< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft de minister aan appelant, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek, een inzagedossier van 354 bladzijden verstrekt van bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) aanwezige niet-actuele gegevens betreffende zijn persoon. De minister heeft kennisneming van de overige aanwezige niet-actuele gegevens en van eventueel aanwezige actuele gegevens geweigerd.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



201102677/1/H3.

Datum uitspraak: 21 december 2011

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. R. van Duijn, wonend te Amsterdam,

2. de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 februari 2011 in de zaken nrs. 09/9142 en 10/3637 in het geding tussen:

Van Duijn

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft de minister Van Duijn, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek, een inzagedossier van 354 bladzijden verstrekt van bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) aanwezige niet-actuele gegevens betreffende zijn persoon. De minister heeft kennisneming van de overige aanwezige niet-actuele gegevens en van eventueel aanwezige actuele gegevens geweigerd.

Bij besluit van 20 november 2009 heeft de minister het door Van Duijn daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 30 december 2009 heeft de minister Van Duijn, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek, een inzagedossier van 221 bladzijden verstrekt van bij de AIVD aanwezige niet-actuele gegevens over door Van Duijn genoemde organisaties en gebeurtenissen. De minister heeft kennisneming van de overige aanwezige niet-actuele gegevens en van eventueel aanwezige actuele gegevens geweigerd.

Bij besluit van 1 april 2010 heeft de minister het door Van Duijn daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover dat betrekking had op gegevens aangaande de plaatsing van Van Duijn op een zogenoemde interneringslijst en hem een samenvatting doen toekomen van die gegevens. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 februari 2011, verzonden op 17 februari 2011, heeft de rechtbank de door Van Duijn tegen de besluiten van 20 november 2009 en 1 april 2010 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, voor zover de minister daarbij heeft geweigerd Van Duijn inzage te verlenen in bepaalde door de rechtbank genoemde stukken, en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Van Duijn bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 maart 2011, en de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

Van Duijn en de minister hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de minister, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op de bezwaren van Van Duijn tegen de besluiten van 18 juni 2009 en 30 december 2009 beslist, die bezwaren deels gegrond verklaard en Van Duijn een inzagedossier van 118 bladzijden verstrekt van bij de AIVD aanwezige niet-actuele gegevens betreffende zijn persoon en door hem genoemde organisaties en gebeurtenissen. De minister heeft kennisneming van de overige aanwezige niet-actuele gegevens en van eventueel aanwezige actuele gegevens geweigerd.

Het door Van Duijn tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank doorgezonden naar de Afdeling.

Van Duijn heeft de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (hierna: de Wiv).

Van Duijn heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2011, waar Van Duijn, in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Eckhardt, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 15 van de Wiv dragen de hoofden van de diensten zorg voor:

a. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende gegevens;

b. de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn;

c. de veiligheid van de personen met wier medewerking gegevens worden verzameld.

Ingevolge artikel 45, voor zover thans van belang, kan van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk (de artikelen 45 tot en met 57 ).

Ingevolge artikel 47, eerste lid, voor zover thans van belang, deelt de betrokken minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt.

Ingevolge het tweede lid stelt de betrokken minister, voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingewilligd, de aanvrager zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn besluit in de gelegenheid van zijn gegevens kennis te nemen.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, voor zover thans van belang, deelt de betrokken minister een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of kennis kan worden genomen van andere dan persoonsgegevens betreffende de in de aanvraag vermelde bestuurlijke aangelegenheid.

Ingevolge het tweede lid stelt de betrokken minister, voor zover een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingewilligd, de aanvrager zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken na bekendmaking van zijn besluit in kennis van de desbetreffende gegevens.

Ingevolge artikel 52, eerste lid, stelt de betrokken minister de aanvrager in kennis van de desbetreffende gegevens door:

a. het geven van een kopie van het document waarin de gegevens zijn neergelegd of door de letterlijke inhoud daarvan in andere vorm te verstrekken,

b. inzage van de inhoud van het desbetreffende document toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud van het desbetreffende document te geven of

d. inlichtingen uit het desbetreffende document te verschaffen.

Ingevolge artikel 53, eerste lid, wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 47 in ieder geval afgewezen, indien:

a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:

1° de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt,

2° met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en

3° de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek;

b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.

Ingevolge het tweede lid wordt, indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing.

Ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 51 afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft de nationale veiligheid zou kunnen schaden.

Ingevolge het vierde lid, voor zover thans van belang, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 47, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 5 3.

Ingevolge artikel 60, eerste lid, verrichten de korpschef van een politiekorps, de commandant van de Koninklijke marechaussee en de directeur-generaal van de rijksbelastingdienst van het Ministerie van Financiën werkzaamheden ten behoeve van de AIVD.

Ingevolge artikel 61, eerste lid, doen de leden van het openbaar ministerie, door tussenkomst van het College van procureurs-generaal, mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens die zij voor een dienst van belang achten, aan die dienst.

Ingevolge artikel 62 doen de ambtenaren van politie, de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake de douane, en de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee mededeling van de te hunner kennis gekomen gegevens die voor een dienst van belang kunnen zijn, aan de in artikel 60, eerste lid, bedoelde ambtenaar aan wie zij ondergeschikt zijn. Deze zendt de gegevens aan die dienst.

2.2. Van Duijn heeft verzocht om kennisneming van bij de AIVD aanwezige gegevens betreffende zijn persoon en betreffende de volgende organisaties en gebeurtenissen: Ban-de-Bom-beweging, Anarchisme/Federatie van Anarchistische Actiegroepen (F.A.A.), Provo, Kabouterbeweging, Groen Amsterdam, Amsterdam Anders/De Groenen, GroenLinks, Volksuniversiteit voor sabotage en pseudo-erotiek, de anarchistische tijdschriften "De Vrije" en "Provo", de ontvoering van Van Duijn in 1970, de aanslag op de Amsterdamse metro in 1975 en de verlening van een koninklijke onderscheiding aan Van Duijn in 2003.

2.3. De minister heeft bij de besluiten van 18 juni 2009, 30 december 2009 en 1 april 2010 een aantal niet-actuele gegevens aan Van Duijn verstrekt met weglating van bepaalde passages. Hij heeft bij de besluiten van 20 november 2009 en 1 april 2010 kennisneming van andere dan de verstrekte gegevens geweigerd op grond van de artikelen 15, 53, eerste lid, 55, eerste lid, aanhef en onder b, en 55, vierde lid, van de Wiv. Volgens de minister zou kennisneming van de niet verstrekte bij de AIVD aanwezige gegevens de nationale veiligheid kunnen schaden. Het kan daarbij gaan om actuele gegevens, dan wel om niet-actuele gegevens die betrekking hebben op de bronnen of de actuele werkwijze van de AIVD. Daarnaast staat artikel 45 van de Wiv volgens de minister in beginsel in de weg aan het verstrekken van persoonsgegevens van derden.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de minister kennisneming van actuele gegevens, indien en voor zover deze bij de AIVD aanwezig zijn, terecht heeft geweigerd en dat hij niet behoefde mede te delen of dergelijke gegevens aanwezig zijn. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet is gebleken dat de minister ten onrechte geen inzage heeft verleend in stukken of gedeelten daarvan op de grond dat daardoor persoonsgegevens van derden worden vrijgegeven.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de minister ten onrechte inzage in stukken heeft geweigerd op grond van bronbescherming in gevallen waarin gegevens afkomstig zijn van publiekrechtelijke organisaties, zoals politiediensten en het openbaar ministerie. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister alsnog moet beoordelen of Van Duijn kennis mag nemen van stukken die betrekking hebben op activiteiten waarbij hij aanwezig was of als organisator of bedenker is genoemd. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom bij het besluit van 1 april 2010 slechts een samenvatting van de interneringslijst is verstrekt en inzage in de letterlijke tekst van die lijst is geweigerd.

Het hoger beroep van de minister

2.5. De minister komt in hoger beroep uitsluitend op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ten onrechte inzage in stukken heeft geweigerd op grond van bronbescherming in gevallen waarin de gegevens afkomstig zijn van publiekrechtelijke organisaties, die wettelijk verplicht zijn in voorkomende gevallen de inlichtingendiensten informatie te verschaffen. Hoewel de minister onderkent dat de noodzaak van bronbescherming zich in dergelijke gevallen minder snel zal voordoen en het zelfs wellicht in beginsel niet noodzakelijk is deze informatie achter te houden, is het volgens hem te verstrekkend om, zoals de rechtbank heeft gedaan, de mogelijkheid om kennisneming te weigeren op grond van bronbescherming in dergelijke gevallen bij voorbaat volledig uit te sluiten.

2.5.1. De Afdeling stelt voorop dat ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wiv geen gegevens mogen worden verstrekt voor zover de nationale veiligheid daardoor zou kunnen worden geschaad. Het belang van bronbescherming is in dat licht bezien niet alleen gelegen in het waarborgen van de veiligheid van met name menselijke bronnen maar, in het verlengde daarvan, in het voorkomen dat bronnen geen informatie aan de AIVD meer willen verstrekken, hetgeen het goed functioneren van die dienst belemmert waardoor de nationale veiligheid wordt geschaad. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dit belang niet aan de orde is voor zover het gaat om publiekrechtelijke organisaties, zoals de politie en het openbaar ministerie die ingevolge de artikelen 61 en 62 van de Wiv verplicht zijn om relevante informatie aan de AIVD te verstrekken. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat publiekrechtelijke organisaties die in het kader van een wettelijke verplichting daartoe informatie aan de AIVD hebben verstrekt over Van Duijn of de door hem genoemde organisaties en gebeurtenissen, niet voor bronbescherming in aanmerking komen.

De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat het geheimhouden van deze bronnen desondanks aangewezen kan zijn op grond van andere redenen die verband houden met de nationale veiligheid. Niet valt uit te sluiten dat in voorkomende gevallen reeds het enkele feit dat bekend is, dat aan de AIVD stukken zijn verstrekt door voormelde publiekrechtelijke organisaties, de nationale veiligheid zou kunnen schaden als bedoeld in artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wiv . Het vermelden van deze bronnen kan dan om die reden met een beroep op die bepaling achterwege worden gelaten. De minister heeft evenwel niet aangevoerd dat een dergelijk geval zich hier voordoet. Derhalve faalt het betoog van de minister. De Afdeling volgt, met verbetering van de gronden, op dit punt het oordeel van de rechtbank.

2.6. Het hoger beroep van de minister is ongegrond.

Het hoger beroep van Van Duijn

2.7. Van Duijn betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat hij, aangezien hij in 2003 een koninklijke onderscheiding heeft ontvangen voor zijn langdurige inzet voor de Nederlandse democratie, geen onderwerp van actueel belang meer kan zijn. Volgens hem had de minister, zoals hij ook heeft gedaan ten aanzien van de inmiddels ontbonden politieke partij CPN, uitdrukkelijk moeten verklaren dat er over hem of de met hem in verband staande organisaties en gebeurtenissen geen actuele gegevens meer worden verwerkt. Hij wijst er in dat verband op dat de Ban-de-Bom-beweging, de Provo en de Kabouterbeweging reeds jaren geleden zijn opgeheven.

2.7.1. Het betoogt faalt. Gelet op de bewoordingen en de totstandkomingsgeschiedenis van de artikelen 53 en 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wiv (Kamerstukken II, 1997/98, 25 877, nr. 3, blz. 69) is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister de vraag of er al dan niet actuele gegevens over Van Duijn bij de AIVD aanwezig zijn, terecht onbeantwoord heeft gelaten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2005 in zaak nr. 200403239/1). Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, maakt een verplichting voor de minister om kenbaar te maken of er al dan niet actuele gegevens worden verwerkt geheimhouding van dat feit illusoir, hetgeen de AIVD belemmert in zijn taakuitoefening. Anders dan Van Duijn betoogt, rustte op de minister derhalve niet de plicht om uitdrukkelijk kenbaar te maken of er over hem, de Ban-de-Bom-beweging, de Provo en de Kabouterbeweging nog actuele gegevens aanwezig zijn.

Dat de minister ten aanzien van de CPN niettemin zou hebben medegedeeld dat actuele gegevens ontbreken, kan aan dat oordeel niet af doen. Daartoe wordt overwogen dat ter zitting bij de Afdeling de gemachtigde van de minister heeft uiteengezet dat de minister bij de beoordeling van aanvragen om gegevens te verstrekken geen onderscheid maakt tussen politieke partijen en andere organisaties, maar dat bij die beoordeling alleen de actualiteit van de betrokken gegevens een rol speelt. De minister verstrekt niet-actuele gegevens, voor zover die niet betrekking hebben op te beschermen bronnen, persoonsgegevens van derden of de werkwijze van de AIVD. In dat licht bezien en gelet op het vorenoverwogene moet de overweging van de rechtbank dat de door Van Duijn genoemde organisaties niet vergeleken kunnen worden met de CPN, wat hier ook van zij, als ten overvloede gegeven worden beschouwd.

2.8. Van Duijn betoogt voorts dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over het feit dat de minister hem een persoonsgegeven van een derde heeft verstrekt op de grond dat dit persoonsgegeven ook wordt genoemd in het proefschrift "Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst" van D. Engelen. Indien dit proefschrift maatgevend is voor de vraag of persoonsgegevens van derden al dan niet worden verstrekt, dienen ook stukken die zien op persoonsgegevens van andere in het proefschrift genoemde personen aan hem te worden verstrekt, aldus Van Duijn.

2.8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 augustus 2010 in zaak nr. 201000693/1/H3), kan ingevolge artikel 45 van de Wiv slechts overeenkomstig hoofdstuk 4 van deze wet worden kennisgenomen van door of ten behoeve van de AIVD verwerkte gegevens. In dat hoofdstuk is in de artikelen 47 en 50 aan een ieder het recht toegekend om kennis te nemen van hem betreffende persoonsgegevens, onderscheidenlijk persoonsgegevens van naaste familieleden die overleden zijn, doch is niet voorzien in een mogelijkheid om kennis te nemen van persoonsgegevens van derden.

Dat de minister om hem moverende redenen Van Duijn wel een persoonsgegeven heeft verstrekt van een persoon die in het proefschrift van Engelen wordt genoemd, maakt, gelet op voormelde bepalingen uit de Wiv, niet dat de minister gehouden is persoonsgegevens te verstrekken van alle in dat proefschrift genoemde personen. Evenals de rechtbank heeft de Afdeling na kennisneming van de door de minister overgelegde stukken niet vastgesteld dat de minister Van Duijn ten onrechte geen inzage heeft verleend in stukken of gedeelten daarvan op de grond dat daardoor persoonsgegevens van derden worden vrijgegeven.

Het betoog van Van Duijn kan daarom niet tot het door hem gewenste resultaat leiden.

2.9. Van Duijn betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het door de minister uitgevoerde onderzoek bij de AIVD niet volledig is geweest. Onder de reikwijdte van zijn verzoeken vallen meer stukken dan die, welke in deze procedure aan hem zijn verstrekt of geweigerd. Zo heeft de minister aan onderzoeksbureau Jansen & Janssen een Provo-dossier toegezonden, waarin zich stukken bevinden die niet aan hem zijn verstrekt. Ook uit de wel aan hem verstrekte stukken blijkt dat er meer op zijn verzoeken betrekking hebbende stukken bij de AIVD aanwezig moeten zijn.

Meer in het bijzonder betoogt Van Duijn dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de minister niet heeft kunnen verklaren waarom er geen niet-actuele gegevens zijn verstrekt van na 1982. Hij acht het niet geloofwaardig dat er na dat jaar geen gegevens meer over hem zouden zijn verwerkt. De rechtbank heeft zich voorts ten onrechte niet uitgelaten over zijn verzoek om verstrekking van de bij de AIVD aanwezige lijst waarop de voormalige abonnees van het tijdschrift "Provo" zijn vermeld en alle stukken waaruit het bestaan van die lijst blijkt.

In het licht van het voorgaande verzoekt Van Duijn de Afdeling om zelfstandig een onderzoek in te stellen bij de AIVD, dan wel de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (hierna: de CTIVD) opdracht te geven om een nieuw onderzoek in te stellen, waarbij ditmaal alle stukken worden betrokken die betrekking hebben op hem of de met hem in verband staande organisaties en gebeurtenissen, in de breedste zin van het woord.

2.9.1. De minister heeft naar aanleiding van de verzoeken van Van Duijn, die hebben geleid tot de besluiten van 18 juni 2009 en 30 december 2009, een archiefonderzoek bij de AIVD laten instellen. Naar aanleiding van de bezwaren van Van Duijn tegen die besluiten heeft nogmaals archiefonderzoek plaatsgevonden. In totaal is het archief derhalve vier maal doorzocht. De minister heeft zich bij de rechtbank en bij de Afdeling op het standpunt gesteld dat bij deze onderzoeken alle stukken zijn betrokken die betrekking hebben op de persoon van Van Duijn, dan wel tot hem te herleiden zijn. Deze stukken zijn vervolgens getoetst aan de bepalingen van de Wiv en op grond daarvan al dan niet aan Van Duijn verstrekt.

De Afdeling is van oordeel dat, anders dan Van Duijn betoogt, de minister de verzoeken van Van Duijn niet te beperkt heeft opgevat door alleen te zoeken naar persoonsgegevens van Van Duijn en tot hem herleidbare gegevens. Het verzoek dat heeft geleid tot het besluit van 18 juni 2009 heeft blijkens de bewoordingen alleen betrekking op over Van Duijn verzamelde persoonsgegevens. Tijdens de hoorzitting die werd gehouden naar aanleiding van het bezwaar van Van Duijn tegen dit besluit heeft Van Duijn opnieuw een verzoek ingediend. Dat verzoek heeft betrekking op tot Van Duijn herleidbare gegevens aangaande de door hem genoemde organisaties en gebeurtenissen. Naar aanleiding daarvan zijn aan Van Duijn alsnog gegevens verstrekt die hij op grond van zijn eerste verzoek niet heeft verkregen.

Het standpunt van de minister dat bij de AIVD geen andere stukken aanwezig zijn betreffende de persoon van Van Duijn of herleidbaar tot hem, dan de in deze procedure aan de rechtbank en de Afdeling toegezonden dan wel ter plaatse bij de AIVD ter inzage gelegde stukken, komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. Van Duijn heeft met de stelling dat aan onderzoeksbureau Jansen & Janssen andere gegevens zijn verstrekt dan aan hem, niet aannemelijk gemaakt dat, ondanks die niet ongeloofwaardige mededeling, bij de AIVD toch meer stukken aanwezig zijn die onder de reikwijdte van zijn verzoeken vallen. De minister heeft genoegzaam toegelicht dat de stukken waar Van Duijn op doelt geen persoonsgegevens van hem bevatten noch gegevens die tot hem te herleiden zijn.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling, evenmin als de rechtbank, grond voor het oordeel dat het onderzoek van de minister onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Zij ziet dan ook geen reden om enig nader onderzoek te doen of aan de CTIVD op te dragen. Indien Van Duijn kennisneming wenst van gegevens die in meer algemene zin betrekking hebben op de door hem genoemde organisaties of gebeurtenissen, is de daarvoor geëigende weg om een daartoe strekkend nieuw verzoek bij de minister in te dienen. Hij heeft dit inmiddels ook gedaan.

2.9.2. De minister heeft zowel bij de rechtbank als bij de Afdeling verklaard dat er met betrekking tot Van Duijn slechts twee stukken zijn aangetroffen van na 1982 en die zien op niet-actuele gegevens. Deze kunnen volgens hem niet worden verstrekt. Van een stuk is niet duidelijk of het inderdaad Van Duijn betreft. Het andere stuk is afkomstig van een bron die voor geheimhouding in aanmerking komt.

De Afdeling heeft, evenals de rechtbank, kennis genomen van de door de minister overgelegde stukken en stelt vast dat er inderdaad geen andere stukken dan de twee voormelde stukken aanwezig zijn die onder de reikwijdte van het verzoek van Van Duijn vallen, dateren van na 1982 en zien op niet-actuele gegevens. Tevens is de Afdeling van oordeel dat de minister kennisneming van deze twee stukken terecht heeft geweigerd en deze weigering voldoende heeft gemotiveerd. Zoals volgt uit hetgeen is overwogen onder 2.7.1 heeft de minister voorts terecht niet kenbaar gemaakt of er bij de AIVD stukken aanwezig zijn die dateren van na 1982 en zien op actuele gegevens.

2.9.3. De minister heeft voorts verklaard dat bij de AIVD geen lijst aanwezig is met de adressen van Provo-abonnees.

De Afdeling heeft kennis genomen van de door de minister overgelegde stukken en stelt vast dat inderdaad geen lijst aanwezig is waarop de adressen van Provo-abonnees zijn vermeld.

2.9.4. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.9.1, 2.9.2 en 2.9.3, faalt het betoog.

2.10. Het hoger beroep van Van Duijn is ongegrond.

2.11. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

Het beroep tegen het besluit van 28 april 2011

2.12. Bij het besluit van 28 april 2011 heeft de minister, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op de door Van Duijn gemaakte bezwaren tegen de besluiten van 18 juni 2009 en 30 december 2009. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet geheel aan deze bezwaren is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep van Van Duijn, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

2.13. Bij het besluit van 28 april 2011 heeft de minister naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank de stukken die afkomstig zijn van politiediensten en het openbaar ministerie opnieuw beoordeeld en bewerkt, hetgeen ertoe heeft geleid dat aan Van Duijn alsnog 27 bladzijden zijn verstrekt. Daarnaast heeft hij alsnog 82 bladzijden verstrekt die betrekking hebben op activiteiten waarbij Van Duijn aanwezig was of als organisator of bedenker is genoemd. Ten slotte heeft hij alsnog 9 bladzijden van de interneringslijst verstrekt.

2.14. Van Duijn betoogt dat de minister geen, althans onvoldoende, uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Volgens hem heeft de minister niet alle stukken verstrekt die hij op grond van de rechtbankuitspraak alsnog aan hem zou moeten verstrekken. Hij noemt verscheidene stukken die volgens hem eveneens bij de AIVD berusten en aan hem verstrekt dienen te worden, te weten stukken afkomstig van politie en justitie over verschillende Provo-activiteiten, zijn ontvoering in 1970 en de metroaanslag in 1975, alsmede stukken afkomstig van de AIVD over de verlening van een koninklijke onderscheiding in 2003. Ook ontbreken er volgens hem stukken waarin verslag wordt gedaan van vergaderingen van de Kabouterbeweging in de periode eind februari tot en met eind mei 1971, alsmede stukken betreffende zijn plaatsing op de interneringslijst.

Van Duijn voert in dit verband aan dat de door hem genoemde stukken afkomstig van de Amsterdamse politie volgens de archivaris van het Gemeentearchief Amsterdam destijds zijn doorgestuurd naar de Binnenlandse Veiligheidsdienst (hierna: de BVD), de voorganger van de AIVD.

2.14.1. De Afdeling heeft kennisgenomen van de door de minister overgelegde stukken. Zij stelt vast dat zich hierbij een aantal van de door Van Duijn genoemde stukken bevindt, te weten een reactie van de officier van justitie van 13 april 1965 op de aan Van Duijn verstrekte brief van het hoofd van de BVD van 30 maart 1965 en een aantal niet aan hem verstrekte stukken over de vergaderingen van de Kabouterbeweging. De minister heeft kennisneming van deze stukken geweigerd omdat ze buiten de reikwijdte van het verzoek om kennisneming vallen.

Wat betreft de reactie op de brief van 30 maart 1965 acht de Afdeling dat standpunt onjuist, aangezien deze reactie in direct verband staat met de wel verstrekte brief van 30 maart 1965 en op hetzelfde onderwerp betrekking heeft. De minister heeft kennisneming van de reactie derhalve niet op die grond mogen weigeren.

Wat betreft de stukken over de vergaderingen van de Kabouterbeweging volgt de Afdeling de minister evenmin in zijn standpunt dat ze buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Andere stukken die zien op de vergaderingen zijn wel verstrekt en deze stukken staan daarmee in direct verband. De minister heeft kennisneming derhalve niet op die grond mogen weigeren. De weigering van kennisneming van bepaalde stukken op grond van bronbescherming is naar het oordeel van de Afdeling wel terecht.

2.14.2. De overige door Van Duijn genoemde stukken bevinden zich niet bij de door de minister overgelegde stukken. De minister heeft zich op het standpunt gesteld die stukken niet in bezit te hebben.

Zoals overwogen onder 2.9.1 is de mededeling van de minister dat bij de AIVD geen andere stukken aanwezig zijn die onder de reikwijdte van het verzoek van Van Duijn vallen dan die, welke in deze procedure aan de rechtbank en de Afdeling zijn overgelegd, niet ongeloofwaardig. Van Duijn heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij de AIVD toch meer stukken aanwezig zijn die onder de reikwijdte van zijn verzoeken vallen. Zijn enkele stelling dat deze stukken er zouden moeten zijn, is daartoe niet voldoende.

2.14.3. Na kennisneming van de door de minister overgelegde stukken stelt de Afdeling voorts vast dat enkele stukken, waarvan de minister zich vóór de rechtbankuitspraak op het standpunt stelde dat deze niet verstrekt konden worden op grond van bronbescherming, thans zijn geweigerd op dezelfde grond, dan wel op de grond dat het stuk buiten de reikwijdte valt van het verzoek om kennisneming. Het betreft twee stukken die betrekking hebben op de aan Van Duijn verstrekte brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 juli 1965, te weten een brief van die minister van 21 september 1965 aan het hoofd van de BVD, vergezeld van de reactie van de minister van Justitie van 2 september 1965 op de brief van 26 juli 1965. Naar het oordeel van de Afdeling is kennisneming van die stukken op die gronden ten onrechte geweigerd, aangezien ze in direct verband staan met de wel verstrekte brief van 26 juli 1965, op hetzelfde onderwerp betrekking hebben, en de bronnen reeds bekend zijn door de brief van 26 juli 1965.

Daarnaast zijn enkele stukken, waarvan de minister zich vóór de rechtbankuitspraak op het standpunt stelde dat deze niet verstrekt konden worden, omdat ze slechts zijdelings betrekking hebben op Van Duijn, thans geweigerd op grond van bronbescherming. Kennisneming van deze stukken is naar het oordeel van de Afdeling terecht geweigerd op die grond.

2.14.4. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.14.1 en 2.14.3, slaagt het betoog.

2.15. Van Duijn betoogt voorts dat in de wel aan hem verstrekte stukken teveel gegevens zijn weggelakt. Volgens hem hadden deze gegevens integraal dan wel beperkt en samengevat verstrekt kunnen worden.

2.15.1. In de aan de Afdeling overgelegde stukken heeft de minister de passages die hij niet aan Van Duijn heeft verstrekt geel gemarkeerd. Daarbij heeft de minister met een code aangegeven op welke grond hij kennisneming van die passages heeft geweigerd.

De Afdeling stelt vast dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verstrekken van een samenvatting van de geweigerde passages niet mogelijk is. Ten aanzien van de weigering om de passages integraal te verstrekken, wordt als volgt overwogen.

De minister heeft kennisneming van bepaalde passages geweigerd op de grond dat deze persoonsgegevens van derden bevatten. De Afdeling heeft niet vastgesteld dat de minister op deze grond een beroep heeft gedaan bij passages die niet zien op dergelijke gegevens. Voorts heeft de minister, zoals overwogen onder 2.8.1, kennisneming van persoonsgegevens van derden terecht geweigerd. Dat de minister om hem moverende redenen in een aantal stukken wel persoonsgegevens van derden heeft verstrekt, kan aan dat oordeel niet afdoen. De minister heeft zich voorts met juistheid op het standpunt gesteld dat het belang dat Van Duijn stelt te hebben bij kennisneming van de persoonsgegevens van personen die bij zijn ontvoering zijn betrokken, ingevolge de Wiv niet kan leiden tot het vrijgeven daarvan.

De minister heeft voorts kennisneming van bepaalde passages geweigerd op grond van bronbescherming, dan wel op de grond dat deze gegevens bevatten waaruit de werkwijze van de AIVD blijkt. Kennisneming van die passages is naar het oordeel van de Afdeling terecht geweigerd op die gronden.

De minister heeft ten slotte kennisneming van bepaalde passages geweigerd op de grond dat deze buiten de reikwijdte vallen van het verzoek om kennisneming. Kennisneming van die passages is naar het oordeel van de Afdeling eveneens terecht geweigerd.

Het betoog faalt.

2.16. Het beroep is gegrond. Het besluit van 28 april 2011 dient wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te worden vernietigd, voor zover de minister daarbij de weigering van de kennisneming heeft gehandhaafd van de reactie van de officier van justitie van 13 april 1965 op de brief van het hoofd van de BVD van 30 maart 1965 op de grond dat deze buiten de reikwijdte valt van het verzoek om kennisneming, van de brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 september 1965 aan het hoofd van de BVD en de reactie van de minister van Justitie van 2 september 1965 op de brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 juli 1965 op grond van bronbescherming en op de grond dat het stuk buiten de reikwijdte valt van het verzoek om kennisneming, en van een aantal stukken over de vergaderingen van de Kabouterbeweging op de grond dat het stuk buiten de reikwijdte valt van het verzoek om kennisneming.

Ten aanzien van deze stukken is niet gesteld dat een andere grond zich tegen kennisneming daarvan verzet. De Afdeling ziet hierin aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en zal de besluiten van 18 juni 2009 en 30 december 2009 herroepen, voor zover daarbij kennisneming van deze stukken is geweigerd. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 28 april 2011, voor zover dat is vernietigd, en gelasten dat voormelde stukken binnen een bepaalde termijn, onder weglating van de persoonsgegevens van derden, alsnog aan Van Duijn worden verstrekt.

2.17. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 28 april 2011, kenmerk 4560003/01, gegrond;

III. vernietigt het onder II genoemde besluit, voor zover de minister daarbij de weigering van de kennisneming heeft gehandhaafd van de reactie van de officier van justitie van 13 april 1965 op de brief van het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst van 30 maart 1965, de brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 september 1965 aan het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, de reactie van de minister van Justitie van 2 september 1965 op de brief van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 juli 1965, en een aantal stukken over de vergaderingen van de Kabouterbeweging op de grond dat het stuk buiten de reikwijdte valt van het verzoek om kennisneming;

IV. herroept in zoverre de besluiten van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 18 juni 2009, kenmerk 4105886/01, en 30 december 2009, kenmerk 4252175/01;

V. willigt het verzoek om kennisneming in, voor zover dit betreft de onder III genoemde stukken;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het onder II genoemde besluit, voor zover dat is vernietigd;

VII. draagt de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak de onder III genoemde stukken te verstrekken aan R. van Duijn, onder weglating van de persoonsgegevens van derden;

VIII. bepaalt dat van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Biharie

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011

611.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature