< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) Desmepol B.V. (hierna: Desmepol) onder oplegging van een last onder dwangsom aangeschreven een tweetal illegaal geplaatste zeecontainers op het perceel Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Uitspraak



200807395/1 en 200807395/2.

Datum uitspraak: 11 november 2008

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Desmepol B.V., gevestigd te Arnhem,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 25 september 2008 in zaken nrs. 07/1316 en 07/1394 in het geding tussen:

Desmepol B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) Desmepol B.V. (hierna: Desmepol) onder oplegging van een last onder dwangsom aangeschreven een tweetal illegaal geplaatste zeecontainers op het perceel Langenhorsterweg 6 te Ambt Delden (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 27 november 2007 heeft het college het door Desmepol daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 september 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door Desmepol daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Desmepol bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 oktober 2008.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2008, heeft Desmepol de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Desmepol en [belanghebbende] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 oktober 2008, waar Desmepol, vertegenwoordigd door B. Mets en T. Boerkamp, en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. P. Braamhaar, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn als partij gehoord [belanghebbende] en anderen, waarvan in persoon verschenen [gemachtigden], bijgestaan door W.J. Jansen.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. De voorzitter stelt vast dat thans slechts in geding is het besluit van 21 augustus 2007, waarbij Desmepol onder oplegging van een last onder dwangsom is gelast twee illegaal op het perceel geplaatste zeecontainers te verwijderen en verwijderd te houden. Het college heeft aan deze last ten grondslag gelegd dat de twee zeecontainers, die minstens een jaar ongebruikt op het perceel hebben gestaan, in strijd met artikel 40 van de Woningwet zonder bouwvergunning op het perceel zijn geplaatst. Het besluit van 18 december 2007, waarbij aan Desmepol een last onder dwangsom is opgelegd om vier andere, zonder bouwvergunning geplaatste, zeecontainers van het perceel te verwijderen en waarbij aan haar in zoverre tevens een preventieve last onder dwangsom is opgelegd, is thans niet aan de orde. Ook is, gezien het besluit op bezwaar, evenmin aan de orde de vraag of het perceel door Desmepol wordt gebruikt in strijd met de in het bestemmingsplan "Buitengebied Ambt Delden" (hierna: het bestemmingsplan) opgenomen bestemming "bedrijfsgebouwen, categorie Ze (fabricage zeep-, was- reinigingsproducten)".

2.3. Desmepol betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 27 november 2007 onjuist tot stand is gekomen. Zij voert daartoe aan dat zij geen vooraanschrijving heeft ontvangen en dientengevolge nooit haar zienswijze naar voren heeft kunnen brengen. Desmepol betoogt dat de rechtbank ten onrechte van belang heeft geacht dat de vooraanschrijving is verzonden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BM Vastgoed B.V. (hierna: BM Vastgoed) ter attentie van [.

2.3.1. Desmepol is niet in haar processuele belangen geschaad door het feit dat de vooraanschrijving van 15 mei 2007 is geadresseerd aan de verhuurder van het perceel, BM Vastgoed. Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft het college deze fout hersteld en dit besluit alsnog gericht aan Desmepol, alsook het besluit op bezwaar van 27 november 2007. Desmepol heeft zich tegen deze besluiten tijdig kunnen verweren door het maken van bezwaar en het instellen van beroep. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het besluit van 21 augustus 2007 niet onrechtmatig is, hetgeen tevens geldt voor het besluit van 27 november 2007. Daarbij heeft de rechtbank van belang kunnen achten dat de brief van 16 maart 2007 alsmede de vooraanschrijving van 15 mei 2007 zijn verzonden ter attentie van B. Mets, die bestuurder en gemachtigde is van zowel Desmepol als BM Vastgoed, zodat Desmepol ook vóór de besluiten reeds op de hoogte was van de door het college vastgestelde overtreding. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2008 in zaak nr. 200708692/1 slaagt niet, nu in die uitspraak, anders dan thans het geval is, is geoordeeld dat het enkele feit dat BM Vastgoed en Desmepol worden bestuurd door dezelfde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Metsholding B.V., waarvan B. Mets enig bestuurder en aandeelhouder is, niet maakt dat BM Vastgoed belanghebbende is bij een besluit op bezwaar dat is gericht aan Desmepol.

2.4. Desmepol betoogt dat de rechtbank de zeecontainers ten onrechte heeft aangemerkt als bouwwerk. Zij stelt dat de zeecontainers slechts dienen als verpakkingsmateriaal en transportmiddel voor goederen en niet worden gebruikt als opslagruimte. Zij benadrukt dat de zeecontainers leeg zijn en bovendien zo zijn geplaatst dat niemand de containers kan binnentreden. Desmepol stelt voorts dat het op grond van de aan haar verleende milieuvergunning is toegestaan zeecontainers op het buitenterrein te plaatsen.

2.4.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Voor de beantwoording van de vraag of een bouwvergunning is vereist, dient eerst te worden beoordeeld of sprake is van bouwen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet . Ingevolge die bepaling wordt, voor zover thans van belang, onder bouwen verstaan: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Het begrip "bouwwerk" is in de Woningwet niet omschreven. Volgens de jurisprudentie van de Afdeling, onder meer in de uitspraak van 17 oktober 2001 in zaak no. 200004512/1 (Gst. 2002, 7172, 11), geeft de modelbouwverordening een bruikbare definitie van het wettelijke begrip "bouwwerk". Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet wordt onder gebouw verstaan elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de twee in geding zijnde zeecontainers, gezien hun afmetingen en omvang alsmede hun plaatsgebonden karakter, moeten worden aangemerkt als een bouwwerk in de zin van de Woningwet. Het betoog van Desmepol dat de twee zeecontainers dienen te worden beschouwd als verpakkingsmateriaal en transportmiddel en dat deze containers te allen tijde leeg gereed moeten staan voor verpakking en verzending van goederen, is niet voldoende om de langdurige aanwezigheid van de twee zeecontainers op het perceel te verklaren en aan de zeecontainers het plaatsgebonden karakter te ontzeggen. De twee zeecontainers hebben immers ruim een jaar op dezelfde plaats op het perceel gestaan en zijn in die periode niet als verpakkingsmateriaal voor het transport van goederen gebruikt. Door deze langdurige aanwezigheid op het perceel hebben de twee zeecontainers een plaatsgebonden karakter. Dat volgens Desmepol de twee zeecontainers op het perceel mogen worden geplaatst conform de aan haar verleende milieuvergunning, wat hier van zij, maakt evenmin dat reeds daarom geen sprake is van een bouwwerk. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voor het plaatsen van de twee zeecontainers een bouwvergunning is vereist.

2.5. Vast staat dat Desmepol niet beschikt over een bouwvergunning voor de in geding zijnde twee zeecontainers, zodat is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet en het college terzake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6. Ingevolge het bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming "bedrijfsgebouwen, categorie Ze (fabricage zeep-, was- reinigingsproducten)" toegekend.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zijn gronden met deze bestemming bestemd voor niet-agrarische bedrijven in de bestemmingscategorie Ze fabricage, zeep-, was- reinigingsproducten, een en ander met bijbehorende bebouwing en voorzieningen.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, dienen de gebouwen, indien op de plankaart een bebouwingsvlak is aangegeven, daarbinnen te worden opgericht.

2.7. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de twee in geding zijnde zeecontainers dienen te worden aangemerkt als gebouw en dat, nu de zeecontainers buiten het bebouwingsvlak zijn geplaatst, sprake was van strijd met het bestemmingsplan. Voor zover Desmepol ter zitting heeft betoogd dat de zeecontainers niet konden worden aangemerkt als gebouw omdat de deuren waren vergrendeld en derhalve niet toegankelijk waren, overweegt de voorzitter dat voor de vraag of sprake is van een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet niet van belang is of mensen feitelijk het bouwwerk kunnen betreden. Van belang is dat het bouwwerk op zich een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten, ruimte vormt, hetgeen hier het geval was.

Het college is - kort weergegeven - niet bereid gebruik te maken van zijn bevoegdheid om vrijstelling te verlenen en heeft voorts geen bijzondere omstandigheden aanwezig geacht op grond waarvan het van handhaving had behoren af te zien. Er zijn geen redenen aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de plaatsing van de twee zeecontainers buiten het bebouwingsvlak moet worden gelegaliseerd. Nu ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien, is de voorzitter met de rechtbank van oordeel dat niet staande kan worden gehouden dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid handhavend op te treden gebruik heeft kunnen maken.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Montagne

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2008

374.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature