E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RVS:2012:BW4298
LJN BW4298, Raad van State, 201103346/1/V1

Inhoudsindicatie:

Het betoog dat uit art. 20 van het VWEU voortvloeit dat de vreemdeling moet worden toegestaan met zijn kinderen in Nederland te verblijven, treft geen doel. Concrete aanwijzingen dat de partner, al dan niet met behulp van derden, feitelijk niet in staat is de zorg voor de kinderen te dragen, en dat de kinderen niet bij haar kunnen verblijven, zijn door de vreemdeling niet verstrekt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de minister in het besluit van 25 januari 2010 heeft vermeld dat de partner werkt en aldus in het levensonderhoud van de kinderen voorziet en dat, voor zover de vreemdeling zich op het standpunt stelt dat zijn aanwezigheid nodig is voor de opvang van de kinderen zodat zijn partner in het gezinsinkomen kan voorzien, het aan de partner is om daarvoor een oplossing te vinden. De vreemdeling is er dan ook niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de kinderen, burgers van de Unie, zodanig van hem, burger van een derde land, afhankelijk zijn dat de kinderen als gevolg van de besluitvorming van de minister feitelijk worden verplicht met de vreemdeling buiten de Unie te verblijven. De kinderen wordt derhalve niet het effectieve genot ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie