< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 22 januari 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] en anderen om maatwerkvoorschriften als bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) te stellen voor Jongerencentrum Oase aan de Dommelstraat 10a te Son, afgewezen.

Uitspraak



200909255/1/M2.

Datum uitspraak: 23 juni 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] en anderen om maatwerkvoorschriften als bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) te stellen voor Jongerencentrum Oase aan de Dommelstraat 10a te Son, afgewezen.

Bij besluit van 20 oktober 2009, verzonden op 27 oktober 2009, heeft het college het door [appellant] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 december 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 december 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2010, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. R. Keuken, advocaat te Waalre, en door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door ing . A. Obbema, werkzaam bij de gemeente, en door ing. A. Middendorp, zijn verschenen. Voorts is Jongerencentrum Oase, vertegenwoordigd door H.J.F. van Asperdt, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] en anderen voeren aan dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid in de nachtperiode ter plaatse van de achtergevel van de woning aan de Dommelstraat 12 voor het college aanleiding had moeten zijn om bij maatwerkvoorschrift lagere grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vast te stellen dan de in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit gestelde grenswaarden. Volgens [appellant] en anderen past bij dit referentieniveau de gebiedstypering landelijke omgeving als bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking), met richtwaarden van 40, 35 en 30 dB(A) in de dag-, avond en nachtperiode.

2.1.1. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit , voor zover hier van belang, bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer dan 50, 45 en 40 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit , voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag, in afwijking van de waarden, bedoeld in artikel 2.17, bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vaststellen.

2.1.2. Het college stelt zich op het standpunt dat de woning aan de Dommelstraat 12 is gelegen in een rustige woonwijk met weinig verkeer, waarvoor in de Handreiking richtwaarden zijn vermeld van 45, 40 en 35 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Deze richtwaarden zijn 5 dB(A) lager dan de in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen gestelde grenswaarden. Dit is volgens het college niet een zodanig groot verschil dat aanleiding bestaat om bij maatwerkvoorschrift lagere grenswaarden vast te stellen.

2.1.3. Dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de achtergevel van de woning aan de Dommelstraat 12 in de nachtperiode mogelijk lager is dan de voor een rustige woonwijk met weinig verkeer in de Handreiking vermelde richtwaarde van 35 dB(A), betekent niet dat de omgeving moet worden aangemerkt als een landelijke omgeving als bedoeld in de Handreiking. De in de Handreiking vermelde richtwaarden zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving. Op grond van de stukken, in het bijzonder een luchtfoto van de omgeving, en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van oordeel dat de omgeving van de woning aan de Dommelstraat 12, gezien de aard daarvan, moet worden aangemerkt als een rustige woonwijk met weinig verkeer. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verschil tussen de daarvoor in de Handreiking vermelde richtwaarden en de in artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit gestelde grenswaarden geen aanleiding geeft om lagere grenswaarden vast te stellen. Deze beroepsgrond faalt.

2.2. [appellant] en anderen voeren aan dat de geluidnormen fors worden overschreden als gevolg van stemgeluid van bezoekers op het terrein bij de inrichting. Volgens hen betreft het, anders dan waarvan het college uitgaat, een binnenterrein als bedoeld in artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit , zodat het stemgeluid van de bezoekers betrokken dient te worden bij het bepalen van de door de inrichting veroorzaakte geluidniveaus. Volgens [appellant] en anderen had de forse normoverschrijding door dit stemgeluid voor het college aanleiding moeten zijn om maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit te stellen.

2.2.1. Ingevolge artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit blijft bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20, buiten beschouwing het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

Ingevolge artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen welke technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidnormen te voldoen.

2.2.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van 24 maart 2010 in zaak nr. 200905524/1/M2 overweegt de Afdeling dat voor de beantwoording van de vraag of het terrein bij de inrichting moet worden aangemerkt als een binnenterrein als bedoeld in artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit , met name van belang is of het terrein aan de straat of andere openbare ruimte is gesitueerd. Daarnaast kunnen het referentieniveau van het omgevingsgeluid en de mate van beslotenheid van de ligging van het terrein als indicatie dienen voor de vraag of sprake is van een binnenterrein als bedoeld in artikel 2.1 8.

2.2.3. De Afdeling stelt vast dat ter plaatse van het terrein bij de inrichting een pad is gelegen waarmee de Dommelstraat wordt verbonden met een ingang van het nabijgelegen kerkhof en met een nabijgelegen loods. Volgens het college is deze verbinding in beginsel voor iedereen toegankelijk. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt van het college. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het terrein bij de inrichting is gelegen aan de openbare ruimte. Het terrein is verder niet zodanig door bebouwing omgeven dat gesproken kan worden van een besloten ligging. Hetgeen [appellant] en anderen aanvoeren met betrekking tot het verschil tussen het referentieniveau ter plaatse van het terrein en het referentieniveau in de directe omgeving kan er niet toe leiden dat het terrein, ondanks dat dit is gesitueerd aan de openbare ruimte en geen sprake is van een besloten ligging, moet worden aangemerkt als binnenterrein als bedoeld in artikel 2.18 van het Activiteitenbesluit . Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van een binnenterrein als bedoeld in dit artikel geen sprake is.

Uit het vorenstaande volgt dat het stemgeluid van personen op het terrein bij de inrichting buiten beschouwing dient te blijven bij het bepalen van de door de inrichting veroorzaakte geluidniveaus. Hetgeen [appellant] en anderen met betrekking tot dit stemgeluid aanvoeren kan dan ook geen aanleiding geven voor het oordeel dat het college maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.20, vijfde lid, van het Activiteitenbesluit had moeten stellen. Deze beroepsgrond faalt.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010

462-645.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature