< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Gieterveen-Kampeerterrein Boerendijk" vastgesteld.

Uitspraak



201111498/2/R4.

Datum uitspraak: 20 februari 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1], wonend te Gieterveen, gemeente Aa en Hunze,

2. [verzoeker sub 2], wonend te Gieterveen, gemeente Aa en Hunze,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Aa en Hunze,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Gieterveen-Kampeerterrein Boerendijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2011, en [verzoeker sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2011, beroep ingesteld.

Bij brief van 28 november 2011 heeft [verzoeker sub 1] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 28 november 2011 heeft [verzoeker sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 27 januari 2012, waar [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2], beiden in persoon en bijgestaan door mr. P.C.H. van Schooten en de raad, vertegenwoordigd door T. Bruining en R. Beugels, werkzaam bij de gemeente Aa en Hunze zijn verschenen. Voorts is [partij], bijgestaan door A.T. Onbelet, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan voorziet in een kampeerterrein met bedrijfswoning aan de Boerendijk te Gieterveen.

2.3. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] betogen dat de voorziene camping op een te korte afstand van hun woningen gelegen aan de [locatie A] en [locatie B] komt te liggen en dat als gevolg van het wijzigingsplan hun woon- en leefklimaat op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. [verzoeker sub 2] voert daarnaast aan dat het wijzigingsplan leidt tot een ernstige belemmering van zijn bedrijfsvoering omdat de voorziene camping op een te korte afstand van zijn paardenhouderij ligt.

2.4. De raad stelt dat het plan voldoet aan de vereisten die gesteld worden voor een goed woon- en leefklimaat, zowel voor de door het plan mogelijk gemaakte verblijfsrecreatie en bedrijfswoning als voor de woningen van [verzoeker sub 2] en [verzoeker sub 1]. Zij sluiten daarbij aan bij de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure).

Daarnaast stelt de raad dat de huidige activiteiten van de naastgelegen paardenfokkerij niet worden belemmerd. Zij stellen dat uitbreiding van de paardenhouderij van [verzoeker sub 2] reeds belemmerd wordt door de bebouwingsmogelijkheden op het perceel [locatie A]. De raad stelt dat het kampeerterrein niet in de weg staat aan de mogelijk als gevolg van het plan vereiste omgevingsvergunning voor de paardenhouderij. De raad stelt dat het belang van [verzoeker sub 2] gelegen in het behoud van de bebouwingsmogelijkheden op zijn perceel is meegewogen bij de vaststelling van het plan.

2.5. In de VNG-brochure wordt voor een kampeerterrein een afstand tot woningen geadviseerd van minimaal 50 meter. Voor paardenhouderijen wordt eveneens een afstand tot woningen van 50 meter geadviseerd. De afstand wordt gemeten van de grens van de bestemming die het bedrijf toelaat tot aan de gevel van de woning.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna het Besluit) is, voor zover van belang, het Besluit niet van toepassing op een inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden die gelegen is op een afstand van minder dan 100 meter van een object uit categorie I, waar verblijfsrecreatie onder valt, of op een afstand van minder dan 50 meter van een object uit categorie III-V, waaronder de bedrijfswoning valt. De afstand wordt ingevolge artikel 4 van het Besluit gemeten van af de buitenzijde van het object uit categorie I-V tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van het dierenverblijf. Als niet aan deze voorwaarde uit het Besluit wordt voldaan is ingevolge artikel 2.1, tweede lid, in samenhang met Bijlage I onderdeel B, onder 1, sub b, van het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning vereist.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, in samenhang met het derde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) wordt, voor zover van belang, een omgevingsvergunning niet verleend voor een dierenverblijf buiten de bebouwde kom indien de afstand tot geurgevoelige objecten minder is dan 50 meter. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt de afstand gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt. De paardenhouderij kan worden aangemerkt als een dierenverblijf. Een geurgevoelig object is een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Binnen het plangebied is voor zover thans van belang, de bedrijfswoning als zodanig aan te merken.

2.5.1. Het plangebied is gelegen ten noorden van de Boerendijk te Gieterveen. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan [locatie B], waar [verzoeker sub 2] een paardenhouderij exploiteert en een woning heeft. [locatie B] heeft de bestemming "Agrarische bedrijven". Binnen deze bestemming kunnen gebouwen ten behoeve van een agrarisch bedrijf worden gebouwd, waarbij de afstand van gebouwen tot de bouwperceelgrens minstens zes meter moet zijn. Deze bebouwingsmogelijkheden zijn nog niet volledig benut. De woning van [verzoeker sub 1] aan de [locatie A] staat aan de zuidzijde van het plangebied aan de andere kant van de Boerendijk. Op de gronden rust een woonbestemming. De woning staat in de noordwestelijke hoek van het bestemmingsvlak.

2.6. De woningen van [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] staan op een grotere afstand dan 50 meter van de plandelen met de bestemming "Recreatie-Kampeerterrein". Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand voor kampeerterreinen uit de VNG-brochure. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan er niet toe leidt dat ter plaatse van de woningen [locatie A] en [locatie B] geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat is.

2.7. Voor zover [verzoeker sub 2] betoogt dat de raad voor de berekening van de afstand voor een paardenhouderij uit de VNG-brochure, zijnde een richtafstand van 50 meter vanaf het bestemmingsvlak, ten onrechte niet is uitgegaan van de grens van de bestemmingsvlakken in het vigerende plan, overweegt de voorzitter dat de VNG-brochure een indicatief en globaal karakter heeft en als hulpmiddel dient bij het ontwerpen van een bestemmingsplan en ziet op nieuwe situaties. [verzoeker sub 2] heeft geen gebruik gemaakt van de bebouwingsmogelijkheden op zijn gronden binnen de 50-metergrens vanaf de bedrijfswoning en het kampeerterrein en hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij concrete plannen heeft voor het benutten van deze bebouwingsmogelijkheden. Hierin heeft de raad naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid aanleiding kunnen zien een kortere afstand te hanteren dan weergegeven in de VNG-brochure en daarmee het woon- en leefklimaat ter plaatse van de plandelen met de bestemming "Recreatie-Kampeerterrein" en de bestemming "Recreatie-Bedrijfswoning" aanvaardbaar kunnen achten.

2.8. De gronden met de bestemming "Recreatie-Kampeerterrein" en "Recreatie-bedrijfswoning" liggen op meer dan 50 meter en op minder dan 100 meter van de paardenhouderij van [verzoeker sub 2]. Het Besluit is na de realisatie van de bedrijfsbebouwing niet langer op de inrichting van toepassing, waardoor hiervoor een omgevingsvergunning dient te worden aangevraagd.

2.9. Binnen het plan is, voor zover van belang, de bedrijfswoning als geurgevoelig object in de zin van de Wgv aan te merken. Nu deze op meer dan 50 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt ligt, leidt het toestaan van de bedrijfswoning niet tot een weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning voor de bestaande paardenhouderij.

Het bestemmingsvlak voor de [locatie B] op de kaart behorende bij het wijzigingsplan voor een nieuw agrarisch bedrijf te Gieterveen ligt gedeeltelijk op minder dan 50 meter van de door het plan mogelijk gemaakte bedrijfswoning, waardoor voor een thans onbebouwd gedeelte van [locatie B], na realisatie van de bedrijfswoning ingevolge artikel 4 van de Wgv geen omgevingsvergunning verleend kan worden. De bestemming op [locatie A] biedt de mogelijkheid om op minder dan 50 meter van de grens van het bestemmingsvlak van [locatie B] een woning te bouwen, die uitbreiding van de bebouwing van de paardenhouderij richting het kampeerterrein zou belemmeren.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de vestiging van het kampeerbedrijf zwaarder weegt dan de beperking van de nog niet gerealiseerde bebouwingsmogelijkheden op het perceel van [verzoeker sub 2].

2.10. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan twijfelachtig is. Zij hebben ter zitting een notitie van E. Jans, consulent bedrijfsleven, van 9 juni 2011 in het geding gebracht waarin onder andere wordt geconcludeerd dat het bedrijfsplan van het kampeerterrein summier is en onder andere een bespreking van de doelgroep, de marktpositie en een sterkte/zwakte analyse ontbreken en de prognose van de realisatie van een bezettingsgraad te optimistisch is.

2.11. De raad brengt naar voren dat het bedrijfsplan van 2 augustus 2011 dat voor het kampeerbedrijf is ingediend voldoende onderbouwing geeft voor de financiële haalbaarheid van de bestemming.

2.12. De notitie van de heer Jans dateert van 9 juni 2011, en dus van voor het bedrijfsplan van 2 augustus 2011. Deze notitie ziet op een eerder bedrijfsplan. Het bedrijfsplan van 2 augustus 2011 is op punten waarover voornoemde notitie kritisch is, waaronder de doelgroep, de marktpositie en de prognose van de bezettingsgraad, aangevuld of aangepast.

[verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het bedrijfsplan van verkeerde uitgangspunten is uitgegaan, danwel dat het bedrijfsplan anderszins onjuist is. De raad heeft, gezien dit bedrijfsplan, naar voorlopig oordeel van de voorzitter zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet behoeft te worden getwijfeld.

2.13. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2012

375-725.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature