsnog het besluit aan [opposante] verzonden. De beroepstermijn is daarom op 9 juni 2017 begonnen en liep tot en met 20 juli 2017. [opposante] heeft op 3 juli 2017 beroep ingesteld. Dit is binnen de beroepstermijn en daarom op tijd.

Gelet op het voorgaande heeft de Afdeling ten onrechte geoordeeld dat het beroep van [opposante] kennelijk niet-ontvankelijk was en het daarom niet nodig was om de zaak op een zitting te behandelen.

Het betoog slaagt.

5.    Het verzet is gegrond, waaruit volgt dat de uitspraak van 30 maart 2018 komt te vervallen.

6.    De Afdeling ziet op na te melden wijze aanleiding voor vergoeding van de proceskosten die zijn gemaakt voor de verzetprocedure.

Beroep van [opposante] tegen het besluit van 6 oktober 2016

7.    De Afdeling is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en doet daarom met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb opnieuw uitspraak op het beroep van [opposante].

8.    Op 12 juli 2016 is aan de Martinus Steijnstraat in Rotterdam ter hoogte van nummer 4 een vuilniszak aangetroffen. Deze vuilniszak is in strijd met artikel 10 van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009, in samenhang met artikel 6 van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffen Rotterdam 2009, niet in maar naast een container geplaatst. In de vuilniszak zijn twee poststukken gevonden met daarop de naam en het adres van [opposante]. Het college heeft de vuilniszak met toepassing van spoedeisende bestuursdwang verwijderd en de kosten daarvan bij besluit van 22 juli 2016, gehandhaafd bij besluit van 6 oktober 2016, voor rekening van [opposante] laten komen.

9.    [opposante] betoogt dat zij de aangetroffen vuilniszak niet ter inzameling heeft aangeboden. Zij voert aan dat het mogelijk is dat het poststuk op een verkeerd adres is bezorgd en dat zodoende een stuk met haar adres in de vuilniszak terecht kan zijn gekomen. [opposante] voert verder aan dat zij de container aan de Martinus Steijnstraat, ter hoogte van nummer 4, nooit gebruikt, omdat deze op 9 minuten loopafstand van haar woning staat, zij al 63 jaar is en er in de tussenliggende straten andere containers staan waar zij gebruik van kan maken.

9.1.    Artikel 5:25, eerste lid, van de Awb luidt:

"De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

Artikel 5:1, tweede lid, luidt:

"Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

In de regel zal mogen worden aangenomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is. Dit geldt echter niet indien diegene aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden.

10.    Vast staat dat de aangetroffen vuilniszak onjuist is aangeboden, omdat deze niet in maar naast de container is geplaatst. In de vuilniszak zijn twee poststukken aangetroffen, waarop de naam- en adresgegevens van [opposante] zijn vermeld. De vuilniszak kan derhalve tot haar worden herleid. De enkele omstandigheid dat [opposante] op een loopafstand van ongeveer 9 minuten woont van de plek waar de vuilniszak is aangetroffen, is voorts op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te achten dat zij niet degene is geweest die de vuilniszak op onjuiste wijze ter inzameling heeft aangeboden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1014). [opposante] heeft geen bijkomende omstandigheden aangevoerd waarmee zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij de afstand van haar woning naar de plek waar de vuilniszak is aangetroffen niet kon overbruggen. De omstandigheid dat op kortere afstand van haar woning andere containers staan en de omstandigheid dat [opposante] 63 jaar is, zijn daarvoor onvoldoende. [opposante] heeft voorts geen omstandigheden aangevoerd waarmee zij aannemelijk heeft gemaakt dat de in de vuilniszak aangetroffen poststukken op een ander adres zijn bezorgd, een derde deze poststukken in de vuilniszak heeft gedaan en deze vuilniszak naast de container heeft geplaatst.

Gelet op het voorgaande heeft het college [opposante] als overtreder mogen aanmerken en de kosten van het verwijderen van de vuilniszak op haar mogen verhalen.

Het betoog faalt.

11.    Het beroep is ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling voor de gemaakte kosten in beroep bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het verzet gegrond;

II.    verklaart het beroep ongegrond;

III.    verstaat dat de griffier de door [opposante] gemaakte proceskosten voor het verzet van € 250,50 (zegge: tweehonderdvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2018

190-811.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature