< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 17 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Tuin de Lage Oorsprong 2013" (hierna: het plan) vastgesteld.

Uitspraak



201500880/1/R2.

Datum uitspraak: 28 oktober 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting Stichting voor Heemkunde in de Gemeente Renkum, gevestigd te Doorwerth, gemeente Renkum,

2. de vereniging Vereniging Vijf Dorpen in 't Groen, gevestigd te Renkum,

3. [appellant sub 3], wonend te Oosterbeek, gemeente Renkum,

en

de raad van de gemeente Renkum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Tuin de Lage Oorsprong 2013" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Stichting, de Vereniging en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting, de Vereniging en [appellant sub 3] hebben nadere stukken ingediend.

De Stichting Tuin de Lage Oorsprong heeft een nadere uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 2015, waar de Stichting en de Vereniging, beide vertegenwoordigd door mr. G. van der Kuil, [appellant sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Geleijnse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Tuin de lage Oorsprong gehoord, vertegenwoordigd door M. Kempen, en G.W.A. de Groot- Op den Brouw, bestuurslid van de Nederlandse Tuinenstichting.

Overwegingen

Planbeschrijving en toetsingskader

1. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor Tuin de Lage Oorsprong, waarbij de bestaande inrichting als tuin als zodanig wordt bestemd en het gebruik voor commerciële doeleinden, de bouw van een aantal gebouwen en de aanleg van parkeerplaatsen is voorzien.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid

3. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van de Stichting en de Vereniging, omdat zij volgens hem door het plan niet worden geraakt in een belang dat zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3.2. Op grond van artikel 2 van de statuten, heeft de Stichting ten doel:

a. het beoefenen van de geschiedenis van de gemeente Renkum en van haar dorpen, en het wekken van belangstelling daarvoor onder andere door het verzamelen van direkt of indirekt daarop betrekking hebbende literatuur, het houden van lezingen en/of exposities en het uitgeven van een periodiek;

b. (...)

c. (...)

d. het beschermen en trachten te behouden van het culturele en monumentale erfgoed in de gemeente Renkum in de ruimste zin van het woord.

3.3. Het plangebied ligt binnen de territoriale begrenzing van de statutaire doelomschrijving van de Stichting. Teneinde haar statutaire doel te bereiken verricht de Stichting naast het voeren van procedures ook feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. De Stichting heeft ter zitting gesteld dat zij een historisch documentatiecentrum onderhoudt, waar voorlichting wordt gegeven en stukken kunnen worden opgevraagd, en dat zij verder onder meer jaarlijks de zogenoemde Kneppelhoutwandeling organiseert. Gelet op haar statutaire doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden behartigt de Stichting naar het oordeel van de Afdeling een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Gelet hierop wordt de Stichting aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

3.4. Op grond van artikel 2 van de statuten, heeft de Vereniging ten doel:

- het in de gemeente Renkum behouden, respectievelijk bevorderen van een zo gunstig mogelijk woon- en leefmilieu;

- het in de gemeente Renkum behouden van het voor de zuidelijke Veluwezoom zo specifieke natuurschoon, het dorpskarakter en alles wat daar in de ruimste zin mee verband houdt.

3.5. Het plangebied ligt binnen de territoriale begrenzing van de statutaire doelomschrijving van Vereniging. Teneinde haar statutaire doel te bereiken verricht de Vereniging naast het voeren van procedures ook feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. De Vereniging heeft ter zitting gesteld onder meer overleg te voeren met het waterschap over de beken in Oosterbeek, met Natuurmonumenten een wandeling in het gebied te organiseren, overleg te voeren over het gebruik van grote machines bij het beheer van de bossen en met de gemeente mee te denken over het Groenstructuurplan. Anders dan de raad betoogt, betreffen dit niet uitsluitend werkzaamheden die worden verricht met het oog op het voeren van juridische procedures. Gelet op haar statutaire doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden behartigt de Vereniging naar het oordeel van de Afdeling een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Gelet hierop wordt de Vereniging aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

Planregels

4. De Stichting betoogt dat een aantal planregels rechtsonzeker is vanwege tekstuele dan wel inhoudelijke onjuistheden. Ook wijst de Stichting op een omissie op p. 39 van de plantoelichting.

4.1. Voor zover de raad stelt dat artikel 6:13 van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke behandeling van deze beroepsgronden, overweegt de Afdeling dat uit artikel 6:13 van de Awb voortvloeit dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. De beroepsgronden met betrekking tot verschillende planregels hebben betrekking op het plandeel met de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin", dat is bestreden in de zienswijze die door de Stichting is ingediend. Anders dan de raad ziet de Afdeling geen reden het beroep van de Stichting in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

4.2. Voor zover het beroep van de Stichting zich richt tegen hetgeen is vermeld op p. 39 van de plantoelichting, overweegt de Afdeling dat, daargelaten de juistheid van dit betoog, aan de plantoelichting geen juridisch bindende betekenis toekomt, zodat dit betoog reeds daarom faalt.

4.3. Ten aanzien van de tekstuele onjuistheden in artikel 1, lid 1.50, artikel 3, lid 3.1, onder b, artikel 7, lid 7.1 en lid 7.2.2, artikel 8, lid 8.3.1 en lid 8.4.3 en artikel 10, lid 10.1.2, van de planregels overweegt de Afdeling dat sprake is van kennelijke verschrijvingen waarover geen verwarring kan ontstaan, zodat geen aanleiding bestaat deze planregels wegens strijd met de rechtszekerheid te vernietigen.

4.4. Wat betreft het betoog van de Stichting dat de definitie van "overig bouwwerk" in artikel 1, lid 1.59, van de planregels niet in overeenstemming is met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna: SVBP 2012) omdat hieraan is toegevoegd dat carports en overkappingen hier niet onder vallen, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 1, lid 1.17, van de planregels wordt onder bouwwerk, geen gebouw zijnde verstaan: een overig bouwwerk, carport of overkapping.

Ingevolge artikel 1, lid 1.59, van de planregels wordt onder overig bouwwerk verstaan: een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. Carports en overkappingen vallen hier niet onder.

In paragraaf 6.4 van de SVBP 2012 staat dat in hoofdstuk 1 van de planregels begrippen worden verklaard die in de planregels voorkomen en die een nadere omschrijving behoeven. Het is toegestaan een standaardbegrip aan te vullen, op voorwaarde dat de aanvulling het voorgaande niet tegenspreekt, aldus het SVBP 2012. Door in lid 1.59 op te nemen dat onder "overig bouwwerk" geen carports en overkappingen vallen, is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een aanvulling die in tegenspraak is met de omschrijving van het begrip bouwwerk als bedoeld in het SVBP. Door carports en overkappingen uit te sluiten van het begrip "overig bouwwerk" heeft de raad slechts een beperking aangebracht op de toepassing van dit begrip ten aanzien van het onderhavige plan. Carports en overkappingen zijn ingevolge de definitie van artikel 1, lid 1.17 echter wel aangemerkt als bouwwerken. Dit betoog faalt.

4.5. De betogen van de Stichting dat onduidelijk is waarom in de planregels een onderscheid is gemaakt tussen het begrip "bouwwerk geen gebouw zijnde" in artikel 1, lid 1.27 en "overig bouwwerk" in lid 1.59 en deze begrippen in een aantal planregels niet dan wel onjuist worden gehanteerd, falen. Het onderscheid tussen deze begrippen is blijkens de omschrijving ingegeven door de vraag of carports en overkappingen zijn toegestaan. Indien is bepaald dat "overige bouwwerken" zijn toegestaan, zijn carports en overkappingen daarvan uitgesloten en indien is bepaald dat "bouwwerken, geen gebouwen zijnde" zijn toegestaan, dan zijn carports en overkappingen wel toegestaan. De Afdeling ziet in dit verband geen onduidelijkheid.

Dat beide termen in artikel 3, lid 3.2.2 van de planregels onjuist zouden worden toegepast, volgt de Afdeling evenmin. Uit het samenstel van deze bepaling kan worden afgeleid dat het woord "overige" uitsluitend is opgenomen om daarmee onderscheid te maken met de onder a tot en met c van dit artikellid toegestane bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Dit betoog faalt evenzeer.

4.6. Ten aanzien van het betoog van de Stichting dat in artikel 3, lid 3.3, onder a en b, van de planregels een onjuiste verwijzing is opgenomen naar het bepaalde in lid 3.2.2 onder b en c, overweegt de Afdeling dat deze verwijzing in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat artikel 3, lid 3.3, aanhef en onder a en b, van de planregels de bevoegdheidsgrondslag behelst voor het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.2, onder a en d. Door de onjuiste verwijzing kan onduidelijkheid ontstaan over de vraag van welke bouwregels als bedoeld in lid 3.2.2 mag worden afgeweken. Dit betoog van de Stichting slaagt.

4.7. Het betoog van de Stichting dat in artikel 4, lid 4.2.1, van de planregels ten onrechte gebouwen worden toegestaan omdat in de doeleindenomschrijving in lid 4.1 uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan, mist feitelijke grondslag. In de doeleindenomschrijving worden immers ook voorzieningen genoemd die dienen te worden gekwalificeerd als gebouw.

4.8. De Afdeling volgt de Stichting evenmin in haar stelling dat in artikel 6, lid 6.4.2, onder d, artikel 7, lid 7.4.2, onder d, en lid 7.4.4, van de planregels ten onrechte niet is bepaald dat voor het slopen van de fundering van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning een archeologisch onderzoek is vereist of het oordeel van een erkend archeoloog dient te worden gevraagd. In voornoemde artikelleden is bepaald dat naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders moet vaststaan dat het vervangende bouwwerk de archeologische waarden van het gebied niet aantast. Zoals de raad terecht stelt, biedt deze formulering de ruimte om zonodig archeologisch onderzoek te laten doen, dan wel het oordeel van een erkend archeoloog te vragen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in voornoemde planregels afdoende is gewaarborgd dat bij toepassing van deze bepalingen, de archeologische waarden van het gebied niet zullen worden aangetast.

Dit betoog van de Stichting faalt.

Dubbelbestemmingen

5. De Stichting betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 in zaaknr. 201304186/1/R4, dat de onderlinge rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen niet in de desbetreffende planregels is bepaald.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in onder meer haar uitspraak van 17 maart 2004, zaak nr. 200301131/1, is de keuze voor een plan met meervoudige of dubbelbestemmingen in beginsel aanvaardbaar, mits de onderlinge rangorde van de doeleinden of functies is aangegeven en deze geen zodanige tegenstrijdigheden bevatten dat niet op redelijke wijze een afweging kan worden gemaakt met het oog op een goede ruimtelijke ordening.

Naar het oordeel van de Afdeling is in de dubbelbestemmingen zoals opgenomen in de artikelen 5 tot en met 8 van de planregels de onderlinge rangorde met de in artikel 3 van de planregels opgenomen bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" voldoende aangegeven nu is bepaald dat de gronden met deze bestemming - in overeenstemming met het bepaalde in de SVBP 2012 - mede zijn bestemd voor de desbetreffende dubbelbestemming(en). Dit betoog faalt.

Algemene afwijkingsregels

6. De Stichting betoogt dat in artikel 12, aanhef en onder f, van de planregels ten onrechte is voorzien in de mogelijkheid om hekwerken ten behoeve van het gebruik van platte daken als dakterras met een maximum van 1 meter boven de maximaal toegestane bouwhoogte op te richten. Volgens haar is het criterium "passend in het bestaande bebouwingsbeeld van de omgevende bebouwing" onduidelijk en daarmee rechtsonzeker.

6.1. Ingevolge artikel 12, onder f, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de fysieke veiligheid, met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte voor het oprichten van hekwerken ten behoeve van het gebruik van platte daken als dakterras met een maximum van 1 meter boven de maximaal toegestane bouwhoogte, mits:

1. dit passend is in het bestaande bebouwingsbeeld van de omgevende bebouwing, en;

2. de belangen van omwonenden met betrekking tot privacy, uitzicht en bezonning niet onevenredig wordt geschaad.

6.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij bestemmingsplan worden bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Met deze bepaling kan het bevoegd gezag de bevoegdheid worden gegeven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Afwijkingsbevoegdheden dienen door voldoende objectieve normen te worden begrensd en mogen niet het effect hebben dat feitelijk de bestemming van gronden wordt gewijzigd. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in voornoemde afwijkingsmogelijkheid en dat deze onvoldoende is begrensd. Het enkele feit dat het criterium "passend in het bestaande bebouwingsbeeld van de omgevende bebouwing" in de voorwaarden is opgenomen, maakt nog niet dat in dit geval geen sprake is van een objectieve norm. De vraag of de afwijkingsbevoegdheid op de juiste wijze wordt toegepast, kan eerst in het kader van een procedure omtrent de omgevingsvergunning aan de orde komen.

Bouwmogelijkheden

7. De Stichting, de Vereniging en [appellant sub 3] betogen dat de oppervlakte en bouwhoogte voor de kapschuur, de oranjerie en de kas niet deugdelijk zijn onderbouwd. De ruime bouwmogelijkheden zijn volgens hen niet noodzakelijk, in strijd met eerder vastgesteld gemeentelijk beleid, de planologische mogelijkheden uit het vorige plan en komen niet overeen met de historische situatie. Meer specifiek betogen zij dat de kapschuur deels met twee verdiepingen kan worden gerealiseerd en dat voor de oranjerie en de kas ten onrechte geen maximale goothoogte is bepaald indien deze worden gebouwd met een halfrond dak. Voorts ontbreken in de planregels volgens [appellant sub 3] omschrijvingen van een oranjerie, kas en kapschuur en is in artikel 3, lid 3.2.1, onder e, van de planregels ten onrechte niet gedefinieerd wat onder een grotendeels halfrond dak en kleine verticale bouwdelen dient te worden verstaan.

Voorts richten de Stichting en de Vereniging zich tegen artikel 3, lid 3.2.1, onder f, van de planregels waar de bouw van een kelder is toegestaan met een maximale aanlegdiepte van 4 meter. Gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 8.2 en 8.3.1, van de planregels is volgens hen de uitvoerbaarheid van deze bepaling niet aangetoond.

7.1. De raad stelt dat de omvang van de voorziene bebouwing niet zodanig afwijkend is van hetgeen gebruikelijk is, dat dit niet in overeenstemming kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Voorts zijn de begrippen oranjerie, kas en kapschuur volgens de raad voldoende uitgewerkt in de plantoelichting en geobjectiveerd in de planregels. Wat betreft de mogelijkheid om een kelder aan te leggen, stelt de raad dat dit uitsluitend is toegestaan indien uit onderzoek is gebleken dat de geohydrologische situatie van de bodem niet wordt verstoord.

7.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels gelden voor het bouwen ter plaatse van de gronden met de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" de volgende bepalingen:

a. een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van de bestaande stookruimte met schoorsteen;

b. een bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd;

c. de bouwhoogte van een gebouw bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte" aangegeven bouwhoogte;

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - kapschuur" is een kapschuur toegestaan met een maximale goothoogte van 3,5 meter en een dakhelling van minimaal 30 graden;

e. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - oranjerie" is een oranjerie toegestaan, bestaande uit maximaal één bouwlaag, met een maximale goothoogte van 4 meter indien gebouwd met een schuin dak. Indien gebouwd met een grotendeels halfrond dak dan geldt er geen maximale goothoogte. Ook niet ter plaatse van de kleine verticale bouwdelen. Een rechthoekig gebouw/bouwvolume tot aan de maximale bouwhoogte is dus niet toegestaan;

f. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van cultuur en ontspanning - kas" is een kas toegestaan, bestaande uit maximaal één bouwlaag, met een maximale goothoogte van 3,5 meter indien gebouwd met een schuin dak. Indien gebouwd met een grotendeels halfrond dak dan geldt er geen maximale goothoogte. Ook niet ter plaatse van de kleine verticale bouwdelen. Een rechthoekig gebouw/bouwvolume tot aan de maximale bouwhoogte is dus niet toegestaan. Onder de kas is een kelder toegestaan met een maximale aanlegdiepte van 4 meter, gerekend vanaf de bovenzijde van de vloer van de kas.

Ingevolge artikel 8, lid 8.2, van de planregels, mogen ter plaatse van de bestemming "Waarde - Beschermingszone niet-waterdoorlatende lagen en grondwaterstromen", in afwijking van het bepaalde in de andere bestemmingen geen gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, worden gebouwd indien het betreft de bouw van of een uitbreiding van een (deels) ondergronds bouwwerk waarbij de bouwwerkzaamheden en de bijbehorende grondwerkzaamheden (graafwerk- en bouwwerkzaamheden) voor dat bouwwerk een ondergrondse diepte hebben van meer dan 1,5 meter en/of waarbij heiwerkzaamheden plaatsvinden.

Ingevolge lid 8.3.1 kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2 voor het bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen, indien op basis van ingesteld geohydrologisch onderzoek, naar het oordeel van het bevoegd gezag, de geohydrologische situatie ter plaatse door het bouwplan met bijbehorende activiteiten niet wordt aangetast. (...)

7.3. In de verbeelding zijn drie bouwvlakken opgenomen waar, gelet op de toegekende aanduidingen en het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels, een kapschuur, een oranjerie en een kas zijn toegestaan. Het bouwvlak voor de kapschuur heeft blijkens de verbeelding een maximale oppervlakte van circa 75 m2 en een maximale bouwhoogte van 5 meter. Het bouwvlak voor de oranjerie en de kas bedragen maximaal respectievelijk circa 160 m2 en 228 m2 met een maximale bouwhoogte van respectievelijk 8 en 6 meter. De oppervlakte van Tuin de Lage Oorsprong bedraagt circa 1 hectare.

7.4. In de plantoelichting is vermeld dat in de kas en de oranjerie planten kunnen overwinteren en (planten)materiaal kan staan. Tevens kunnen deze ruimten worden gebruikt voor activiteiten. In de kapschuur kan onderhoudsmateriaal worden opgeslagen. Oranjerieën hebben, aldus de plantoelichting, gezien hun functie geen plat dak en gezien andere oranjerieën een vergelijkbare hoogte. In dat verband wijst de raad op de voormalige oranjerie aan de Hemelseberg 3 te Oosterbeek. Hetzelfde geldt voor de kas. Beide ruimten dienen aan de bovenzijde ontluchtingsmogelijkheden te hebben wat gevolgen heeft voor de bouwhoogte. In de plantoelichting staat dat de oranjerie die er in het verleden stond waarschijnlijk een lagere hoogte had maar dat is gekozen om de oranjerie en de kas met een eigentijdse invulling en massa (ten opzichte van wat er ooit heeft gestaan) mogelijk te maken.

In hetgeen de Stichting, de Vereniging en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toegekende bouwmogelijkheden in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hierbij betrekt de Afdeling dat de omgeving van het plangebied weliswaar wordt gekenmerkt door een afwisseling tussen bossen en open plekken maar dat het plangebied thans niet geheel onbebouwd is. Gelet op de oppervlakte van het plangebied in samenhang met de toegestane maximale oppervlakte aan bebouwing, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een onaanvaardbaar ruimtebeslag door bebouwing. Ook heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de maximaal toegestane bouwhoogten niet ongebruikelijk zijn voor een kapschuur, oranjerie en een kas. Tevens heeft de raad bij de vaststelling van de bouwhoogte van de oranjerie de historische situatie - voor zover mogelijk - betrokken bij zijn afweging maar heeft hij aan de bouwhoogte van de voorziene oranjerie een eigentijdse invulling mogen geven.

Ten aanzien van het betoog van de Stichting en de Verenging dat in de kapschuur (deels) twee verdiepingen kunnen worden gerealiseerd en dat voor de kas geen maximale goothoogte is bepaald indien deze wordt gebouwd met een grotendeels halfrond dak kunnen, daargelaten de juistheid hiervan, niet leiden tot vernietiging van het plan reeds omdat de Stichting en de Vereniging niet hebben onderbouwd waarom dit uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar moet worden geacht. Overigens is voor de kas een maximale bouwhoogte opgenomen. De Stichting en de Vereniging hebben niet geconcretiseerd met welk gemeentelijk beleid het plan op dit punt in strijd zou zijn.

In de planregels zijn weliswaar geen definities opgenomen van de begrippen oranjerie, kas en kapschuur maar naar het oordeel van de Afdeling leidt dit niet tot rechtsonzekerheid. Bij dit oordeel wordt betrokken dat in artikel 3, lid 3.1, lid 3.2.1 en lid 3.4 van de planregels, in samenhang met de verbeelding, is bepaald welk gebruik is toegestaan en welke bouwmogelijkheden gelden voor deze bouwwerken.

De Afdeling ziet in het aangevoerde evenmin aanleiding voor het oordeel dat onduidelijk is wat dient te worden verstaan onder "grotendeels halfrond dak" en "verticale bouwdelen" in artikel 3, lid 3.2.1, onder e, van de planregels.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, falen de betogen van de Stichting, de Vereniging en [appellant sub 3] met betrekking tot de in het plan voorziene bouwmogelijkheden voor de kapschuur, de oranjerie en de kas.

Horeca en detailhandel

8. De Stichting en de Vereniging betogen dat in lid 3.1, onder d, van de planregels ten onrechte niet is bepaald dat uitsluitend ondergeschikte horeca en ondergeschikte detailhandel is toegestaan, welke twee begrippen volgens hen tevens in artikel 1, lid 1.34 en lid 1.46, van de planregels moeten worden gedefinieerd.

Voorts is volgens hen het criterium "een en ander passend bij de rustieke uitstraling van het terrein en de omgeving met een rustige uitstraling" in artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels rechtsonzeker.

[appellant sub 3] betoogt dat bij de genoemde activiteiten in de plantoelichting ten onrechte niet staat vermeld de activiteit "muziek + maaltijd". Ter zitting heeft [appellant sub 3] toegelicht dat bij deze activiteit de maaltijd niet ondergeschikt is aan de muziek.

8.1. De raad stelt dat uit artikel 3, lid 3.1, onder d, van de planregels ondubbelzinnig volgt dat horeca en detailhandel uitsluitend zijn toegestaan voor zover deze ondergeschikt zijn aan de functies genoemd onder a tot en met c, van dat artikellid.

8.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de gronden ter plaatse van de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" bestemd voor:

a. het telen van groenten, bloemen, fruit, kruiden en andere voedselgewassen;

b. kijk- en educatietuin met mogelijkheden voor rondleidingen, tentoonstellingen, bijeenkomsten, lezingen, huwelijksvoltrekkingen (niet zijnde huwelijksfeesten). Een en ander passend bij de rustieke uitstraling van het terrein en de omgeving met een rustige uitstraling. Hierbij geldt (lees: dat) dit toegestaan is van 08:00 uur tot 19:00 uur;

c. culturele programma’s / activiteiten (niet zijnde een evenement), zoals dans, theater, concerten / optredens (niet zijnde een popconcert), waarbij deze activiteiten zang en/of (licht versterkte) muziek toegestaan is, filmavonden en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare gebeurtenissen tot niet meer dan één keer per week van 09:00 uur tot 19:00 uur waarbij dit voor maximaal 10 keer per jaar tot 23:00 uur mag zijn en waarbij dit laatste niet vaker dan één keer per 14 dagen mag voorkomen. Hierbij geldt dat de activiteit om 23:00 uur afgelopen dient te zijn. De opruimwerkzaamheden en het door gasten verlaten van het terrein dient voor 24:00 uur plaats te vinden.

d. ondergeschikt aan bovenstaande functies: horeca en detailhandel.

8.3. De Afdeling stelt vast dat het criterium "een en ander passend bij de rustieke uitstraling van het terrein en de omgeving met een rustige uitstraling" ruimte laat voor een nadere invulling. In het licht van de in lid 3.1 genoemde activiteiten die ter plaatse zijn toegestaan, te weten onder andere een kijk- en educatietuin met mogelijkheden voor rondleidingen, tentoonstellingen, bijeenkomsten, lezingen en huwelijksvoltrekkingen (niet zijnde huwelijksfeesten), acht de Afdeling dit artikelonderdeel voldoende afgebakend.

Voorts is met het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, onder d, van de planregels verzekerd dat sprake is van ondergeschikte horeca en detailhandel, zoals de Stichting, de Vereniging en [appellant sub 3] wensen. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in de definitiebepalingen van "horeca" en "detailhandel" eveneens had moeten bepalen dat deze uitsluitend een ondergeschikte functie mag hebben.

Deze betogen van de Stichting, de Vereniging en [appellant sub 3] falen.

Activiteiten en evenementen

9. De Stichting, de Vereniging en [appellant sub 3] betogen dat onduidelijk is wat dient te worden verstaan onder de term "activiteit" en hoe dit zich verhoudt tot de term "evenement", zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 1.37, van de planregels. In dat verband betogen zij dat in artikel 3, lid 3.1, onder b en c, van de planregels activiteiten worden vermeld die ook binnen de opgenomen definitie van "evenement" vallen. Het houden van evenementen is binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" weliswaar uitdrukkelijk uitgesloten maar nu evenementen ook kunnen worden aangemerkt als activiteiten, welke laatste op grond van het plan zijn toegestaan, is dit verbod volgens hen inhoudsloos. Dergelijke activiteiten passen volgens de Vereniging ook niet in een gebied dat is bedoeld voor extensieve recreatie. Volgens de Stichting en de Vereniging zijn bovendien ten onrechte geen regels opgenomen over het maximaal aantal bezoekers en het gebruik van de kas en oranjerie, hetgeen kan leiden tot aanzienlijke overlast.

[appellant sub 3] betoogt dat in de planregels ten onrechte geen definitie van het begrip "bijeenkomst" is opgenomen zodat onduidelijk is of de in artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels genoemde bijeenkomsten tuingerelateerd dienen te zijn.

De Vereniging betoogt dat de regimes voor openingstijden onduidelijk zijn en dat de mogelijkheid van openstelling op zondagen vanaf 08:00 uur en 09:00 uur in strijd is met het bepaalde in artikel 4 van de Zondagswet.

Ten slotte achten de Stichting en de Vereniging niet onderbouwd waarom ter plaatse van de bestemming "Verkeer" kleine evenementen zijn toegestaan.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan is voorzien in een duidelijke definitie van "evenement" en dat is bepaald dat het houden van evenementen binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" niet is toegestaan. Het toegestane gebruik en de bouwmogelijkheden zijn volgens de raad in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening en volgens hem wordt geen afbreuk gedaan aan de waarden in de omgeving. Verder stelt de raad dat het bepaalde in de Zondagswet voor de toepassing van het bepaalde in de planregels gaat, zodat op zondag in beginsel geen activiteiten mogen worden ontplooid.

9.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de gronden ter plaatse van de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" bestemd voor:

a. het telen van groenten, bloemen, fruit, kruiden en andere voedselgewassen;

b. kijk- en educatietuin met mogelijkheden voor rondleidingen, tentoonstellingen, bijeenkomsten, lezingen, huwelijksvoltrekkingen (niet zijnde huwelijksfeesten). Een en ander passend bij de rustieke uitstraling van het terrein en de omgeving met een rustige uitstraling. Hierbij geldt (lees: dat) dit toegestaan is van 08:00 uur tot 19:00 uur;

c. culturele programma’s / activiteiten (niet zijnde een evenement), zoals dans, theater, concerten / optredens (niet zijnde een popconcert), waarbij deze activiteiten zang en/of (licht versterkte) muziek toegestaan is, filmavonden en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare gebeurtenissen tot niet meer dan één keer per week van 09:00 uur tot 19:00 uur waarbij dit voor maximaal 10 keer per jaar tot 23:00 uur mag zijn en waarbij dit laatste niet vaker dan één keer per 14 dagen mag voorkomen. Hierbij geldt dat de activiteit om 23:00 uur afgelopen dient te zijn. De opruimwerkzaamheden en het door gasten verlaten van het terrein dient voor 24:00 uur plaats te vinden.

(...)

Ingevolge lid 3.4, wordt tot een strijdig gebruik met deze bestemming in ieder geval begrepen een gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van prostitutiedoeleinden en seksinrichtingen en voor evenementen. Bij dit artikel staat vermeld: "Dans, theater en concerten/ optreden zijn dus wel toegestaan, ook al staan ze ook genoemd in de definitie van het begrip ‘evenement’. Het gaat hier, bij de hiervoor genoemde activiteiten, om kleinschaligere activiteiten en niet dagdurend dan hetgeen staat bij en bedoeld is als (bij het begrip) ‘evenement’. Hetzelfde geldt voor (tuingerelateerde) bijeenkomsten en filmavonden. Feesten, zoals huwelijksfeesten, verjaardagsfeesten en afscheidsfeesten zijn niet toegestaan (strijdig gebruik), evenals braderiën en herdenkingsplechtigheden; want ze zijn genoemd bij het begrip ‘evenement’ en ze zijn niet genoemd bij de toegestane ‘culturele activiteiten’ in lid 3.1 onder c."

Ingevolge artikel 1, lid 1.37, van de planregels is een evenement: Een één- of meerdaagse voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, zoals een herdenkingsplechtigheid, braderie, feest, concert, theater, (muziek)voorstelling, show, bijeenkomst, tentoonstelling, (week)markt, thematische markt, snuffelmarkt, (sport)manifestaties of optocht, niet zijnde een betoging. Dit is inclusief en ten dienste van het evenement benodigde horeca, sanitaire voorzieningen, muziek en detailhandel.

Ingevolge lid 1.50 is een klein evenement: een ééndaags evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen ten behoeve van het evenement hieronder niet begrepen, dat niet of slechts in zeer ondergeschikte mate een commerciële doelstelling heeft.

9.3. De Afdeling stelt vast dat de raad met het plan heeft beoogd bepaalde activiteiten mogelijk te maken binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" maar nadrukkelijk niet heeft willen voorzien in de mogelijkheid van het houden van evenementen. In artikel 3, lid 3.1, onder c, van de planregels is het houden van evenementen dan ook uitdrukkelijk uitgesloten. De onder b van dit artikellid genoemde activiteiten zijn volgens de raad niet te kwalificeren als "evenement". Ook is in lid 3.4 een gebruiksverbod opgenomen waarin nader is ingekaderd welk gebruik wel is toegestaan en welk gebruik niet.

De Afdeling overweegt dat gezien de definitie van "evenement" in de planregels en hetgeen in het algemeen spraakgebruik kan worden begrepen onder de term "activiteit", de scheidslijn hiertussen niet altijd eenvoudig is te trekken. In het kader van de beoordeling van het plan en in het licht van de bezwaren van de Stichting, de Vereniging en [appellant sub 3], ligt de vraag voor of voldoende duidelijk is welk gebruik binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" wel en welk gebruik niet is toegestaan en of de raad dit gebruik in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten.

Met de raad is de Afdeling van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, onder b en c, van de planregels in samenhang met het bepaalde in lid 3.4 de toegestane activiteiten binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" afdoende zijn afgebakend ten opzichte van de activiteit "evenement", welke de raad ter plaatse niet wenselijk acht. Hierbij betrekt de Afdeling dat in beide planregels door middel van voorbeelden is verduidelijkt welk gebruik is toegestaan, waarbij in lid 3.4 is opgenomen dat de activiteiten dans, theater, concerten/optreden, (tuingerelateerde) bijeenkomsten en filmavonden zijn toegestaan, ondanks dat deze activiteiten ook zijn vermeld in de definitie van ‘evenement’, zij het dat deze kleinschalig en niet dagdurend mogen zijn. De omstandigheid dat in lid 3.1, onder b en c, is bepaald dat het genoemde gebruik is toegestaan tussen 08:00 en 19:00 uur, dan wel tussen 09:00 en 19:00 uur, doet hieraan niet af.

Gelet op de aard van de toegestane activiteiten en in aanmerking genomen dat in lid 3.1, onder e, van de planregels voor de toegestane activiteiten maximale geluidsnormen zijn opgenomen die overeenkomen met het ambitieniveau van de raad in dit gebied, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze activiteiten passend kunnen worden geacht in de omgeving. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat het toegestane gebruik onevenredige afbreuk doet aan de landelijke omgeving van het plangebied.

Voorts heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling gezien de toegestane activiteiten en de kleinschaligheid daarvan in redelijkheid kunnen afzien van het opnemen van maximum bezoekersaantallen en het opleggen van nadere beperkingen aan het gebruik van de voorziene kas en de oranjerie.

9.4. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] dat onduidelijk is of de in artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels genoemde "bijeenkomsten" tuingerelateerd dienen te zijn, stelt de Afdeling vast dat geen restrictie is aangebracht ten aanzien van de aard van de toegestane bijeenkomsten. Dat betekent dat bijeenkomsten niet tuingerelateerd behoeven te zijn; wel dienen deze te passen bij de rustieke uitstraling van het terrein en de omgeving met een rustige uitstraling hetgeen is gekoppeld aan het in lid 3.1 toegestane gebruik. Naar het oordeel van de Afdeling leidt het gebruik van de term "bijeenkomsten" in artikel 3, lid 3.1, onder b, van de planregels niet tot rechtsonzekerheid. Dit betoog van [appellant sub 3] faalt.

9.5. Ten aanzien van het betoog van de Vereniging dat de verhouding van de onder b en c van lid 3.1 genoemde tijden onduidelijk is, overweegt de Afdeling dat deze tijden moeten worden gelezen in samenhang met de rest van de onderdelen b en c en de aard van de daarin genoemde gebruiksfuncties. Indien sprake is van een activiteit die is te scharen onder b, dan is dit toegestaan vanaf 08:00 uur in de ochtend. Is sprake van een activiteit die is te scharen onder de activiteiten genoemd onder c, dan mag deze vanaf 09:00 uur in de ochtend starten tot 19:00 uur waarbij dit voor maximaal 10 keer per jaar tot 23:00 uur mag zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de planregel onduidelijk is.

Het betoog dat de onder b en c van lid 3.1 genoemde openingstijden in strijd zijn met het bepaalde in artikel 4 van de Zondagswet, kan niet leiden tot vernietiging van deze planregel reeds omdat de burgemeester bevoegd is ontheffing te verlenen van dit verbod.

9.6. Ten aanzien van het betoog van de Stichting en de Vereniging dat ter plaatse van de bestemming "Verkeer" kleine evenementen zijn toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Verkeer" als ondergeschikt doeleind bestemd voor kleine evenementen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hierin is voorzien om bijvoorbeeld tijdens wielrenwedstrijden een waterplaats in te richten en ruimte te bieden aan fotografen. Gelet hierop en nu het houden van kleine evenementen een ondergeschikte functie dient te hebben, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voornoemde planregel in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Dit betoog van de Stichting en de Vereniging faalt.

Ladder voor duurzame verstedelijking

10. [appellant sub 3] betoogt dat het plan voorziet in een stedelijke ontwikkeling en dat gelet daarop ten onrechte niet aan de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) is getoetst. Het plan voldoet volgens [appellant sub 3] ook niet aan deze bepaling nu geen sprake is van een regionale behoefte, niet is onderbouwd dat niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte en de locatie niet multimodaal is ontsloten.

10.1. Volgens de raad is gelet op de kleinschaligheid en de specifieke functie geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

10.2. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaande stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

10.3. Het plan voorziet met de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" in het gebruik voor onder meer een kijk- en educatietuin met mogelijkheden voor rondleidingen, tentoonstellingen, culturele programma’s en activiteiten zoals dans, theater en concerten (niet zijnde een popconcert) met daaraan ondergeschikte horeca en detailhandel. Ter plaatse van de drie bouwvlakken is bebouwing toegestaan, waarvan de oppervlakte tezamen circa 460 m2 bedraagt. Het plandeel met de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" heeft een oppervlakte van ongeveer 1 hectare. Gelet op de toegestane omvang van de bebouwing, de toegestane gebruiksmogelijkheden en de omvang van het plangebied, is de Afdeling van oordeel dat de raad er terecht vanuit is gegaan dat het plan niet voorziet in een stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing. Het betoog van [appellant sub 3] faalt. De overige gronden die [appellant sub 3] in dit verband heeft aangevoerd behoeven gelet hierop geen bespreking.

Geluid

11. [appellant sub 3] betoogt dat het akoestisch onderzoek ondeugdelijk is nu de geluidmeting heeft plaatsgevonden op het moment dat de Van Borsselenweg diende als omleidingsroute ten tijde van de reconstructie van de Utrechtseweg, waardoor het achtergrondniveau hoger was dan normaal. Ook is in het akoestisch onderzoek volgens [appellant sub 3] ten onrechte geen rekening gehouden met geluid vanwege muziekuitvoeringen in de oranjerie en de kas indien ramen en deuren zijn geopend.

Verder betoogt [appellant sub 3] dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting op zijn woning aan de [locatie[ het hoogst is. Gelet op de beschikbare ruimte op het landgoed had volgens hem in het plan moeten worden bepaald dat de activiteiten die geluidoverlast veroorzaken slechts op maximale afstand tot zijn woning mogen plaatsvinden.

Tot slot is van de geluidnormen in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels volgens [appellant sub 3] ten onrechte uitgezonderd de woning aan de Van Borsselenweg 36, nu deze woning is bestemd als burgerwoning. In aansluiting hierop betoogt [appellant sub 3] dat het akoestisch rapport waarin het plan is getoetst aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit niet ten grondslag kan worden gelegd aan het plan omdat de woning aan de Van Borsselenweg 36 hier ten onrechte buiten is gelaten.

11.1. De raad stelt dat het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door een ter zake deskundige, dat de resultaten van het onderzoek zijn geverifieerd en is geconcludeerd dat het onderzoek zorgvuldig is. Volgens de raad zouden de resultaten van het onderzoek niet anders zijn uitgevallen als geen rekening zou zijn gehouden met de omleiding via de Van Borsselenweg, nu de geluidbelasting ook in dat geval niet hoger zou liggen dan de natuurlijke geluiden in de omgeving. In het onderzoek is rekening gehouden met muziekuitvoeringen in de oranjerie en de kas. Verder zijn volgens de raad in het plan voldoende waarborgen opgenomen om te voorkomen dat ter plaatse van de woning aan de [locatie] sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder. Voor zover [appellant sub 3] gronden aanvoert die betrekking hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Van Borsselenweg 36, stelt de raad dat het relativiteitsvereiste aan de gegrondverklaring van deze beroepsgrond in de weg staat.

11.2. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens een schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

11.3. [appellant sub 3] heeft ter zitting toegelicht dat indien bij de woning aan de Van Borsselenweg 36, die grenst aan het plangebied, moet worden voldaan aan de gestelde geluidnormen, dit met zich brengt dat de geluidbelasting ter plaatse van zijn eigen woning die wat verderop is gelegen daardoor ook lager zal zijn. Nu de beoordeling van het geluid die heeft geleid tot opname van artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels strekken ter bescherming van het goede woon- en leefklimaat van onder meer [appellant sub 3], ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat in dit geval artikel 8:69a van Awb in de weg staat aan vernietiging van artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels, voor zover daarin de woning aan de Van Borsselenweg 36 is uitgezonderd.

11.4. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels gelden bij de activiteiten die zijn toegestaan binnen de bestemming "Cultuur en Ontspanning - Nutstuin" de volgende maximale geluidsnormen/ - belasting (het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, L(Ar, LT) van de Tuin de Lage Oorsprong (het terrein gelegen binnen de erfafscheiding van de tuin) op de gevels van de omliggende woningen, niet zijnde de woning aan de Van Borsselenweg 36:

11.5. Ten behoeve van het plan is akoestisch onderzoek verricht. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport "Akoestisch onderzoek, Tuin de Lage Oorsprong, Van Borsselenweg 36 te Oosterbeek", opgesteld op 29 oktober 2014 door Akoestisch buro Tideman (hierna: het akoestisch onderzoek). In het akoestisch onderzoek is vermeld dat met behulp van een rekenmodel de geluidbelasting is berekend. Daartoe zijn de omgevingskenmerken in kaart gebracht, de daarbij behorende bronvermogens en de tijd dat deze in werking zijn. Voor de representatieve bedrijfssituatie is vermeld dat onder meer is uitgegaan van muziekgeluid in de oranjerie en de kas, dat dit muziekgeluid niet kan worden gecorrigeerd voor de tijd dat deze in werking is en dat om die reden - hoewel dat in de praktijk niet het geval zal zijn - in de berekening wordt uitgegaan van 24 uur licht versterkte muziek. Daarbij is uitgegaan van een bronvermogen van 85 dB(A). Uit het akoestisch onderzoek volgt dat voor de woning aan de [locatie] het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau gedurende de dag 39 dB(A) bedraagt en in de avond en de nacht 26 dB(A). Voorts is vermeld dat voor muziek welke herkenbaar is een correctie van 10 dB geldt en dat bij toepassing van deze correctie de geluidbelasting 49 dB(A) zal bedragen gedurende de dagperiode en 36 dB(A) in de avond- en nachtperiode.

11.6. Ten aanzien van het betoog dat de Van Borsselenweg bij het uitvoeren van het akoestisch onderzoek diende als omleidingsroute waardoor het achtergrondniveau tijdelijk hoger was en daarom niet als representatief uitgangspunt kan worden gehanteerd, overweegt de Afdeling dat in het akoestisch onderzoek aan de hand van een representatieve bedrijfssituatie de geluidbelasting op de nabijgelegen woningen is berekend. Bij deze berekening is de hoogte van het achtergrondgeluid vanwege het verkeer op de Van Borsselenweg niet betrokken, zodat dit betoog feitelijke grondslag mist.

11.7. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met geopende deuren en ramen in de oranjerie en de kas, overweegt de Afdeling dat in het akoestisch onderzoek is vermeld dat bij de berekening is uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie, inhoudende de bedrijfssituatie die maximaal op een dag kan voorkomen en waarmee de maximale geluidbelasting ter plaatse van de rekenpunten wordt verwacht. Uit het akoestisch onderzoek blijkt niet dat bij de representatieve bedrijfssituatie rekening is gehouden met muziekuitvoeringen in de oranjerie en de kas waarbij ramen en deuren geopend zijn. Naar het oordeel van de Afdeling betreft dit evenwel een bedrijfssituatie waarvan niet onaannemelijk is dat die zich voordoet. Weliswaar heeft de raad ter zitting aangegeven dat het betrekken van deze bedrijfssituatie in de berekeningen niet zou leiden tot een andere uitkomst omdat in de berekeningen is uitgegaan van geluid in de open lucht als worstcasescenario, maar uit het akoestisch onderzoek blijkt dat zowel het geluid vanuit de kas en de oranjerie alsmede het afspelen van muziek in het groene forum gedurende de hele dag als representatieve bedrijfssituatie is beschouwd. Bij de berekeningen is weliswaar reeds rekening gehouden met muziek in de buitenlucht maar niet voor zover het gaat om muziek afkomstig uit de kas en de oranjerie. Daarmee is onduidelijk of met het plan, rekening houdend met muziekgeluid vanuit de kas en de oranjerie bij geopende ramen en deuren, binnen de in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels gestelde geluidnormen kan worden gebleven. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich op basis van het akoestisch onderzoek niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het plan kan worden voldaan aan de geluidnormen zoals opgenomen in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels.

In aansluiting hierop overweegt de Afdeling ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat in het plan had moeten worden bepaald dat de geluidoverlast veroorzakende activiteiten op grotere afstand tot de woning aan de [locatie] dienen plaats te vinden, de raad niet onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek kunnen stellen dat ter plaatse van de woning wordt voldaan aan de in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels gestelde geluidnormen en dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Deze betogen van [appellant sub 3] slagen.

11.8. De Afdeling stelt vast dat de tuin waarin het plan voorziet een inrichting betreft als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit).

In artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit zijn grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau op de gevel van gevoelige gebouwen in de dag-, avond-, en nachtperiode.

Op grond van artikel 1 wordt onder gevoelige gebouwen verstaan: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting.

11.9. De Afdeling stelt vast dat aan de woning aan de Van Borsselenweg 36 in het bestemmingsplan "Buitengebied", gedeeltelijk herzien met het bestemmingsplan "Buitengebied (correctieve) herziening 2008" de bestemming "Woondoeleinden" is toegekend. Dat betekent dat ten opzichte van deze woning de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit in acht moeten worden genomen. De omstandigheid dat in artikel 3, lid 3.1, onder e, van de planregels de woning aan de Van Borsselenweg 36 wordt uitgesloten, brengt derhalve niet met zich dat ten aanzien van deze woning geen geluidnormen gelden. Nu de raad ervoor heeft gekozen in voornoemde planregeling lagere geluidgrenswaarden op te nemen dan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit, brengt dit wel met zich dat deze lagere waarden niet gelden voor de woning aan de Van Borsselenweg 36. Uit de stukken noch het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad aan deze keuze een duidelijke afweging ten grondslag heeft gelegd, hoewel hij ter zitting wel heeft erkend zich te realiseren dat aan deze woning een woonbestemming is toegekend en dat het derhalve in planologisch opzicht niet gaat om een bedrijfswoning. Gelet op het vorenstaande slaagt dit betoog van [appellant sub 3].

Verkeersveiligheid

12. De Vereniging betoogt dat ten onrechte niet is onderzocht wat de gevolgen van het plan zijn voor de verkeersveiligheid op de Van Borsselenweg. In dat verband betoogt zij dat het een smalle weg is met zodanige hoogteverschillen dat deze aantrekkelijk is voor racefietsers en mountainbikers.

12.1. De raad stelt dat de Van Borsselenweg in de richting van het plangebied over voldoende capaciteit beschikt om het verkeer veilig te kunnen verwerken.

12.2. De Vereniging en de Stichting hebben ter onderbouwing van hun beroepschriften een vervoersplanologisch onderzoek laten opstellen die betrekking heeft op de verkeerssituatie op de Van Borsselenweg en de parkeerbehoefte als gevolg van het plan. Dit onderzoek, getiteld "Parkeren, de achilleshiel bij "Tuin de Lage Oorsprong"", dateert van 23 februari 2015 en is opgesteld door dr.ir. C.F. Jaarsma (hierna: het tegenonderzoek). In het tegenonderzoek wordt geconcludeerd dat vanwege de extra verkeersgeneratie aan het aspect verkeersveiligheid nadrukkelijk meer aandacht dient te worden besteed. Van belang hierbij is volgens het tegenonderzoek het hoogteverschil van de weg, het gebruik van de weg door fietsers en langs de weg geparkeerde auto’s. De raad heeft hierop ter zitting gereageerd en uitgelegd dat twee verkeerskundigen in dienst van de gemeente het gebied in 2014 tweemaal hebben bezocht om de verkeerssituatie te inventariseren en tot de conclusie zijn gekomen dat geen sprake is van een verkeersonveilige situatie op de Van Borsselenweg. Op basis van voornoemde conclusie in het tegenonderzoek en in aanmerking genomen de toelichting van de raad ter zitting, acht de Afdeling niet aannemelijk dat vanwege het plan een zodanige onaanvaardbare situatie zal ontstaan ten aanzien van de verkeersveiligheid op de Van Borsselenweg, dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Dit betoog van de Vereniging faalt.

Parkeren

13. De Stichting, de Vereniging en [appellant sub 3] betogen dat het plan voorziet in onvoldoende parkeergelegenheid. Er heeft geen gedegen verkeersonderzoek plaatsgevonden waardoor onduidelijk is wat de verkeersaantrekkende werking zal zijn. Voorts liggen de parkeerplaatsen die de raad heeft voorzien, volgens hen op te grote afstand van het plangebied waardoor het onwaarschijnlijk is dat bezoekers hiervan gebruik zullen maken. De Van Borsselenweg leent zich naar hun opvatting daarnaast niet om te worden gebruikt door bezoekers die vanwege de parkeerafstand via deze weg van en naar de tuin moeten lopen. Daartoe wijzen zij op de breedte van de weg, het ontbreken van een voetpad en de hoogteverschillen waardoor deze weg aantrekkelijk is voor racefietsers en mountainbikers.

13.1. De raad stelt dat gemiddeld ongeveer 20 tot 80 bezoekers op een activiteit af komen. Op een filmavond of bij een muziekuitvoering van het zigeunerorkest zijn dat er ruim 100. Volgens de raad leidt het plan niet tot een toename van het aantal bezoekers in vergelijking tot de bestaande situatie. Omdat de activiteiten met name een lokaal karakter hebben, komt een groot deel van de bezoekers lopend of per fiets. De 12 tot 16 in het plan voorziene parkeerplaatsen acht de raad voldoende. Daarnaast zijn in de directe omgeving van het plangebied circa 20 tot 25 openbare parkeerplaatsen beschikbaar, aldus de raad. Ook bestaat de mogelijkheid om te parkeren langs de Van Borsselenweg en voor het opvangen van piekdrukte kan worden geparkeerd bij de Westerbouwing (75 parkeerplaatsen) en Pluryn (100 parkeerplaatsen). De loopafstand van 750 respectievelijk 600 meter acht de raad voor die gevallen aanvaardbaar. Omdat de toegestane activiteiten qua omvang en duur zodanig zijn ingeperkt, zal van piekdrukte nauwelijks sprake zijn. Tot slot stelt de raad dat het tegenonderzoek dat door de Stichting en de Vereniging is overgelegd, is gebaseerd op onjuiste uitgangspunten wat betreft de toegestane activiteiten en dat de uitkomsten van dit onderzoek daarom niet kunnen worden gevolgd.

13.2. In de plantoelichting is vermeld dat de parkeergelegenheid een aandachtspunt vormt omdat direct bij de tuin nagenoeg geen bestaande of realiseerbare parkeergelegenheid voorhanden is. Binnen de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" is plaats voor minimaal 12 parkeerplaatsen. Ook is bij de ingang van de tuin binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin" voorzien in de aanduiding "parkeerterrein" waar ter plaatse 2 tot 3 auto’s kunnen parkeren. Verder liggen aan de noordzijde van de Van Borsselenweg naast de daar gelegen woningen nog 11 parkeerplaatsen die zelden tot nooit (allemaal) bezet zijn. Ook kunnen de circa 5 parkeerplaatsen van de scouting aan de Van Borsselenweg worden gebruikt. Voor het opvangen van piekdrukte bestaat de mogelijkheid om te parkeren bij de Westerbouwing, waar 75 parkeerplaatsen beschikbaar zijn en bij Pluryn, waar 100 parkeerplaatsen beschikbaar zijn.

13.3. De Afdeling acht het door de raad gehanteerde aantal van 20 tot 80 bezoekers per activiteit, dat is gebaseerd op ervaringscijfers over de jaren 2011 tot 2014 en de in die jaren gehouden activiteiten, aannemelijk. Het aantal van 200 bezoekers waarvan in het tegenonderzoek wordt uitgegaan acht de Afdeling geen reëel uitgangspunt nu bij die berekening ten onrechte wordt uitgegaan van het gebruik van de totale capaciteit van de tuin voor evenementen (bruiloften, partijen, conferenties en familiebijeenkomsten) terwijl het houden van evenementen gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, onder a en b, van de planregels uitdrukkelijk is uitgesloten.

Uitgaande van het aantal van 20 tot 80 bezoekers per activiteit, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de minimaal beschikbare 15 parkeerplaatsen op het terrein van de tuin en de in de directe omgeving beschikbare parkeerplaatsen voldoende parkeergelegenheid wordt geboden. Hierbij heeft de raad kunnen betrekken dat een gedeelte van de bezoekers per fiets zal komen en gemiddeld twee bezoekers een auto zullen delen.

Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in incidentele gevallen de parkeerterreinen van Westerbouwing en Pluryn als overloopgebied kunnen worden gebruikt ook al bevinden deze parkeerterreinen zich op een afstand van 750 respectievelijk 600 meter van de tuin. Ter zitting is van de zijde van Stichting Tuin de lage Oorsprong toegelicht dat voor dit soort gevallen verkeersregelaars worden ingezet die bezoekers met een auto leiden naar het parkeerterrein van Westerbouwing of Pluryn.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene parkeermogelijkheden in de buurt van het plangebied toereikend zijn en falen de betogen van de Stichting, de Vereniging van [appellant sub 3] op dit onderdeel.

Natura 2000-gebied en EHS

14. De Vereniging betoogt dat in de Natuurtoets ten onrechte niet is onderzocht wat de gevolgen zijn van het parkeren langs de Van Borsselenweg en de effecten van de verkeerstoename op het Natura 2000-gebied "De Veluwe" en de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS). Ook is volgens de Vereniging ten onrechte geen toets verricht in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (hierna: PAS).

[appellant sub 3] betoogt dat het plan binnen de Groene Ontwikkelingszone (hierna: GO) ligt en dat de in het plan toegestane activiteiten niet zijn aan te merken als extensieve openluchtrecreatie als bedoeld in de Omgevingsvisie Gelderland, noch binnen het begrip extensieve recreatie als bedoeld in artikel 1, lid 1.38, van de planregels. Voorts is er gezien de openingstijden, de toegestane activiteiten en de lichtuitstraling van de kas en oranjerie geen waarborg dat de abiotische kwaliteiten stilte, donkerte, openheid en rust, waarvoor het gebied is aangewezen, niet worden aangetast.

14.1. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

14.2. Het betoog van de Vereniging dat ten onrechte geen toets is verricht aan het PAS faalt reeds omdat de PAS ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet in werking was getreden. De raad was dan ook niet gehouden om het plan, vooruitlopend op de inwerkingtreding ervan, aan het PAS te toetsen.

14.3. Bij de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied "De Veluwe" moet worden uitgegaan van de huidige, feitelijke situatie als referentiekader. Daarbij gaat het om de feitelijke legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2013; ECLI:NL:RVS:2013:BZ1284). Vast staat dat het gebruik van de gronden ten behoeve van een (beelden)tuin alsmede de in dat kader georganiseerde activiteiten zoals vermeld op p. 16 en 17 van de plantoelichting op grond van het vorige plan niet waren toegestaan. Gelet hierop voorziet het bestemmingsplan in een ruimtelijke ontwikkeling die bij de beoordeling op grond van artikel 19j van de Nbw 1998 moet worden betrokken.

Ten behoeve van het plan is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van het plan op beschermde vogel- en habitattypen op grond van de Nbw 1998. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Natuurtoets planlocatie Tuin de Lage Oorsprong, Oosterbeek" opgesteld op 9 maart 2011 door De Groene Ruimte BV (hierna: de Natuurtoets). Uit de Natuurtoets volgt dat is beoordeeld of sprake zal zijn van effecten ten gevolge van het plan voor zover het betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning - Nutstuin". Uit de Natuurtoets blijkt niet dat de effecten van het parkeren langs de Van Borsselenweg alsmede de verkeersbewegingen van en naar de tuin zijn betrokken in de beoordeling. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met het bepaalde in artikel 19j van de Nbw 1998. Dit betoog van de Vereniging slaagt.

14.4. Op 18 oktober 2014 is de Omgevingsverordening Gelderland in werking getreden waarin de gronden van het plangebied niet langer zijn aangeduid als EHS maar als GO.

Op grond van artikel 2.7.2.1, tweede lid, van de Omgevingsverordening Gelderland kunnen in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO nieuwe kleinschalige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, mits:

a. in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; en

b. deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.

In de toelichting op dit artikel staat dat de GO een dubbeldoelstelling heeft: er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Ten aanzien van de ligging van het plan binnen de GO is in de plantoelichting vermeld dat het initiatief past binnen het streven van de provincie om de duurzame toeristisch-recreatieve sector en de vitaliteit van het landelijk gebied te bevorderen. Gelet hierop alsmede hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in overeenstemming is met artikel 2.7.2.1, tweede lid, van de Omgevingsverordening Gelderland.

Dit betoog van de Vereniging faalt.

14.5. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 3] overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid, maar hiermee rekening dient te houden, hetgeen betekent dat hij dit beleid in de belangenafweging dient te betrekken. In de plantoelichting is beschreven hoe het plan zich verhoudt tot het provinciaal beleid in de Omgevingsvisie Gelderland. Hierbij is onder meer ingegaan op de relatie tussen het bestemmingsplan en de ligging van het plangebied in de GO. In de plantoelichting staat dat het plan past binnen de Omgevingsvisie Gelderland. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het provinciaal beleid niet in zijn belangenafweging heeft betrokken. Het betoog faalt.

Landschapswaarden

15. In de planregels is volgens de Stichting en de Vereniging verder ten onrechte geen dubbelbestemming opgenomen die strekt tot bescherming en behoud van landschappelijke- en natuurwaarden terwijl deze waarden in het vorige plan wel werden beschermd.

15.1. In het vorige plan "Buitengebied", gedeeltelijk herzien met het bestemmingsplan "Buitengebied (correctieve) herziening 2008", was aan de gronden ter plaatse van de tuin de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" toegekend.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden met deze bestemming bestemd voor:

a. de uitoefening van het agrarisch bedrijf;

b. de bescherming van en het behoud van natuur- en landschapswaarden. Deze landschapswaarden zijn als zodanig op de kaart "landschapswaardering" met de volgende lettercodes aangegeven:

h. kleinschalige hoogteverschillen;

o. openheid;

r. rustige omstandigheden;

w. waterhuishoudkundige situatie.

15.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze landschapswaarden met het thans voorliggende plan afdoende zijn beschermd. Hierbij betrekt de Afdeling dat in artikel 3, lid 3.5.1, van de planregels is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werkzaamheden uit te voeren zoals het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden. Voorts zal het plan gelet op de voorziene bebouwing en het toegestane gebruik kunnen leiden tot een afname van de openheid in het gebied, maar gelet op de omvang van het terrein en de omgeving heeft de raad deze afname niet onaanvaardbaar kunnen achten. Verder is in artikel 3, lid 3.1, van de planregels bepaald dat het gebruik dient te passen bij de rustieke uitstraling van het terrein en de omgeving met een rustige uitstraling en is aan de gronden deels de dubbelbestemming "Waarde - Beschermingszone niet-waterdoorlatende lagen en grondwaterstromen toegekend, waarmee het behoud van een goede de waterhuishoudkundige situatie is geborgd. Gelet op het vorenstaande faalt dit betoog van de Stichting.

Flora en fauna

16. De Stichting betoogt dat ten behoeve van het plan ten onrechte slechts één veldonderzoek is uitgevoerd, waarmee volgens haar niet vast staat dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

[appellant sub 3] betoogt dat in de quick scan flora en fauna is uitgegaan van een onjuist bouwplan, zodat de resultaten uit dit onderzoek niet aan het plan ten grondslag kunnen worden gelegd. Verder is in de quick scan uitgegaan van onjuiste afstanden tot de bunker waar vleermuizen overwinteren. Dat de kas ’s avonds niet zou worden verlicht is in tegenspraak met de mogelijkheid om 10 keer per jaar activiteiten te verrichten tot 23.00 uur. Bovendien staat niet vast dat de oranjerie en de kapschuur niet worden voorzien van buitenverlichting, aldus [appellant sub 3].

16.1. De raad stelt dat het onderzoek naar de flora en fauna deugdelijk is en dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

16.2. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

16.3. Ten behoeve van het plan is een ecologische quick scan uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de Natuurtoets. De conclusie van de Natuurtoets is dat het plan niet leidt tot een verstoring van beschermde soorten. Vermeld is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden een algemene zorgplicht geldt om te voorkomen dat planten en dieren worden verstoord. In de Natuurtoets is voorts vermeld dat het plan geen invloed kan hebben op verblijfplaatsen van vleermuizen in de omgeving omdat de kas ’s nachts niet wordt verlicht en de overige bebouwing niet wordt voorzien van buitenverlichting. Voorts is vermeld dat op circa 120 meter afstand van de tuin een kleine bunker ligt, waarin vleermuizen overwinteren. De bunker ligt, aldus de Natuurtoets, op een dusdanige afstand van het plan dat er geen invloed van het plan op dit winterverblijf verwacht kan worden.

16.4. De Stichting stelt terecht dat in de Natuurtoets staat dat op basis van een eenmalig veldbezoek de geschiktheid van het onderzoeksgebied is beoordeeld voor de verwachte soorten en soortgroepen en dat de mogelijkheden tot waarnemen van beschermde soorten vanwege het vroege tijdstip in het voorjaar beperkt waren. Anders dan de Stichting betoogt, betekent de omstandigheid dat slechts beperkt veldonderzoek is verricht niet zonder meer dat dit rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het rapport is niet louter opgesteld op basis van het veldonderzoek, maar hieraan ligt eveneens bureauonderzoek ten grondslag, waarbij een aantal andere bronnen, zoals verspreidingsatlassen, zijn betrokken. Gelet hierop ziet de Afdeling in dit betoog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de Natuurtoets niet aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen.

16.5. Ter zitting heeft de raad gesteld dat in het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen voorkomen van vleermuizen. Uit de Natuurtoets volgt wel dat het plangebied kan dienen als foerageergebied. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 juli 2012 in zaak nr. 201109200/1/R3), wordt een foerageergebied of vaste vliegroute niet gerekend tot een vaste rust- of verblijfplaats die op grond van artikel 11 van de Ffw bescherming geniet, tenzij deze als zodanig samenvalt met een vaste rust- of verblijfplaats. In hetgeen de Stichting en [appellant sub 3] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de conclusie uit de Natuurtoets dat de binnen het plan gelegen foerageergebied niet samenvalt met vaste rust- of verblijfplaatsen, onjuist is. Het vorenstaande laat onverlet dat artikel 11 van de Ffw desalniettemin wordt overtreden, indien door het verdwijnen van het foerageergebied de ecologische functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen van de desbetreffende vleermuissoorten zodanig wordt verstoord, dat ze deze plaatsen om die reden zullen verlaten. Ter zitting heeft de raad medegedeeld dat elders in de omgeving van het plangebied voldoende foerageergebied aanwezig is. Gelet hierop acht de Afdeling aannemelijk dat, ook al zou het plangebied niet langer geschikt zijn als foerageergebied, de ecologische functionaliteit van de vaste rust- of verblijfplaatsen niet in het geding komt. De vraag of in de Natuurtoets is uitgegaan van het juiste bouwplan, welke afstand geldt tussen de tuin en de bunker, of in het plangebied gebruik zal worden gemaakt van buitenverlichting en zo ja, wat voor gevolgen dit heeft, behoeft gelet hierop geen beantwoording.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De betogen van de Stichting en [appellant sub 3] falen. Gelet hierop behoeft het betoog van de raad dat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 3] artikel 8:69a van de Awb in zoverre aan de vernietiging van het besluit in de weg staat geen bespreking meer.

Conclusie

17. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op hetgeen is overwogen onder 4.6 aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van de Stichting is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op hetgeen is overwogen onder 11.7 en 11.9 aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

In hetgeen de Vereniging heeft aangevoerd ziet de Afdeling gelet op hetgeen is overwogen onder 14.3 aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb in samenhang met artikel 19j van de Nbw 1998. Het beroep van de Vereniging is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

18. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

19. De raad dient ten aanzien van de Stichting en de Vereniging op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten in verband met de beroepen te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Het verzoek van de Stichting en de Vereniging om een proceskostenveroordeling voor het meebrengen van een deskundige wordt afgewezen nu daarvan niet overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mededeling is gedaan. De Afdeling beschouwt dr. ir. C.F. Jaarsma als gemachtigde van de Stichting en de Vereniging. Gelet op zijn speciale deskundigheid ziet de Afdeling op de voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb aanleiding voor vergoeding van zijn reiskosten.

In verband met het door de Stichting en de Vereniging ingebrachte tegenonderzoek "Parkeren, de achilleshiel bij "Tuin de Lage Oorsprong"" van 23 februari 2015, worden de kosten daarvan - zoals door de Stichting en de Vereniging in het proceskostenformulier verzocht - voor 50% van het totale bedrag toegeschreven aan de Stichting en voor 50% aan de Vereniging.

Dit geldt evenzeer voor de door de Stichting en Vereniging opgevoerde reiskosten van mr. G. van der Kuil en dr. ir. C.F. Jaarsma.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de stichting Stichting voor Heemkunde Renkum, de vereniging Vereniging Vijf Dorpen in ’t Groen en [appellant sub 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Renkum van 17 december 2014, waarbij het bestemmingsplan

"Tuin de Lage Oorsprong 2013" is vastgesteld;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Renkum tot vergoeding van bij de stichting Stichting voor Heemkunde Renkum in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.469,04 (zegge: veertienhonderdnegenenzestig euro en vier cent), waarvan € 490,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Renkum tot vergoeding van bij de vereniging Vereniging Vijf Dorpen in 't Groen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.469,04 (zegge: veertienhonderdnegenenzestig euro en vier cent), waarvan € 490,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Renkum aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor de stichting Stichting voor Heemkunde Renkum, € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor de vereniging Vereniging Vijf Dorpen in 't Groen en € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) voor [appellant sub 3] vergoedt;

V. draagt de raad van de gemeente Renkum op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat deze uitspraak wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.C.V. Fenwick, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Fenwick

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2015

608.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature