E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RVS:2012:BX5933
LJN BX5933, Raad van State, 201107846/1/A3

Inhoudsindicatie:

Besluit niet verlenen huisvestingsvergunning voor woning onder vaststelling dat de woonruimte door het vertrek van appellant is vrijgekomen voor distributie. Aanzegging bestuursdwang om woning uiterlijk op 29 september 2010 te ontruimen.

Ontruiming van een woning is een ingrijpende maatregel. Gelet hierop dienen hoge eisen te worden gesteld aan de motivering van de stelling van het college dat appellant de woning heeft verlaten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26-01-2011 in zaak nr. 201005716/1/H3, LJN: BP2056) volgt uit art. 7 van de Huisvestingswet dat de huisvestingsvergunning ertoe strekt de woning legaal in gebruik te kunnen nemen. Dit brengt met zich dat de vergunning na die ingebruikname is uitgewerkt, zodat deze vergunning na het metterwoon verlaten van de woning niet ten tweede male kan worden gebruikt om de woning weer in gebruik te nemen.

Niet in geschil is dat appellant in de periode van juli 2008 tot juni 2010 in Marokko verbleef en gedurende die periode geen gebruik heeft gemaakt van de woning. Dat tijdens zijn afwezigheid de huur van de woning is betaald en deze is onderhouden door een familielid brengt op zichzelf bezien niet mee dat geen grond bestaat voor het oordeel dat appellant de woning metterwoon heeft verlaten. Voorts is niet in geschil dat het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen appellant slechts toestemming heeft verleend om voor de periode van 12 juli 2008 tot 12 november 2008 in Marokko te verblijven en dat het niet op de hoogte is gesteld van de langere afwezigheid. Verder heeft appellant woningcorporatie 'Mitros' niet geĆÆnformeerd over zijn verblijf in Marokko. Daarmee heeft hij niet voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Met de Rb. is de Afdeling van oordeel dat onder deze omstandigheden de langdurige aaneengesloten afwezigheid van bijna twee jaren in verband met verblijf in zijn land van herkomst de conclusie rechtvaardigt dat appellant de woning metterwoon heeft verlaten en zijn hoofdverblijf naar Marokko heeft verplaatst. Dit zou anders zijn indien appellant aannemelijk kan maken dat het door het college ingenomen standpunt niet juist is. Appellant heeft met de door hem overgelegde documenten niet aannemelijk gemaakt dat hij in verband met juridische procedures genoodzaakt was in Marokko te verblijven. Gelet op de inconsistente verklaringen over zijn verblijf in Marokko, zijn de door appellant overgelegde getuigenverklaringen mede door hun onvoldoende objectieve herkomst van onvoldoende gewicht. Met de door hem overgelegde medische documenten heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt dat hij wegens medische redenen niet in staat was om eerder naar Nederland terug te keren. Met de Rb. is de Afdeling van oordeel dat het college, gelet op het langdurige verblijf in zijn land van herkomst en de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant de woning metterwoon heeft verlaten en de huisvestingsvergunning derhalve was uitgewerkt. Het betoog faalt.

De Rb. heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen nieuwe huisvestingsvergunning aan appellant te verlenen. Voorts heeft de Rb. terecht geoordeeld dat het college in de door appellant aangevoerde omstandigheden in redelijkheid geen aanleiding heeft behoeven te zien voor het toepassen van de hardheidsclausule. Daarbij is van belang dat appellant zich gedurende twee jaren zelfstandig heeft kunnen redden in Marokko. Gelet hierop was het college bevoegd om onder oplegging van een last onder bestuursdwang de ontruiming van de woning te bevelen.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie