< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De minister heeft in het besluit in aanmerking genomen dat de vreemdeling van 17 juli 2008 tot 17 november 2009, derhalve langer dan negen maanden, niet stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. In hoger beroep is de overweging van de rechtbank dat het op de weg van de vreemdeling had gelegen om die onjuistheid te onderbouwen door middel van uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie, niet bestreden, zodat thans van de juistheid van deze periode moet worden uitgegaan. Niet in geschil is dat de vreemdeling in voormelde periode bij zijn vader in Marokko heeft verbleven en dat deze inmiddels is overleden. Evenmin is in geschil dat de vreemdeling op 18 februari 2009 meerderjarig is geworden. De rechtbank heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling, zoals de minister ter zitting naar voren heeft gebracht, gedurende de in rechtsoverweging 2.2.4. genoemde periode, die langer dan negen maanden heeft geduurd, het grootste gedeelte meerderjarig was. Gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling, in de periode die hij als meerderjarige in Marokko verbleef, uit zijn gedragingen heeft doen blijken dat hij naar Nederland wenste terug te keren. De minister heeft derhalve in redelijkheid het standpunt in kunnen nemen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overschrijding van de termijn van negen maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden.

Uitspraak



201012048/1/V2.

Datum uitspraak: 24 februari 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 12 november 2010 in zaak nr. 10/18795 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van een aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 3 mei 2010 heeft de minister van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 december 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. In de enige grief klaagt de minister, samengevat en zakelijk weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand heeft gelaten. De rechtbank heeft volgens de minister niet onderkend dat de vreemdeling in de periode van zijn laatste verblijf in Marokko, die langer dan negen maanden heeft geduurd, het grootste gedeelte meerderjarig was en dus niet gezegd kan worden dat hij nog gehoor moest geven aan de beslissingen van zijn moeder.

2.2.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 , kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.

2.2.2. Volgens paragraaf B1/5.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, heeft een vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland, wanneer hij niet duurzaam in Nederland verblijft. Beoordeling van de vraag of sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf vindt plaats aan de hand van factoren van feitelijke aard. In deze paragraaf wordt in dit verband een aantal factoren genoemd die een aanwijzing zijn dat een vreemdeling het hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Daarbij is uitdrukkelijk vermeld dat het een niet-limitatieve opsomming betreft en dat ook op andere feitelijke gronden kan worden geconcludeerd dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt in ieder geval aangenomen, indien een vreemdeling meer dan negen achtereenvolgende maanden buiten Nederland heeft verbleven, tenzij hij aannemelijk maakt dat de overschrijding van de termijn van negen maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden.

2.2.3. In hoger beroep is de overweging van de rechtbank dat het besluit van 3 mei 2010 een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering mist, niet bestreden, zodat thans moet worden uitgegaan van de juistheid van die overweging. Hiermee staat thans in rechte vast dat het besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb dient te worden vernietigd. In geschil is enkel of de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand had moeten laten.

2.2.4. De minister heeft in het besluit in aanmerking genomen dat de vreemdeling van 17 juli 2008 tot 17 november 2009, derhalve langer dan negen maanden, niet stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. In hoger beroep is de overweging van de rechtbank dat het op de weg van de vreemdeling had gelegen om die onjuistheid te onderbouwen door middel van uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie, niet bestreden, zodat thans van de juistheid van deze periode moet worden uitgegaan. Niet in geschil is dat de vreemdeling in voormelde periode bij zijn vader in Marokko heeft verbleven en dat deze inmiddels is overleden. Evenmin is in geschil dat de vreemdeling op [datum] 2009 meerderjarig is geworden.

2.2.5. De rechtbank heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling, zoals de minister ter zitting naar voren heeft gebracht, gedurende de in rechtsoverweging 2.2.4. genoemde periode, die langer dan negen maanden heeft geduurd, het grootste gedeelte meerderjarig was. Gesteld noch gebleken is dat de vreemdeling, in de periode die hij als meerderjarige in Marokko verbleef, uit zijn gedragingen heeft doen blijken dat hij naar Nederland wenste terug te keren. De minister heeft derhalve in redelijkheid het standpunt in kunnen nemen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overschrijding van de termijn van negen maanden het gevolg is van buiten zijn schuld gelegen omstandigheden.

2.2.6. Voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 3 mei 2010 in stand had moeten laten, is voorts van belang of de afwijzing van de aanvraag, zoals de vreemdeling betoogt, in strijd is met artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Hij voert hiertoe aan dat hij samenwoont met zijn moeder, broertje en zusjes en dat van hen niet gevergd kan worden met hem naar Marokko terug te keren aangezien zijn broertje en zusjes in Nederland geworteld zijn en zijn moeder de zorg over hen heeft. Hij stelt voorts dat zijn moeder de belangrijkste beslissingen voor hem neemt. Daarnaast voert hij aan dat hij geen directe familie meer heeft in Marokko en dat hij zich niet staande kan houden in Marokko, aangezien hij zijn beroepsopleiding niet heeft voltooid en derhalve niet in staat is in zijn levensonderhoud te voorzien. Ten slotte voert hij aan dat hij het belangrijkste, namelijk het meest recente gedeelte van zijn leven, in Nederland heeft doorgebracht.

2.2.7. Niet in geschil is dat sprake is van familieleven, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM , tussen de vreemdeling en zijn moeder, zusjes en broertje. Evenmin is in geschil dat de afwijzing van de aanvraag een inmenging, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM , betekent.

2.2.8. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overwogen in onder meer het arrest van 2 augustus 2001, nr. 54273/00, Boultif tegen Zwitserland (AB 2001, 341) dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het familie- of gezinsleven van de vreemdeling rechtvaardigt, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van die lidstaat.

2.2.9. De minister heeft in het besluit in dit kader in aanmerking genomen dat geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM . Hiertoe heeft de minister in aanmerking genomen dat de vreemdeling weliswaar heeft aangegeven dat zijn moeder belangrijke beslissingen voor hem neemt, maar dat hij gezien zijn meerderjarigheid geacht kan worden zijn eigen beslissingen te kunnen nemen. Van de vreemdeling mag volgens de minister worden verwacht dat hij zich als meerderjarige staande kan houden in het land van herkomst, aangezien hij het grootste gedeelte van zijn leven in Marokko heeft gewoond en de taal goed spreekt.

2.2.10. Het geheel van de in dit geval voor de te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden geven, mede in aanmerking genomen dat de minister in dezen een zekere beoordelingsruimte toekomt, geen grond voor het oordeel dat de minister bij de fair balance die moet worden gevonden tussen de belangen van de vreemdeling enerzijds en het algemeen belang anderzijds, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat inmenging in de uitoefening door de vreemdeling van zijn recht op familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is. Hierbij neemt de Afdeling onder meer in aanmerking dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Marokko uit te oefenen. Daarnaast valt niet in te zien dat hij het recht op familie- en gezinsleven niet zou kunnen blijven uitoefenen op de wijze zoals hij dat gedurende langere tijd als meerderjarige vanuit Marokko heeft gedaan. De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand zijn gelaten en voor zover daarbij de minister is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.4. De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 12 november 2010 in zaak nr. 10/18795, voor zover daarbij:

- is nagelaten de rechtsgevolgen van het besluit van 3 mei 2010 in

stand te laten;

- de minister is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te

nemen;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven.

IV. bevestigt deze uitspraak voor het overige;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aan de vreemdeling het door hem betaald griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van staat.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Zegveld

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2012

43-681.

Verzonden: 24 februari 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature