< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Mvv-vereiste / gezinshereniging / verblijf bij kinderen met Nederlandse nationaliteit / terugkeer naar Suriname betekent ernstige achteruitgang / geen strijd met artikel 8 EVRM

De vreemdeling heeft in september 2004 de keuze gemaakt om de kinderen zonder haar naar Nederland te laten vertrekken, zonder dat op dat moment duidelijk was dat en, zo ja, op welk moment, zij zich bij hen zou kunnen voegen. De problemen die de kinderen in Nederland ondervinden omdat zij niet met de vreemdeling in gezinsverband samenleven, zijn het gevolg van de keuze van de vreemdeling. De gevolgen van bedoelde keuze waren voor haar op het moment van het maken van die keuze redelijkerwijs te voorzien. Weliswaar speelt het belang van de kinderen, die ten tijde van het besluit tien, twaalf, veertien en zestien jaar waren, om met hun moeder in gezinsverband samen te leven een belangrijke rol in de belangenafweging als hiervoor onder 2.3.3. bedoeld, maar aan dit belang komt in dit geval waar de eerste toelating van de vreemdeling tot Nederland aan de orde is - geen doorslaggevende betekenis toe. Zoals hiervoor onder 2.3.2. is overwogen, behelst artikel 8 van het EVRM geen algemene verplichting voor een staat om de keuze voor een domicilie van leden van een gezin te eerbiedigen. Aan dit uitgangspunt wordt afbreuk gedaan als in het kader van de "fair balance" als vorenbedoeld, doorslaggevend gewicht zou moeten worden toegekend aan de belangen van kinderen van een vreemdeling die ervoor kiest hen naar Nederland te laten vertrekken zonder dat deze op dat moment pogingen onderneemt of uitzicht heeft zich bij hen te voegen.

Dat, naar de vreemdeling stelt, niet onaannemelijk is dat een terugkeer van de kinderen naar Suriname een ernstige achteruitgang betekent in hun opleiding en sociale contacten, dat zij met hun oma en tante een sterke band hebben opgebouwd en dat hierop door een terugkeer naar Suriname een inbreuk zal worden gemaakt, miskent dat van de kinderen, gelet op het hiervoor onder 2.3.5. overwogene, niet wordt gevergd dat zij in Suriname gaan wonen en voorts dat de minister, blijkens hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen, heeft erkend dat de kinderen te allen tijde aanspraak op toelating, verblijf, opvoeding, verzorging en scholing in Nederland hebben. Voor zover de vreemdeling of haar kinderen er echter voor kiezen om gezamenlijk in Suriname te gaan wonen, is die keuze, zoals dit ook het geval was toen zij de kinderen in september 2004 zonder haar naar Nederland liet vertrekken, een keuze waarvan de eventuele gevolgen voor rekening van de vreemdeling en de kinderen zijn.

De Afdeling voegt aan het vorenoverwogene nog toe dat uit de stukken blijkt dat de vreemdeling vanaf september 2004 jaarlijks door de minister in de gelegenheid is gesteld om gedurende telkens drie maanden het gezinsleven met de kinderen in Nederland uit te oefenen. De minister heeft ter zitting te kennen gegeven dat de wijze waarop dit thans gebeurt bij gelijkblijvende feiten en omstandigheden in de toekomst ook zal worden toegestaan. Het door de vreemdeling aangevoerde geeft voorts geen blijk van feiten en omstandigheden die eraan in de weg staan dat de kinderen ook jaarlijks gedurende korte tijd het gezinsleven in Suriname met de vreemdeling uitoefenen en buiten vorenbedoelde perioden op andere wijze contact plaatsvindt tussen de vreemdeling en de kinderen. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank, gezien alle in deze zaak van belang zijnde feiten en omstandigheden, terecht, zij het op andere gronden, overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat door de minister geen "fair balance" is gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds.

Uitspraak



200809182/1/V2.

Datum uitspraak: 30 maart 2010

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 20 november 2008 in zaak nr. 08/11556 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2007 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 27 maart 2008 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 november 2008, verzonden op 27 november 2008, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 december 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2009, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem, en de minister, vertegenwoordigd door drs. H. Heinink, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft, voor zover hier van belang, een ieder recht op respect voor zijn gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.2. Hetgeen in het hoger-beroepschrift is aangevoerd als grieven één en zes, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 , met dat oordeel volstaan.

2.3. In de grieven twee, drie, vier en vijf, in hun onderlinge samenhang bezien, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister in zijn belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het gezinsleven onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van haar in Nederland verblijvende kinderen. Zij betoogt hiertoe dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van de kinderen van de vreemdeling (hierna: de kinderen) kan worden gevergd dat zij met haar in Suriname gaan wonen. Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben en het recht hebben om in Nederland te verblijven en hun opleiding te genieten. De vreemdeling voert in dit verband aan dat de kinderen sinds september 2004 van dit recht gebruik maken, dat niet onaannemelijk is dat de terugkeer van de kinderen naar Suriname een ernstige achteruitgang betekent in hun opleiding en sociale contacten en dat de kinderen met hun oma en tante een sterke band hebben opgebouwd waarop bij een terugkeer van de kinderen naar Suriname een inbreuk zal worden gemaakt. De rechtbank heeft, door te overwegen als zij heeft gedaan, niet onderkend dat de minister geen juist evenwicht heeft gevonden tussen de belangen van de vreemdeling en de kinderen bij uitoefening van het gezinsleven enerzijds en het algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds, aldus de vreemdeling.

2.3.1. De minister heeft aan het besluit van 27 maart 2008 ten grondslag gelegd dat, samengevat weergegeven, artikel 8 van het EVRM geen positieve verplichting met zich brengt de vreemdeling de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen teneinde de uitoefening van haar gezinsleven met de kinderen in Nederland mogelijk te maken. Weliswaar spelen de belangen van de kinderen, die ten tijde van het besluit tien, twaalf, veertien en zestien jaar waren, een belangrijke rol in de belangenafweging en hebben zij als Nederlanders te allen tijde aanspraak op toelating, verblijf, opvoeding, verzorging en scholing in Nederland, maar hun belang speelt niet altijd, zo ook niet in dit geval, een doorslaggevende rol, zeker nu de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat van hen niet kan worden gevergd zich naar Suriname te begeven. Volgens de minister wegen de belangen van de vreemdeling en de kinderen om in Nederland het gezinsleven uit te oefenen niet op tegen het algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Er bestaat geen positieve verplichting de gevraagde mvv te verlenen, omdat het de verantwoordelijkheid van de vreemdeling moet blijven dat zij de kinderen naar Nederland heeft laten vertrekken zonder dat enig uitzicht bestond dat zij zich bij hen zou kunnen voegen, en de gevolgen die dit voor de kinderen heeft gehad - waarbij de door Pleegzorginstantie Spirit geconstateerde zorgelijke opvoedingssituatie van de kinderen is betrokken - redelijkerwijs voor de vreemdeling waren te voorzien.

2.3.2. Vast staat dat tussen de vreemdeling en de kinderen sprake is van gezinsleven, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM . Omdat de vreemdeling nimmer langdurig in Nederland heeft verbleven, betekent de weigering de vreemdeling een mvv te verlenen geen inmenging in het gezinsleven tussen de vreemdeling en de kinderen. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), onder meer het arrest Gül tegen Zwitserland van 19 februari 1996, nr. 53/1995/559/645, (AB, 1998, 53), Benamar tegen Nederland van 5 april 2005, nr. 43786/04 (JV 2005/198) en Narenji Haghighi tegen Nederland van 14 april 2009, nr. 38165/07 (JV 2009/342) houdt artikel 8 van het EVRM bovendien geen algemene verplichting in voor een staat de keuze van domicilie van de leden van een gezin te eerbiedigen.

2.3.3. Zoals volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer het arrest Rodriguez da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 (JV 2006/90), en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2; www.raadvanstate.nl), moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven evenwel een "fair balance" worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Zoals volgt uit de arresten van het EHRM in de zaken Sen tegen Nederland van 21 december 2001, nr. 31465/96 (JV 2002/30), Tuquabo-Tekle tegen Nederland van 1 december 2005, nr. 60665/00 (JV 2006/34) en Maslov tegen Oostenrijk van 23 juni 2008, nr. 1638/03 (JV 2008/267), alsmede uit hetgeen in het door de minister gevoerde beleid, neergelegd in B2/10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 over artikel 8 van het EVRM en kinderen van Nederlandse nationaliteit is vermeld, komt bij de belangenafweging als hier bedoeld, een belangrijke plaats toe aan de belangen van in Nederland verblijvende kinderen van Nederlandse nationaliteit van de desbetreffende vreemdeling, maar spelen hun belangen niet altijd en niet zonder meer een doorslaggevende rol, ook niet in het geval zich een objectieve belemmering voordoet het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

2.3.4. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank heeft getoetst of de minister in zijn belangenafweging een "fair balance" als vorenbedoeld heeft gevonden. De rechtbank heeft hiertoe onderzocht of de minister alle voor de belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar bij zijn belangenafweging heeft betrokken, waarbij de rechtbank ook de na het besluit van 27 maart 2008 gedateerde brief van Bureau Jeugdzorg Amsterdam van 6 augustus 2008 over de situatie waarin de kinderen zich bevinden en welke gevolgen een terugkeer naar Suriname voor hen zou hebben, in aanmerking heeft genomen. De rechtbank heeft erkend dat de kinderen van de vreemdeling problemen ondervinden in Nederland omdat zij niet in gezinsverband met de vreemdeling samenwonen, maar heeft overwogen dat dit niet betekent dat de minister in het kader van de belangenafweging in deze zaak ten onrechte aan het algemeen belang een zwaarder gewicht heeft toegekend.

2.3.5. Hoewel de vreemdeling, gelet op de onder 2.3.4. vermelde op de situatie van de kinderen betrekking hebbende feiten en omstandigheden, kan worden gevolgd in haar klacht dat de rechtbank de minister ten onrechte is gevolgd in zijn standpunt dat van de kinderen kan worden gevergd zich naar Suriname te begeven, leidt deze klacht niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de minister zich in zijn besluit van 27 maart 2008 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het de eigen keuze van de vreemdeling was om de kinderen zonder haar naar Nederland te laten vertrekken, dat de gevolgen van die keuze voor haar rekening dienen te blijven en artikel 8 van het EVRM er derhalve niet toe noopt haar de gevraagde mvv te verlenen. De Afdeling overweegt hiertoe als volgt.

2.3.6. De vreemdeling heeft in september 2004 de keuze gemaakt om de kinderen zonder haar naar Nederland te laten vertrekken, zonder dat op dat moment duidelijk was dat en, zo ja, op welk moment, zij zich bij hen zou kunnen voegen. De problemen die de kinderen in Nederland ondervinden omdat zij niet met de vreemdeling in gezinsverband samenleven, zijn het gevolg van de keuze van de vreemdeling. De gevolgen van bedoelde keuze waren voor haar op het moment van het maken van die keuze redelijkerwijs te voorzien. Weliswaar speelt het belang van de kinderen, die ten tijde van het besluit tien, twaalf, veertien en zestien jaar waren, om met hun moeder in gezinsverband samen te leven een belangrijke rol in de belangenafweging als hiervoor onder 2.3.3. bedoeld, maar aan dit belang komt in dit geval waar de eerste toelating van de vreemdeling tot Nederland aan de orde is - geen doorslaggevende betekenis toe. Zoals hiervoor onder 2.3.2. is overwogen, behelst artikel 8 van het EVRM geen algemene verplichting voor een staat om de keuze voor een domicilie van leden van een gezin te eerbiedigen. Aan dit uitgangspunt wordt afbreuk gedaan als in het kader van de "fair balance" als vorenbedoeld, doorslaggevend gewicht zou moeten worden toegekend aan de belangen van kinderen van een vreemdeling die ervoor kiest hen naar Nederland te laten vertrekken zonder dat deze op dat moment pogingen onderneemt of uitzicht heeft zich bij hen te voegen.

2.3.7. Dat, naar de vreemdeling stelt, niet onaannemelijk is dat een terugkeer van de kinderen naar Suriname een ernstige achteruitgang betekent in hun opleiding en sociale contacten, dat zij met hun oma en tante een sterke band hebben opgebouwd en dat hierop door een terugkeer naar Suriname een inbreuk zal worden gemaakt, miskent dat van de kinderen, gelet op het hiervoor onder 2.3.5. overwogene, niet wordt gevergd dat zij in Suriname gaan wonen en voorts dat de minister, blijkens hetgeen hiervoor onder 2.3.1. is overwogen, heeft erkend dat de kinderen te allen tijde aanspraak op toelating, verblijf, opvoeding, verzorging en scholing in Nederland hebben. Voor zover de vreemdeling of haar kinderen er echter voor kiezen om gezamenlijk in Suriname te gaan wonen, is die keuze, zoals dit ook het geval was toen zij de kinderen in september 2004 zonder haar naar Nederland liet vertrekken, een keuze waarvan de eventuele gevolgen voor rekening van de vreemdeling en de kinderen zijn.

2.3.8. De Afdeling voegt aan het vorenoverwogene nog toe dat uit de stukken blijkt dat de vreemdeling vanaf september 2004 jaarlijks door de minister in de gelegenheid is gesteld om gedurende telkens drie maanden het gezinsleven met de kinderen in Nederland uit te oefenen. De minister heeft ter zitting te kennen gegeven dat de wijze waarop dit thans gebeurt bij gelijkblijvende feiten en omstandigheden in de toekomst ook zal worden toegestaan. Het door de vreemdeling aangevoerde geeft voorts geen blijk van feiten en omstandigheden die eraan in de weg staan dat de kinderen ook jaarlijks gedurende korte tijd het gezinsleven in Suriname met de vreemdeling uitoefenen en buiten vorenbedoelde perioden op andere wijze contact plaatsvindt tussen de vreemdeling en de kinderen. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank, gezien alle in deze zaak van belang zijnde feiten en omstandigheden, terecht, zij het op andere gronden, overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat door de minister geen "fair balance" is gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds.

2.3.9. De grieven falen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Van Loon

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2010

284-572.

Verzonden: 30 maart 2010

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature