E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RVS:2011:BT7118
LJN BT7118, Raad van State, 201102753/1/V3

Inhoudsindicatie:

[…] een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen [moet] als een asielverzoek in de zin van de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn worden aangemerkt. Op het moment dat bedoelde wens aldus kenbaar is gemaakt, is een vreemdeling een asielzoeker, bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van de ze richtlijnen. […]

[…] een door een vreemdeling geuite wens om hem internationale bescherming te verlenen [dient] te worden opgevat als een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Dat deze aanvraag nog niet is ingediend op de wijze als voorgeschreven in artikel 37, aanhef en onder a, van de Vw 2000 , gelezen in samenhang met artikel 3.108, eerst lid, van het Vb 2000 en artikel 3.42 van het VV 2000, brengt dus niet met zich dat geen sprake is van een aanvraag, als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Mede in aanmerking genomen dat artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000 op zichzelf genomen er niet toe dwingt dat deze bepaling slechts van toepassing kan zijn indien de aanvraag op de wettelijk voorgeschreven wijze is ingediend, bestaat in het licht van het voorgaand oordeel aanleiding voor een richtlijnconforme uitleg van deze bepaling in die zin dat een vreemdeling die in afwachting is van de formele indiening van een asielaanvraag geacht moet worden eveneens binnen de reikwijdte van die bepaling te vallen.[…].

Uit het vorenstaande volgt dat artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met het derde lid, van de Vw 2000 aldus moet worden uitgelegd dat in andere dan in de Schengengrenscode geregelde gevallen de ambtenaren belast met de grensbewaking een vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst - en niet dan ingevolge een bijzondere aanwijzing - de verdere toegang, dat is de feitelijke verdere binnenkomst in het grondgebied, mogen ontzeggen. Ook de bewoordingen ‘aan wie de toegang is geweigerd’ in artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 dienen aldus te worden uitgelegd en dat betekent dat aan een vreemdeling die de wens te kennen geeft asiel te willen vragen de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 alleen dan kan worden opgelegd, indien hem de verdere toegang, dat is de feitelijke verdere binnenkomst in het grondgebied, is ontzegd. Op een vreemdeling die te kennen geeft dat hij asiel wenst en aan wie de verdere toegang is ontzegd, is de verplichting om Nederland onmiddellijk te verlaten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Vw 2000 niet van toepassing, omdat deze vreemdeling een asielzoeker met een recht van verblijf is waarmee bedoelde verplichting niet is verenigen.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie