< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 6 september 2014 heeft het college [vergunninghouder] een vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het in werking hebben van een rundveehouderij aan de [locatie 1] in Den Velde.

Uitspraak



201502053/1/R3.

Datum uitspraak: 27 januari 2016

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: Mob), gevestigd te Nijmegen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2014 heeft het college [vergunninghouder] een vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het in werking hebben van een rundveehouderij aan de [locatie 1] in Den Velde.

Bij besluit van 26 januari 2015, kenmerk 2015/0010891, heeft het college het door Mob hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Mob beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2015, waar Mob, vertegenwoordigd door ing . M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van Kippersluis en A.M. Rensen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De Nbw-vergunning is verleend aan [vergunninghouder], die een rundveehouderij met 700 vleeskalveren exploiteert aan de [locatie 1]. Hij beoogt zijn bedrijf uit te breiden met 1.069 vleeskalveren, waarvoor hij een nieuwe stal wil bouwen. In dit verband heeft [vergunninghouder] onder meer met de eigenaar van de veehouderij aan de [locatie 2] een overeenkomst gesloten over het ten gunste van zijn initiatief laten intrekken van het uit de Nbw-vergunning voortvloeiende recht op het houden van een deel van de veestapel aan de [locatie 2]. Mob vreest dat de uitbreiding van de rundveehouderij leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

Intrekking

2. Ter zitting heeft Mob haar beroepsgronden dat het college de Duitse autoriteiten ten onrechte niet heeft geraadpleegd over de verlening van de Nbw-vergunning en dat ten onrechte geen passende beoordeling is gemaakt voor het Duitse Natura 2000-gebied Itterbecker Heide, ingetrokken. Verder heeft Mob haar beroepsgrond dat het kopen van emissierechten niet als maatregel kan worden meegenomen in de passende beoordeling, ingetrokken.

Formeel bezwaar

3. Mob voert aan dat ten onrechte geen kennisgeving van de aanvraag en de verlening van de Nbw-vergunning heeft plaatsgevonden in Duitsland, nu niet is uitgesloten dat de Nbw-vergunning significante gevolgen kan hebben voor het in Duitsland gelegen Natura 2000-gebied Itterbecker Heide.

3.1. Ingevolge artikel 42, derde lid, van de Nbw 1998 wordt van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van de vergunningen als bedoeld in de artikelen 16 en 19d door het orgaan dat tot verlening van de vergunning bevoegd is kennis gegeven in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Volstaan kan worden met vermelding van de zakelijke inhoud.

3.2. Het besluit van 6 september 2014 is bekendgemaakt door de toezending van dit besluit aan [vergunninghouder] en Mob. Het college heeft de kennisgeving van dit besluit gepubliceerd in de Dedemsvaartse Courant. Deze wordt niet in Duitsland bezorgd. Daarnaast is de kennisgeving in het Nederlands gepubliceerd op de provinciale website. Zowel in het nieuwsblad als op de provinciale website is de zakelijke inhoud van het besluit vermeld.

3.3. Naar het oordeel van de Afdeling volgt niet uit enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel de verplichting om een kennisgeving te publiceren van een aanvraag van een Nbw-vergunning. Dit is anders bij een besluit tot verlening van een dergelijke vergunning. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.

Het college heeft bij het verlenen van de Nbw-vergunning niet afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht toegepast, hetgeen het college bij een procedure omtrent verlening van een Nbw-vergunning vrijstaat. Het besluit van 6 september 2014 betreft dan ook geen ontwerpbesluit, maar een vastgesteld besluit dat gelet op de bekendmaking ervan in werking is getreden. Ingevolge artikel 42, derde lid, van de Nbw 1998 diende het college op de in deze bepaling genoemde wijze kennis te geven van dit besluit. De gestelde gebrekkige kennisgeving ziet gelet op het voorgaande niet op de inhoud van het besluit van 6 september 2014 en evenmin op de voorbereiding daarvan, maar betreft een eventuele onregelmatigheid van na dit besluit. Reeds hierom kan een eventuele gebrekkige kennisgeving de rechtmatigheid niet aantasten van dit besluit, noch van het bestreden besluit. Indien Mob deze grond in bezwaar naar voren had gebracht, zou het college het besluit van 6 september 2014 niet om die reden hebben hoeven te herroepen, maar zou het hebben mogen volstaan met een alsnog kennisgeven daarvan over de grens. Voorts kan de gestelde gebrekkige kennisgeving, voor zover hiervan sprake is, in voorkomend geval wel van belang zijn voor de verschoonbaarheid van het daardoor te laat tegen het betreffende besluit aanwenden van een rechtsmiddel door een in Duitsland wonende belanghebbende.

Het betoog faalt.

Inhoudelijke bezwaren

4. Mob betoogt dat het college bij het verlenen van de Nbw-vergunning er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat één van de vergunde stallen bij de veehouderij aan de [locatie 2] in Stegeren, te weten stal 6, nooit is gerealiseerd. Gelet hierop heeft het college volgens Mob geen zogenoemde externe saldering mogen toepassen, onvoldoende rekening gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van de nabij gelegen Natura 2000-gebieden en ten onrechte geen cumulatieberekening uitgevoerd. Mob voert tevens aan dat in de voorschriften behorende bij de verleende vergunning ten onrechte geen aanvullende maatregelen ter verdere reductie van de stikstofdepositie zijn opgenomen met als doel de verwezenlijking van de instandhoudingsdoelstellingen. Over de cumulatieberekening heeft Mob ter zitting aangevoerd dat, nu de niet gebouwde stal niet kon worden betrokken bij de berekening, het college de cumulatie van effecten van overige projecten of plannen beter had moeten onderzoeken.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in het kader van de externe saldering, instandhoudingsdoelstellingen en cumulatieberekening niet van belang is dat stal 6 van de veehouderij aan de [locatie 2] niet is gerealiseerd. Voor de bouw van deze stal hoefde immers niet opnieuw een Nbw-vergunning te worden verleend.

4.2. De Afdeling zal de aspecten externe saldering, instandhoudingsdoelstellingen en cumulatieberekening hierna bespreken.

Externe saldering

4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 in de zaken met nrs. 201303243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2), kan saldering in de vorm van - gedeeltelijke - intrekking van een milieuvergunning, Hinderwetvergunning of melding (hierna tezamen aangeduid als: milieutoestemming) ten behoeve van de verlening van een Nbw-vergunning voor de uitbreiding van een agrarisch bedrijf onder voorwaarden worden betrokken als maatregel in een passende beoordeling. Ook saldering in de vorm van een - gedeeltelijke - intrekking van een Nbw-vergunning kan onder voorwaarden worden betrokken als maatregel in een passende beoordeling. Een ingetrokken milieutoestemming kan voor externe saldering worden gebruikt als het saldogevende bedrijf op het moment waarop artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op een Natura 2000-gebied (referentiedatum) over een milieutoestemming beschikte en deze na die datum wordt ingetrokken. Projecten en andere handelingen waarvoor een Nbw-vergunning is verleend zijn beoordeeld op grond van artikel 19e tot en met 19g van de Nbw 1998, dat een implementatie vormt van artikel 6, tweede en derde lid, van de Habitatrichtlijn. Gelet hierop geldt bij externe saldering met een Nbw- vergunning niet als voorwaarde dat een Nbw-vergunning voor de stikstofveroorzakende activiteit was verleend op de referentiedatum. Wel is van belang dat de stikstofdepositie aanwezig was of kon zijn tot het moment van intrekking van de Nbw-vergunning of het sluiten van de overeenkomst over de overname van de stikstofdepositie ten behoeve van de uitbreiding van het saldo-ontvangende bedrijf.

4.4. Bij besluit van 18 september 2013 heeft het college een Nbw-vergunning verleend voor het in werking hebben van een veehouderij en de bouw van stal 6 aan de [locatie 2]. Bij besluit van 21 februari 2014 heeft het college de Nbw-vergunning voor het houden van 19.280 stuks pluimvee in stal 6 aan de [locatie 2] ingetrokken ten behoeve van de uitbreiding van de veehouderij aan de [locatie 1]. Ten behoeve van de gewenste uitbreiding van zijn veehouderij aan de [locatie 1] heeft [vergunninghouder] op 5 november 2013 met de eigenaar van de veehouderij aan de [locatie 2] een overeenkomst gesloten over het ten gunste van zijn initiatief laten intrekken van het uit de Nbw-vergunning voortvloeiende recht op het houden van 19.280 stuks pluimvee. Dit veebestand houdt verband met eenzelfde ammoniakemissie als een deel van het veebestand waarmee [vergunninghouder] zijn veehouderij wenst uit te breiden. Voor de vraag of de met stal 6 samenhangende ammoniakemissie aanwezig kon zijn, is anders dan Mob kennelijk veronderstelt, niet van belang dat deze stal is gerealiseerd. Deze kon tot het moment van sluiten van de overeenkomst over de overname van de ammoniakemissie immers zonder nieuwe Nbw-vergunning alsnog worden gerealiseerd en in gebruik worden genomen. Het aangevoerde geeft gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan de in de jurisprudentie van de Afdeling gestelde voorwaarden aan externe saldering, voor zover van toepassing bij saldering in de vorm van een - gedeeltelijke - intrekking van een Nbw-vergunning, is voldaan.

Instandhoudingsdoelstellingen

4.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2010, in zaak nr. 200903784/1/R2, en 8 april 2015, in zaak nr. 201402208/1/R2) kan het bevoegd gezag, om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, op grond van artikel 19e van de Nbw 1998, beleid voeren dat inhoudt dat een vergunning slechts wordt verleend indien maatregelen worden getroffen om een verdere reductie van de stikstofdepositie te bewerkstelligen. Voor het oordeel dat een verplichting bestaat om dergelijke maatregelen in individuele vergunningen voor te schrijven indien geen zodanig beleid door het bevoegd gezag wordt gevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten. Het college voert geen beleid van een dergelijke strekking maar zogenoemd "stand-still"-beleid. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte geen aanvullende maatregelen heeft opgenomen in de voorschriften behorende bij de verleende vergunningen. Dat stal 6 van de veehouderij aan de [locatie 2] niet is gerealiseerd doet aan het voorgaande niet af.

Cumulatieberekening

5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2013, in zaak nr. 201201701/1/R2) is betreffende een betoog dat geen rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van andere activiteiten van belang dat de ingevolge artikel 19f, eerste lid, van de Nbw 1998 vereiste beoordeling van cumulatieve effecten uitsluitend betrekking heeft op de cumulatie van effecten van de aangevraagde activiteiten en effecten van andere projecten of plannen. Nu het college als uitgangspunt heeft gehanteerd dat enkel vergunning wordt verleend indien geen sprake is van effecten vanwege de aangevraagde activiteiten en, in dit geval door toepassing van externe saldering, is verzekerd dat geen sprake is van effecten vanwege de aangevraagde activiteiten, zoals hiervoor is overwogen, heeft het college geen onderzoek naar cumulatieve effecten in verband met deze activiteiten hoeven uitvoeren. Dat emissierechten zijn gekocht die verband houden met een vergunde maar nog niet gebouwde stal maakt dit niet anders. Overigens heeft Mob ook niet vermeld welke andere projecten of plannen in een dergelijke cumulatieberekening zouden moeten worden betrokken.

5.1. Gelet op het voorgaande heeft het college bij het verlenen van de Nbw-vergunning in het kader van de externe saldering, instandhoudingsdoelstellingen en cumulatieve effecten er op goede gronden geen rekening mee gehouden dat stal 6 van de veehouderij aan de [locatie 2] in Stegeren nooit is gerealiseerd. Deze betogen falen.

Uitrijden van mest

6. Mob betoogt dat ten onrechte niet inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de van de veehouderij afkomstige mest wordt afgevoerd. Indien de mest wordt uitgereden op de gronden die behoren bij de veehouderij is ten onrechte alleen rekening gehouden met de stalemissies vanwege het houden van vee zonder de emissies vanwege het uitrijden van de mest van dit vee hierbij te betrekken. Dit dient volgens Mob als één project te worden beschouwd. Ook indien de mest op andere dan bij de veehouderij horende gronden wordt uitgereden dient volgens haar inzichtelijk te worden gemaakt wat daarvan de emissie is.

6.1. De Afdeling stelt vast dat het uitrijden van mest geen onderdeel van het aangevraagde project is, nu dit project uitsluitend betrekking heeft op de uitbreiding van een rundveehouderij. Het houden van dieren en het mogelijke uitrijden van mest op de bij de veehouderij behorende gronden is in dit geval niet zodanig onlosmakelijk met elkaar verbonden dat het college de vergunning voor het aangevraagde project had moeten weigeren. Dit betekent dat het uitrijden van mest dan ook niet als één project met het houden van vee behoefde te worden aangevraagd en vergund. Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Vletter

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2016

653.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature