E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RVS:2012:BX9689
LJN BX9689, Raad van State, 201112125/1/A2

Inhoudsindicatie:

Lagere vaststelling van voor agrarisch natuurbeheer verleende subsidie. Bij het uitrijden van mest zou art. 5, lid 1 van het Besluit gebruik meststoffen niet zijn nageleefd, omdat dierlijke meststoffen niet op emissiearme wijze werden uitgereden. Het desbetreffende perceel grasland werd op dat moment in opdracht van appellant door een loonwerker bemest. De gedraging van de loonwerker, het niet-emissiearm uitrijden van de mest, is aan appellant toegerekend. Het college heeft de subsidie lager vastgesteld, uitgaande van een kortingspercentage van 20% wegens opzettelijke niet-naleving. Aan het besluit van 27 april 2011 is ten grondslag gelegd dat de van toepassing zijnde regelgeving reeds jarenlang onveranderd is, zodat sprake is van langdurig bestendig beleid in de zin van artikel 8, lid 2, aanhef en onder c, van de Beleidsregels.

Uit een door appellant overgelegd besluit van de staatssecretaris van 14 december 2011 blijkt dat deze het bezwaar van appellant tegen de hem opgelegde korting van de GLB-inkomenssteun alsnog gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, omdat uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 9 november 2011 in zaak 10/276 (LJN: BU4769) volgt dat een door een loonwerker opzettelijk gepleegde overtreding niet zonder meer mag leiden tot het toerekenen van opzet aan de landbouwer. Omdat appellant volgens het AID-rapport opdracht heeft gegeven voor het volgens de regels uitrijden van meststoffen, kan appellant volgens de staatssecretaris geen opzettelijke niet-naleving worden verweten, wel nalatige niet-naleving.

Aan de door de staatssecretaris opgelegde korting ligt hetzelfde rapport van de AID van de op 21 februari 2009 en dezelfde daarin geconstateerde gedraging ten grondslag. De staatssecretaris en het college hanteren beide de Beleidsregels bij de uitoefening van de hun toekomende bevoegdheid om inkomenssteun, onderscheidenlijk subsidie voor agrarisch natuurbeheer te verlenen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Deze bevoegdheden vloeien voort uit bepalingen van Verordeningen van de Europese Unie die vrijwel gelijkluidend zijn en voor zover hier van belang, inhoudelijk hetzelfde inhouden.

Ondanks het besluit van de staatssecretaris van 14 december 2011 blijft het college, zo is ter zitting gebleken, bij zijn eigen besluit. Dat betekent dat de lidstaat Nederland aan bepalingen van Verordeningen van de Europese Unie met eenzelfde inhoud bij toepassing van deze bepalingen op eenzelfde feitencomplex verschillende betekenis toekent. Een inhoudelijke motivering ten betoge dat het college zich met recht niet bij het nader door de staatssecretaris gemotiveerd ingenomen standpunt over de betekenis die in dit geval toekomt aan de bepalingen opgenomen in Verordeningen van de Europese Unie aansluit, is niet gegeven. Onder deze omstandigheden komt het bestreden besluit wegens strijd met het vereiste van een dragende motivering voor vernietiging in aanmerking.

Het hoger beroep is gegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie