< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij afzonderlijke besluiten van 5 april 2007 en 19 april 2007 heeft appellant (hierna: de raad) aan [wederpartij] voor de door hem op basis van toevoegingen in drie zaken verleende rechtsbijstand vergoedingen toegekend.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



200905448/1/H2.

Datum uitspraak: 10 maart 2010

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad voor rechtsbijstand 's-Gravenhage,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 juni 2009 in zaken nrs. 07/7453, 07/7454 en 07/7461 in het geding tussen:

[wederpartij], kantoorhoudend te [plaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 5 april 2007 en 19 april 2007 heeft appellant (hierna: de raad) aan [wederpartij] voor de door hem op basis van toevoegingen in drie zaken verleende rechtsbijstand vergoedingen toegekend.

Bij afzonderlijke besluiten van 8 augustus 2007 heeft de raad de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juni 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, de door [wederpartij] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard en de besluiten van 8 augustus 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2010, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam bij het Centraal Kantoor van de raad voor rechtsbijstand te Utrecht, en [wederpartij] in persoon zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) verstrekt de raad aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 32, derde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000) worden, indien de rechtsbijstandverlener blijkens zijn opgave aan het bureau recht heeft op betalingen van derden voor de kosten van de verlening van rechtsbijstand, anders dan op de voet van artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) of van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), deze bedragen tot ten hoogste het bedrag van de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding op die vergoeding in mindering gebracht.

Ingevolge de artikelen 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, van de Awb, voor zover thans van belang, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van onderscheidenlijk het bezwaar en het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Artikel 243, tweede lid, Rv is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 243, eerste lid, Rv, voor zover hier van belang, veroordeelt de rechter, indien er termen zijn om de wederpartij van hem aan wie ter zake van het gevoerde geding krachtens de Wrb een toevoeging is verleend, in de kosten te verwijzen, haar ambtshalve om aan de griffier te voldoen de griffierechten, alsmede de onder deze kosten begrepen salarissen van advocaten en verschotten.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, stelt de griffier uit het ingevolge het eerste lid ontvangen bedrag degene aan wie een toevoeging is verleend, zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. Het eventueel resterende bedrag voldoet de griffier, na aftrek van zijn verschotten, en de ingevolge artikel 37 van de Wrb aan de advocaat te betalen vergoeding, aan de advocaat.

2.2. [wederpartij] heeft op basis van toevoegingen rechtsbijstand verleend in drie zaken waarin hij namens zijn cliënten bezwaar heeft gemaakt tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Dit bestuursorgaan heeft in een drietal besluiten op bezwaar van 23 november 2006, 27 december 2006 en 5 februari 2007 proceskostenvergoedingen toegekend van onderscheidenlijk € 644,00 en tweemaal € 322,00. [wederpartij] heeft vervolgens op 15 januari 2007 en 1 maart 2007 de raad verzocht om vaststelling van zijn vergoedingen voor de in die drie zaken verleende rechtsbijstand.

De raad heeft in deze zaken die zogenoemde vaststelvergoedingen berekend op onderscheidenlijk € 982,73 en tweemaal € 978,31. Daarop zijn vervolgens in mindering gebracht de door het bestuursorgaan krachtens artikel 7:15, tweede lid, van de Awb toegekende kostenvergoedingen, die zijn opgesplitst in het eigen bijdrage bedrag van onderscheidenlijk € 90,00, € 45,00 en € 92,00, en de resterende vergoeding voor kosten van rechtsbijstand van onderscheidenlijk € 554,00, € 277,00 en € 230,00. De aan [wederpartij] als vaststelvergoeding uit te betalen bedragen zijn derhalve onderscheidenlijk € 338,73 en tweemaal € 656,31. De raad stelt zich daarbij, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, op het standpunt dat aangezien het bestuursorgaan in de drie zaken rechtstreeks aan [wederpartij] een vergoeding heeft toegekend voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar, die vergoeding ingevolge artikel 32, derde lid, van het Bvr 2000 voor verrekening met de vergoeding voor op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand in aanmerking komt.

2.3. De rechtbank heeft - samengevat - overwogen dat de raad een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 32, derde lid, van het Bvr 2000 door daarbij de formulering in de besluiten op bezwaar, te weten of de proceskostenvergoeding is toegekend aan de rechtzoekende dan wel aan diens rechtsbijstandverlener, doorslaggevend te achten. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit de artikelen 7:15 en 7:28 van de Awb kan worden afgeleid dat de proceskostenvergoeding uitsluitend betrekking heeft op de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar dan wel het administratief beroep heeft gemaakt en dat hieronder alleen de rechtzoekende kan worden verstaan. Dit betekent volgens de rechtbank dat ongeacht de formulering in het besluit op bezwaar, alleen de rechtzoekende aanspraak heeft op de toegekende proceskostenvergoeding en niet de rechtsbijstandverlener. De rechtbank heeft overwogen dat de door de raad gehanteerde maatstaf tot willekeur leidt en komt tot de conclusie dat op basis van artikel 32, derde lid, van het Bvr 2000 een proceskostenvergoeding in de bestuurlijke voorfase nimmer tot verrekening met een vergoeding voor op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand kan leiden. Dat artikel 243, tweede lid, Rv van overeenkomstige toepassing is verklaard, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

2.4. De raad betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de proceskostenvergoedingen terecht in mindering zijn gebracht op de door hem te betalen vergoedingen voor op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand. Volgens de raad is de rechtbank voorbij gegaan aan de bedoeling van de wetgever bij de van toepassing verklaring van artikel 243, tweede lid, Rv in de artikelen 7:15, tweede lid, en 7: 28, tweede lid, van de Awb zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Kosten bestuurlijke voorprocedure (Kamerstukken II, 1999/00, 27 024, nr. 3, blz. 10). Daaruit kan, aldus de raad, immers worden afgeleid dat de wetgever ervan is uitgegaan dat het bestuursorgaan de proceskostenvergoeding in zijn geheel aan de rechtsbijstandverlener overmaakt. Dit kan volgens de raad eveneens worden afgeleid uit de toelichting bij artikel 29, derde lid, van de Wrb (nota van wijziging, Kamerstukken II, 2001 /02, 27 553, nr. 6, blz. 3).

2.5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, waarop de rechtbank ook heeft gewezen, is er geen grondslag voor verrekening van de rechtstreeks aan de rechtzoekende toegekende vergoeding voor de kosten van verleende rechtsbijstand met de op basis van een toevoeging aan een rechtsbijstandverlener te vergoeden bedragen (zie onder meer de uitspraak van 21 februari 2007 in zaak nr. 200604930/1) maar biedt artikel 32, derde lid, van het Bvr 2000 die grondslag wel indien die kostenvergoeding is toegekend aan de rechtsbijstandverlener (zie onder meer de uitspraken van 26 november 2003 en 11 februari 2004 in de zaken met nrs. 200306263/2 en 200306263/3; gepubliceerd in JSV 2004/151 en 153). In hetgeen de rechtbank heeft overwogen acht de Afdeling geen grond gelegen om thans tot een ander oordeel te komen. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de artikelen 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, van de Awb de mogelijkheid bieden de kosten van de belanghebbende te vergoeden en hieronder de rechtzoekende moet worden verstaan, is weliswaar juist, maar daaraan kan niet de conclusie worden verbonden dat de in bezwaar toegekende kostenvergoeding nimmer kan worden verrekend met de op basis van een toevoeging door de raad aan de rechtsbijstandverlener te betalen vergoeding. Integendeel, in de hiervoor in 2.4 genoemde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Kosten bestuurlijke voorprocedure is vermeld dat ingevolge die bepalingen artikel 57b, tweede lid (lees: artikel 243, tweede lid), Rv van overeenkomstige toepassing is en dat in gevallen, waarin op grond van de Wrb voor het bezwaar of administratief beroep een toevoeging is verleend uitbetaling van de kostenvergoeding aan de griffier plaatsvindt. Voorts is daarin vermeld dat in gevallen waarin geen beroep op de rechter wordt ingesteld na de beslissing op het bezwaar of beroep het de meest praktische werkwijze is dat het bestuursorgaan handelt op de manier waarop de griffier wordt verondersteld te handelen. Het is dan het meest praktisch dat het bestuursorgaan de kostenvergoeding naar de advocaat overmaakt, zodat die kan zorgen voor verrekening met de eigen bijdrage, aldus de memorie van toelichting. Hieruit kan worden afgeleid dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om met de artikelen 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, van de Awb de rechtzoekende een exclusieve aanspraak te geven op de gehele kostenvergoeding, te meer nu de kosten van de rechtzoekende doorgaans zijn beperkt tot de eigen bijdrage die hij is verschuldigd.

Gelet op het vorenoverwogene moet in het geval dat op basis van een toevoeging rechtsbijstand is verleend, de kostenvergoeding in de bestuurlijke voorfase worden geacht te zijn toegekend aan de rechtsbijstandverlener, tenzij in het besluit van het bestuursorgaan de vergoeding is toegekend aan de rechtzoekende. Zoals de raad terecht stelt, kan uit de redactie van de besluiten op bezwaar van het college, niet worden afgeleid dat de kostenvergoedingen rechtstreeks aan de rechtzoekende zijn toegekend, maar duidt die redactie er juist op dat deze vergoedingen aan [wederpartij] worden toegekend en zullen worden overgemaakt. Zoals de Afdeling ook heeft overwogen in haar uitspraak van 27 januari 2010 in zaak nr. 200902857/1, komt daarvan, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 243, tweede lid, Rv, het bedrag van de eigen bijdrage - hier onderscheidenlijk

€ 90,00, € 45,00 en € 92,00 - toe aan de rechtzoekende, zodat deze daarvoor schadeloos wordt gesteld. [wederpartij] heeft recht op de resterende bedragen van de kostenvergoedingen. De raad heeft derhalve, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, ook die resterende bedragen, gelet op het bepaalde in artikel 32, derde lid, van het Bvr 2000, terecht in mindering gebracht op de aan [wederpartij] toegekende vaststelvergoedingen voor door hem op basis van toevoegingen verleende rechtsbijstand.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, nu zoals uit het hiervoor overwogene volgt de rechtbank van een onjuiste uitleg en toepassing van artikel 32, derde lid, van het Bvr 2000 is uitgegaan. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van [wederpartij] tegen de besluiten van 8 augustus 2007 van de raad alsnog ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 juni 2009 in zaken nrs. 07/7453, 07/7454 en 07/7461;

III. verklaart de bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en Mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2010

18-609.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature