E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RVS:2012:BY5104
LJN BY5104, Raad van State, 201107020/1/A3

Inhoudsindicatie:

Gedeeltelijke afwijzing door korpsbeheerder van verzoek van appellant om openbaarmaking van alle mutaties en processen-verbaal uit de eerste zes maanden van 2008 die betrekking hebben op discriminatie. Ter zitting heeft de korpsbeheerder het standpunt ingenomen dat de stukken uit voormelde overige dossiers politiegegevens bevatten, zodat het verzoek van appellant mede had moeten worden beoordeeld op grond van de Wpg.

De Wpg bevat een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens als bedoeld in art. 1, aanhef en onder a, van die wet (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2012 in zaak nr. 201107561/1/A3, LJN: BX6514). Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van de Wob op een verzoek om verstrekking van die gegevens. Bij de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, is onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 200910242/1/H3, LJN: BN8578), dient daarbij te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Bij deze beoordeling mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke dan wel enig ander persoon zijn in te zetten om die persoon te identificeren (Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, blz. 45-50).

De Afdeling heeft met toepassing van art. 8:29, lid 5 van de Awb kennisgenomen van de niet-verstrekte gegevens uit de overige dossiers. Naar het oordeel van de Afdeling moeten deze gegevens, op zichzelf dan wel bezien in de context van de documenten waarin ze zijn opgenomen en in combinatie met andere gegevens, worden aangemerkt als gegevens betreffende geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen. Nu deze gegevens voorts in het kader van de uitoefening van de politietaak worden verwerkt, moeten ze worden aangemerkt als politiegegevens in de zin van art. 1, aanhef en onder a, van de Wpg. In zoverre heeft de korpsbeheerder het verzoek van appellant derhalve ten onrechte beoordeeld op grond van de Wob. De Rb. heeft dit niet onderkend.

Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het aldus vernietigde gedeelte van het besluit van 11 mei 2010 in stand te laten.

De niet-verstrekte gegevens uit de overige dossiers hebben, naar niet in geschil is, geen betrekking op appellant. Deze gegevens kunnen daarom niet worden aangemerkt als hem betreffende politiegegevens in de zin van art. 25, lid 1 van de Wpg en kunnen niet met toepassing van die bepaling aan appellant worden verstrekt. Nu de betrokken gegevens evenmin op grond van enige andere bepaling van de Wpg aan appellant kunnen worden verstrekt, heeft de korpsbeheerder terecht - zij het op onjuiste gronden - geweigerd die gegevens aan appellant te verstrekken.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie