< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft het CBR het aan [verzoeker] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard en hem verplicht om deel te nemen aan het alcoholslotprogramma (hierna: asp).

Uitspraak



201407803/2/A1.

Datum uitspraak: 20 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 september 2014 in zaak nr. 14/2734 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2013 heeft het CBR het aan [verzoeker] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard en hem verplicht om deel te nemen aan het alcoholslotprogramma (hierna: asp).

Bij besluit van 28 maart 2014 heeft het CBR het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 september 2014 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 oktober 2014, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. F.S. Jansen, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. L.H. Krajenbrink, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat de geldigheid van zijn rijbewijs in afwachting van de bodemprocedure voortduurt. Hij heeft aan zijn verzoek met name ten grondslag gelegd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij voor zijn inkomen afhankelijk is van de C-categorie van zijn rijbewijs. Daartoe voert hij aan dat hij een WBB-uitkering heeft, maar dat hij als vrachtwagenchauffeur in de bouw heeft gewerkt en dat hij zonder dit rijbewijs niet in aanmerking komt voor een baan. Hij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aan hem opgelegde maatregel niet is aan te merken als een maatregel gebaseerd op een "criminal charge" als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verder heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte overwogen dat de in de Staatscourant gepubliceerde (2014, nr. 10591) en op 24 april 2014 in werking getreden wijziging van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 niet op hem van toepassing is.

2.1. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting was [verzoeker] ten tijde van het besluit van 11 juli 2013 tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs en het opleggen van het asp, zomede ten tijde van het besluit op bezwaar, werkloos en was hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk van een WBB-uitkering. Ter zitting heeft [verzoeker] toegelicht dat hij ook thans nog werkloos is en een uitkering heeft. De voorzitter acht gelet op het vorenstaande op voorhand niet aannemelijk dat [verzoeker] voor zijn inkomen afhankelijk is van de C-categorie van zijn rijbewijs. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verzoeker] niet heeft aangetoond dat hij als gevolg van de aan hem opgelegde maatregel niet kan voldoen aan de sollicitatieplicht die hij in het kader van zijn WBB-uitkering heeft en dat hij zonder de C-categorie van zijn rijbewijs in het geheel niet in aanmerking zou kunnen komen voor een baan.

Naar het oordeel van de voorzitter ontbreekt onder de voorgenoemde omstandigheden een spoedeisend belang dat rechtvaardigt dat in afwachting van de behandeling van de bodemzaak een voorziening wordt getroffen, als door [verzoeker] verzocht.

3. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van den Berg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2014

651.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



∧ naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature