< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Uitspraak



Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht. 201705053/1/V1.

Datum uitspraak: 16 mei 2018

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 mei 2017 in zaak nr. 17/2488 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 10 januari 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 mei 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2018, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F.A van den Berg, advocaat te Middelburg, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en mr. J.E.J. ten Berg, zijn verschenen.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De vreemdeling is, naar gesteld, geboren op 1 juli 1994 en beoogt verblijf bij de referent, met wie zij stelt in Eritrea kerkelijk te zijn gehuwd. De referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Besluit

3.    De staatssecretaris heeft de aanvraag onder verwijzing naar paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) afgewezen omdat de vreemdeling haar identiteit en de familierechtelijke relatie met de referent niet heeft aangetoond met officiële documenten. De staatssecretaris heeft erop gewezen dat uit het Algemeen ambtsbericht Eritrea van het ministerie van Buitenlandse Zaken van juli 2015 (hierna: het ambtsbericht 2015) volgt dat de Eritrese autoriteiten identificerende documenten verstrekken en dat identiteitskaarten toegang geven tot allerlei procedures, overheidsvoorzieningen en overheidsdiensten en vereist zijn voor het maken van binnenlandse reizen. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in bewijsnood verkeert. Haar verklaring dat zij geen officiële documenten nodig had omdat zij op het platteland woonde, is volgens de staatssecretaris geen aannemelijke verklaring voor het niet in het bezit hebben van officiële documenten.

    Daarnaast heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat zij een rechtsgeldig huwelijk heeft. Zij heeft weliswaar een kerkelijke huwelijksakte overgelegd maar geen officiële documenten waaruit blijkt dat haar huwelijk is ingeschreven in het familieregister van de Kebabi-autoriteiten (hierna: het Kebabi-register). Volgens de staatssecretaris is dit een vereiste voor rechtsgeldigheid van een Eritrees kerkelijk huwelijk.

3.1.    In het ambtsbericht 2015 is het volgende vermeld (blz. 29-30).

    "Volgens de Noren waren travel permits voor Eritreeërs niet meer onontbeerlijk om binnenlandse reizen te maken. Een ID en een bewijs van verlof voor dienstplichtigen zouden voldoende zijn. Dit werd bevestigd door bronnen tijdens de dienstreis naar Khartoum en Kassala in maart 2015. Volgens een andere vertrouwelijke bron spelen travel permits en wegversperringen nog steeds een rol in andere maanden van het jaar.[…]

    Tot februari 2014 kon vanaf de leeftijd van 18 jaar een (blauwe) identiteitskaart worden aangevraagd. […] Identiteitskaarten zijn nodig voor allerlei bureaucratische procedures. Als men niet over een identiteitskaart beschikt kan dat de toegang tot overheidsdiensten en voorzieningen belemmeren."

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank is de staatssecretaris gevolgd in zijn standpunt dat de vreemdeling haar identiteit niet heeft aangetoond en niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in bewijsnood verkeert. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit de onder 3.1. weergegeven informatie volgt dat een identiteitskaart is vereist voor overheidsdiensten en -voorzieningen en het maken van binnenlandse reizen. Daarnaast heeft de rechtbank hieraan ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris zich in zijn bij de rechtbank ingediende verweerschrift niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling, gelet op de onder 3.1. weergegeven informatie, vanaf haar achttiende verjaardag op 1 juli 2012 tot februari 2014 een identiteitskaart had kunnen aanvragen en dat zij minstens éen keer moet hebben gereisd omdat de referent heeft verklaard dat zij met hem naar de stad Aguro is gereisd voor een bloedtest.

    Verder heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat het huwelijk van de vreemdeling geen naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk is als bedoeld in artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) door hieraan ten grondslag te leggen dat de door haar overgelegde kerkelijke huwelijksakte niet is ingeschreven in het Kebabi-register.

Nader stuk staatssecretaris

5.    De staatssecretaris heeft in een brief van 24 november 2017 aan de Afdeling meegedeeld dat zijn tot dan toe in deze procedure ingenomen standpunt over de rechtsgeldigheid van een kerkelijk huwelijk niet geheel juist is. Een kerkelijk huwelijk wordt in Eritrea immers wel als rechtsgeldig beschouwd, aldus de staatssecretaris. Voorts heeft hij hierin meegedeeld dat hij aan een kerkelijke huwelijksakte geen doorslaggevende betekenis toekent omdat Eritrese kerkelijke huwelijksakten in verschillende vormen voorkomen en kerkelijke registers ontbreken. De staatssecretaris eist daarom voor het aantonen van een rechtsgeldig kerkelijk huwelijk dat de Eritrese autoriteiten het huwelijk hebben geregistreerd in de burgerlijke stand. Hij verwijst voor de te volgen procedure naar het Algemeen ambtsbericht Eritrea van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2017 (hierna: het ambtsbericht 2017). De staatssecretaris ziet echter geen aanleiding om onderzoek te doen naar het gestelde huwelijk van de vreemdeling omdat hij de aanvraag volgens de rechtbank terecht heeft afgewezen omdat de vreemdeling haar identiteit niet heeft aangetoond. Ten slotte heeft de staatssecretaris meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet voor heroverweging van het besluit omdat de grieven van de vreemdeling volgens hem niet kunnen leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

5.1.    In het ambtsbericht 2017 is het volgende vermeld (blz. 25-26).

"Huwelijksakte

In Eritrea vinden huwelijken plaats op traditionele wijze, voor de orthodoxe of katholieke kerk of in de moskee. In Asmara kan men bij de burgerlijke stand een burgerlijk huwelijk sluiten. Religieuze aktes worden door de autoriteiten niet erkend als officiële huwelijksaktes, maar wel gebruikt als brondocumenten om een huwelijk te laten registreren bij de burgerlijke stand. […]

Kerkelijk huwelijk

Voor de registratie van een kerkelijk huwelijk bij de burgerlijke stand is eerst de registratie in het familieregister van de Kebabi-autoriteiten vereist. Daarvoor dient men de kerkelijke huwelijksakte te overleggen. Het Kebabi-kantoor stelt een ‘overdrachtsbrief’ op ten behoeve van het Sub-Zoba-kantoor met alle relevante gegevens. Deze brief moet door vier huwelijksgetuigen worden ondertekend. Ten behoeve van de registratie in de digitale databank op het Sub-Zoba-kantoor moet het echtpaar de ’overdrachtsbrief’ van de Kebabi-autoriteiten overleggen alsmede de identiteitskaarten, de residence cards en de geboorteakten van het echtpaar. Deze documenten respectievelijk kopieën daarvan worden in een dossier gevoegd dat op het kantoor van de Sub-Zoba gearchiveerd wordt. Buiten de Zoba Maekel worden de gegevens met de hand in het huwelijksregister geregistreerd, de huwelijksakte wordt door het Sub-Zoba-kantoor afgegeven. Het echtpaar ontvangt in Asmara een uitdraai van de huwelijksregistratie in de digitale databank. Op basis van dit document geeft de burgerlijke stand van de gemeente Asmara de huwelijksakte af."

Grieven

6.    In de grieven bestrijdt de vreemdeling de onder 4. weergegeven overwegingen van de rechtbank. Zij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris in strijd heeft gehandeld met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn door de aanvraag af te wijzen op het louter ontbreken van officiële bewijsstukken. Daarnaast voert de vreemdeling aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris haar ten onrechte heeft toegerekend dat zij geen identiteitskaart heeft overgelegd. Gelet op paragraaf C1/4.4.6 van de Vc 2000 had de staatssecretaris immers moeten onderzoeken of zij toerekenbaar geen geldig document voor grensoverschrijding heeft overgelegd, aldus de vreemdeling. Verder voert de vreemdeling aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij niet verplicht was een identiteitskaart aan te vragen. Zij wijst hiervoor op het Algemeen ambtsbericht Eritrea van het ministerie van Buitenlandse Zaken van mei 2014 (blz. 24).

    Verder voert de vreemdeling aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, zoals zij in beroep gemotiveerd heeft betoogd, inschrijving in het Kebabi-register volgens het Eritrese recht geen vereiste is voor de rechtsgeldigheid van een huwelijk. Ten slotte voert zij aan dat de staatssecretaris ervan moet uitgaan dat zij gehuwd is omdat uit een door haar overgelegd afschrift uit de basisregistratie personen (hierna: brp) van 28 december 2017 blijkt dat haar huwelijk is ingeschreven in de brp van de gemeente Middelburg. Zij wijst erop dat gebruikers van brp-gegevens volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling erop moeten kunnen vertrouwen dat die gegevens in beginsel juist zijn (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0702).

Toelichting staatssecretaris op de zitting bij de Afdeling

7.    De staatssecretaris heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat hij voor het aantonen van de identiteit van een vreemdeling en de gestelde familierelatie met een referent primair officiële documenten eist. Voor het aantonen van de identiteit eist hij specifiek daarvoor bestemde documenten zoals een paspoort of een identiteitskaart. Als bewijs van de gestelde familierechtelijke relatie aanvaardt hij in beginsel geboorteakten en huwelijksakten, mits die zijn opgenomen in het register van de burgerlijke stand van het desbetreffende land.

    Indien een vreemdeling stelt een bepaald officieel document niet te kunnen overleggen, eist de staatssecretaris dat hij dit aannemelijk maakt. De staatssecretaris beoordeelt aan de hand van verklaringen van die vreemdeling, eventuele bewijsstukken, en informatie over de algemene situatie in het desbetreffende land of die vreemdeling in bewijsnood verkeert. Als een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert, betrekt de staatssecretaris onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. De staatssecretaris heeft hiertoe gewezen op artikel 1.26 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) en paragraaf C1/4.4.6 van de Vc 2000, zoals luidend met ingang van 1 januari 2018 (WBV 2017/14, onderdeel W; Stcrt. 2017, nr. 70919).

7.1.    In aanvulling hierop heeft de staatssecretaris op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat hetgeen onder 7. is vermeld, nog steeds geldt maar dat hij recent het beoordelingskader voor nareisaanvragen als volgt heeft gewijzigd.

    Als een vreemdeling geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit of de gestelde familierelatie met een referent aan te tonen, betrekt de staatssecretaris onofficiële documenten bij zijn beoordeling of die vreemdeling de door hem gestelde identiteit of familierelatie aannemelijk heeft gemaakt. De staatssecretaris doet dit nu ongeacht of die vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert. Hij heeft hiervoor gewezen op zijn brief van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354). Volgens deze brief is dit aangepaste beoordelingskader van toepassing op zowel nieuwe als lopende aanvragen, waaronder aanvragen in zaken waarin hoger beroep is ingesteld. Dit kan ertoe leiden dat de staatssecretaris een aanvullende motivering geeft op een besluit of een besluit intrekt om na nader onderzoek opnieuw een besluit te nemen.

    Verder heeft de staatssecretaris toegelicht dat hij nu ook aanvullend onderzoek kan aanbieden in de situatie dat een vreemdeling geen officiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd zonder aannemelijk te hebben gemaakt dat hij dergelijke documenten niet kan overleggen en dus niet in bewijsnood verkeert ten aanzien van de gestelde familierelatie. De staatssecretaris eist voor het aanbieden van aanvullend onderzoek in deze situatie in de eerste plaats dat die vreemdeling substantieel bewijs van de gestelde familierelatie heeft overgelegd in de vorm van één of meer onofficiële documenten over die familierelatie. In de tweede plaats eist de staatssecretaris dat hij de identiteit van die vreemdeling kan vaststellen of aannemelijk achten. Een vreemdeling die geen officiële identiteitsdocumenten heeft overgelegd, moet daarom aannemelijk maken dat hij dergelijke identiteitsdocumenten niet kan overleggen of substantieel bewijs in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overleggen. Het vaststellen of aannemelijk achten van de identiteit is immers een basisvereiste voor verlening van een mvv, aldus de staatssecretaris, omdat hij onder meer moet beoordelen of de desbetreffende vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde en of artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

    In geval van een contra-indicatie ziet de staatssecretaris evenwel af van het aanbieden van aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld als een vreemdeling een Eritrese kerkelijke huwelijksakte heeft overgelegd en heeft gesteld dat hij geen bewijs van inschrijving in het register van de Eritrese burgerlijke stand kan overleggen omdat zijn huwelijk niet is ingeschreven, maar eerder heeft verklaard dat zijn huwelijk wel is ingeschreven.

    Een aanvullend onderzoek als hier bedoeld kan een identificerend gehoor zijn, bijvoorbeeld om gestelde huwelijkspartners in de gelegenheid te stellen hun huwelijk door middel van verklaringen aannemelijk te maken, of - indien het een biologisch kerngezin betreft - DNA-onderzoek.

    Het overleggen van één onofficieel document is in de regel onvoldoende voor het aannemelijk maken van de identiteit of de gestelde familierelatie, aldus de staatssecretaris. Hij beoordeelt het geheel aan overgelegde documenten en afgelegde verklaringen en kent aan documenten die zijn opgesteld op basis van eigen verklaringen minder betekenis toe dan aan documenten die zijn gebaseerd op andere documenten of verklaringen.

7.2.    Verder heeft de staatssecretaris op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat hij een huwelijk beschouwt als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk als zo'n huwelijk als rechtsgeldig wordt aangemerkt volgens de wetgeving van het land waar het is gesloten. In dat geval beoordeelt hij of de desbetreffende vreemdeling een echtgenoot is als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In de situatie dat een huwelijk volgens de wetgeving van het desbetreffende land niet als rechtsgeldig wordt aangemerkt, beoordeelt de staatssecretaris of de desbetreffende vreemdeling een partner is als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

    Dat een kerkelijk huwelijk volgens de Eritrese wetgeving rechtsgeldig is en dat het dan, gelet op artikel 10:31 van het BW, in Nederland rechtsgeldig is, neemt niet weg dat de desbetreffende vreemdeling het bestaan ervan moet bewijzen, aldus de staatssecretaris. Voorts heeft de staatssecretaris toegelicht dat hij geen legalisatie eist van een Eritrese kerkelijke huwelijksakte en dat hij de hierop vermelde gegevens niet laat verifiëren door diplomatieke of consulaire ambtenaren. Hij heeft erop gewezen dat Nederland geen ambassade heeft in Eritrea. Omdat Eritrese kerkelijke huwelijksakten in verschillende vormen voorkomen, eist hij dat de desbetreffende vreemdeling een bewijs overlegt van inschrijving van zijn huwelijk in het register van de Eritrese burgerlijke stand. Hij heeft erop gewezen dat de Eritrese autoriteiten, gelet op de in het ambtsbericht 2017 beschreven procedure, voor inschrijving van een kerkelijk huwelijk in het register van de burgerlijke stand zelf ook meer eisen dan het overleggen van een kerkelijke huwelijksakte. De staatsecretaris is echter in beginsel bereid aanvullend onderzoek aan te bieden als een vreemdeling een Eritrese kerkelijke huwelijksakte heeft overgelegd zonder een bewijs van inschrijving als hiervoor bedoeld, als die vreemdeling consistent heeft verklaard dat hij zo'n bewijs niet kan overleggen omdat zijn huwelijk niet is ingeschreven. Die vreemdeling moet dan wel voldoen aan de voor aanvullend onderzoek gestelde vereisten, zoals weergegeven onder 7.1.

7.3.    De staatssecretaris heeft zich op de zitting bij de Afdeling op het standpunt gesteld dat de aanvraag van de vreemdeling ook niet voor inwilliging in aanmerking komt als hij het gewijzigde beoordelingskader, zoals weergegeven onder 7.1., toepast.

Beoordeling grieven

8.    In de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2018:1508, heeft de Afdeling overwogen dat de staatssecretaris Eritrese vreemdelingen in hun bewijslast is tegemoetgekomen door al vóór 1 januari 2018 overeenkomstig paragraaf C1/4.4.6 van de Vc 2000, zoals luidend met ingang van 1 januari 2018, niet van hen te eisen dat zij een document voor grensoverschrijding maar een identiteitskaart overleggen. Gelet hierop faalt het betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris had moeten onderzoeken of de vreemdeling toerekenbaar geen geldig document voor grensoverschrijding heeft overgelegd.     

9.    Het betoog dat de staatssecretaris ervan moet uitgaan dat de vreemdeling gehuwd is omdat haar huwelijk is ingeschreven in de brp, faalt eveneens. De door de vreemdeling ingeroepen jurisprudentie van de Afdeling staat er niet aan in de weg dat de staatssecretaris kan beoordelen of een als kerkelijke huwelijksakte overgelegd document kan dienen als bewijs van het door de desbetreffende vreemdeling gestelde huwelijk en kan onderzoeken of de inhoud van zo'n document juist is (zie de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2018:1509 en vgl. de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2160).

10.    Gelet op de onder 5. vermelde brief van 24 november 2017 van de staatssecretaris voert de vreemdeling terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat inschrijving in het Kebabi-register volgens het Eritrese recht geen vereiste is voor de rechtsgeldigheid van een huwelijk.

    In zoverre slagen de grieven.

11.    De Afdeling heeft in de onder 8. vermelde uitspraak van vandaag overwogen dat zij het gewijzigde beoordelingskader, zoals weergegeven onder 7.1., ziet als een nieuwe vaste gedragslijn die de staatssecretaris volgt bij de beoordeling of herbeoordeling van alle op 23 november 2017 lopende nareisaanvragen. Als de staatssecretaris zo'n aanvraag afwijst, moet hij deugdelijk motiveren waarom die aanvraag, gelet op overgelegde officiële en onofficiële documenten en afgelegde verklaringen, niet voor inwilliging in aanmerking komt.

    Verder heeft Afdeling in die uitspraak overwogen dat zij de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, zoals weergegeven onder 7.1., als volgt begrijpt. Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt de staatssecretaris onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, betrekt de staatssecretaris deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen de staatssecretaris aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. De staatssecretaris biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is.     

    Ten slotte heeft de Afdeling in voormelde uitspraak overwogen dat artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet in de weg staat aan de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, zoals weergegeven onder 7.1.

12.    Om antwoord te kunnen geven op de vraag of de staatssecretaris in strijd heeft gehandeld met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn door de aanvraag af te wijzen op de gronden zoals weergegeven onder 3., zal de Afdeling eerst het besluit beoordelen in het licht van de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, zoals weergeven onder 7.1.

12.1.    De staatssecretaris heeft in het besluit erop gewezen dat hij afziet van aanvullend onderzoek omdat de vreemdeling geen officiële documenten heeft overgelegd om haar identiteit en de gestelde familierelatie aan te tonen en niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in bewijsnood verkeert. Volgens de onder 5. vermelde brief van de staatssecretaris ziet hij, gelet op de grieven en de uitspraak van de rechtbank, geen aanleiding voor aanvullend onderzoek en evenmin voor heroverweging van het besluit. Hieruit volgt niet dat de staatssecretaris overeenkomstig de nieuwe vaste gedragslijn onofficiële documenten heeft betrokken of bereid was onofficiële documenten te betrekken bij zijn beoordeling of de vreemdeling haar identiteit en de gestelde familierelatie met de referent aannemelijk heeft gemaakt.

    De staatssecretaris heeft op de zitting niet nader toegelicht waarom de aanvraag volgens de nieuwe vaste gedragslijn niet voor inwilliging in aanmerking komt.

    Gelet op de nieuwe vaste gedragslijn, zoals weergegeven onder 7.1., had de staatssecretaris de door de vreemdeling overgelegde kerkelijke huwelijksakte bij zijn beoordeling moeten betrekken en moeten beoordelen of hij dit document als substantieel bewijs beschouwt van de gestelde familierelatie. De staatssecretaris heeft dit niet gedaan. Verder had hij, als hij de huwelijksakte als substantieel bewijs beschouwt, moeten beoordelen of de vreemdeling in aanmerking komt voor aanvullend onderzoek ook al heeft zij haar identiteit niet aangetoond met officiële documenten. Aanvullend onderzoek is immers onder meer mogelijk als een vreemdeling substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten heeft overgelegd. Uit het besluit valt echter niet af te leiden dat de staatssecretaris bereid is geweest om onofficiële documenten te betrekken bij zijn beoordeling of de vreemdeling haar identiteit aannemelijk heeft gemaakt.

    De staatssecretaris heeft het besluit dus ondeugdelijk gemotiveerd door de aanvraag af te wijzen op de gronden zoals weergegeven onder 3.

    In zoverre slagen de grieven eveneens.

13.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit alsnog gegrond verklaren. Het besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

14.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. Omdat de griffier van de Afdeling de vreemdeling heeft bericht vooralsnog af te zien van het heffen van griffierecht in hoger beroep, bestaat geen grond te bepalen dat de staatssecretaris aan de vreemdeling het griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 mei 2017 in zaak nr. 17/2488;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 10 januari 2017, kenmerk V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Keizer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2018

716. BIJLAGE

Recht van de Europese Unie

Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71)

Artikel 11

1. Onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel is artikel 5 van toepassing op de indiening en behandeling van het verzoek.

2. Wanneer een vluchteling geen officiële bewijsstukken kan overleggen waaruit de gezinsband blijkt, nemen de lidstaten ook andere bewijsmiddelen inzake het bestaan van een dergelijke gezinsband in aanmerking, die overeenkomstig het nationale recht worden beoordeeld. Een beslissing tot afwijzing van het verzoek mag niet louter gebaseerd zijn op het ontbreken van bewijsstukken.

Nationale regelgeving

BW

Artikel 10:31

1 Een buiten Nederland gesloten huwelijk dat ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden, wordt als zodanig erkend.

2 Een buiten Nederland ten overstaan van een diplomatieke of consulaire ambtenaar voltrokken huwelijk dat voldoet aan de vereisten van het recht van de staat die die ambtenaar vertegenwoordigt, wordt als rechtsgeldig erkend tenzij die voltrekking in de staat waar zij plaatsvond niet was toegestaan.

3 Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden onder recht mede begrepen de regels van internationaal privaatrecht.

4 Een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn, indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit.

Vw 2000

Artikel 29

2. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

[…]

Vb 2000

Artikel 1.26

1 De vreemdeling legt bij de in persoon ingediende aanvraag, bedoeld in artikel 1.24, eerste lid, in ieder geval over een geldig document voor grensoverschrijding, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening of wijziging.

2 Bij de niet in persoon door de referent ingediende aanvraag legt hij afschriften over van de in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden en legt hij, of in voorkomend geval de vreemdeling, op verzoek van Onze Minister de originelen over.

3 In afwijking van het eerste lid legt de vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij tevens aanvullende gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit.

Vc 2000

Paragraaf C2/4.1

Feitelijke gezinsband

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, Vw, als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de referent. De IND verstaat onder kinderen als bedoeld in artikel 29 tweede lid, Vw, ook niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen van een referent.

De referent in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner op het moment van binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin behoren en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De referent onderbouwt dit met documenten. De referent moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner, als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen.

Huwelijk en partnerschap

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, onder a of b, Vw, als het huwelijk of partnerschap al bestond voordat de referent Nederland is ingereisd. Bij de beoordeling van de leeftijd waarop de IND huwelijkspartners en geregistreerd partners toelaat is paragraaf B7/3.1.2. Vc van toepassing. Voor ongehuwde partners geldt dat zij de leeftijd van 18 jaar moeten hebben bereikt en sprake is van een duurzame, exclusieve relatie.

Een traditioneel huwelijk dat buiten Nederland is gesloten is geen naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. De IND beschouwt een traditioneel huwelijk dat buiten Nederland is gesloten als een partnerschapsrelatie, mits sprake is van een duurzame, exclusieve relatie. […]

Paragraaf C1/4.4.6, zoals luidend van 1 januari 2017 tot 1 januari 2018

De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, moet de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van:

- een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont;

- indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont;

- indien van toepassing, een document dat zowel het partnerschap als het samenwonen in het land van herkomst aantoont; en

- indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouder aantoont.

Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, een of meerdere van de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen.

Paragraaf C1/4.3 Vc is van toepassing.

Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, moet de vreemdeling zijn identiteit en de gestelde familierelatie op een andere wijze aannemelijk maken.

Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, wijst de IND de vreemdeling of het gezinslid op de mogelijkheid van DNA-onderzoek.

De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw.

Paragraaf C1/4.4.6, zoals luidend met ingang van 1 januari 2018

De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, moet zijn identiteit en de gestelde familierelatie aannemelijk maken door het overleggen van:

- een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander officieel en door de autoriteiten afgegeven document dat de identiteit van de vreemdeling aantoont;

- indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont;

- indien van toepassing, een document dat zowel het partnerschap als het eventuele samenwonen in het land van herkomst aantoont; en

- indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouder aantoont.

Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, een of meerdere van de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen. Paragraaf C1/4.3 Vc is van toepassing.

De vreemdeling die wil nareizen maakt zijn identiteit en familierechtelijke relatie aannemelijk middels het overleggen van documenten. Als er een aannemelijke verklaring wordt gegeven voor het niet kunnen overleggen van officiële documenten, dan kan de IND nader onderzoek aanbieden.

De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw.

Paragraaf C2/6.2.3 Vc is van toepassing.

Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, moet de vreemdeling zijn identiteit en de gestelde familierelatie op een andere wijze aannemelijk maken.

Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, wijst de IND de vreemdeling of het gezinslid op de mogelijkheid van DNA-onderzoek. […]


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature