< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Vreemdelingenbewaring / Centraal-Irak / gedwongen uitzetting / zicht op uitzetting

Uit hetgeen ter zitting bij de Afdeling naar voren is gebracht, blijkt dat de Iraakse ambassade laissez passer verstrekt ten behoeve van de uitzetting naar Centraal-Irak van in bewaring gestelde vreemdelingen met de Iraakse nationaliteit.

De staatssecretaris heeft ter zitting gesteld dat de vreemdeling bij de presentatie bij de Iraakse ambassade heeft verklaard niet te willen terugkeren. Deze verklaring leidt niet tot het oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn, nu de Iraakse ambassade bij actieve en volledige medewerking van de vreemdeling bereid is om een laissez passer te verstrekken. In 2008 hebben daadwerkelijk twee uitzettingen plaatsgevonden. De staatssecretaris heeft ter zitting te kennen gegeven dat, nu de Iraakse autoriteiten op grond van de door de vreemdeling overgelegde afschriften van documenten niet twijfelen aan diens Iraakse nationaliteit, stappen worden ondernomen om de vreemdeling met een

EU-staat uit te zetten.

Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat vooralsnog niet is gebleken dat binnen afzienbare termijn geen zicht op zijn uitzetting naar Centraal Irak bestaat.

Uitspraak



200805610/1.

Datum uitspraak: 29 september 2008

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nr. 08/23203 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, van 14 juli 2008 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2008 is [appellant] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 juli 2008, verzonden op 15 juli 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 juli 2008, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 29 augustus 2008 heeft de Afdeling de staatssecretaris verzocht om een nadere toelichting. De staatssecretaris heeft hierop niet binnen de gegeven termijn gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 september 2008, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D. Kuiper, ambtenaar in dienst van het Minister van Justitie, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief, voor zover thans van belang en samengevat weergegeven, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat vooralsnog niet zou zijn gebleken dat binnen afzienbare termijn geen zicht op zijn uitzetting naar Centraal Irak bestaat. De vreemdeling betoogt dat, nu de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank niet heeft kunnen aangeven of, en zo ja, hoeveel gedwongen uitzettingen in 2007 en 2008 naar Centraal Irak hebben plaatsgevonden, de rechtbank ten onrechte genoegen heeft genomen met het niet onderbouwde standpunt van de staatssecretaris, dat de vreemdeling desondanks uitzetbaar is.

2.2. Blijkens het proces verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris in reactie op de stelling van de vreemdeling dat geen uitzettingen naar Centraal-Irak plaatsvinden, aangegeven dat in februari 2008 een geslaagde uitzetting naar Centraal Irak heeft plaatsgevonden, maar dat dit een vreemdeling betrof die wenste mee te werken aan zijn terugkeer. Daarnaast heeft de staatssecretaris niet kunnen aangeven of in 2007 uitzettingen naar Centraal Irak hebben plaatsgevonden.

Gelet hierop en nu uit de op de zaak betrekking hebbende stukken kan worden afgeleid dat de vreemdeling niet bereid is vrijwillig aan zijn terugkeer mee te werken, had de rechtbank de staatssecretaris dienen te verzoeken zijn standpunt omtrent zicht op uitzetting naar Centraal Irak nader te onderbouwen. De klacht is terecht voorgedragen, maar de grief kan, gelet op het volgende, niettemin niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2.1. Ter zitting van de Afdeling heeft de staatssecretaris uiteengezet onder welke voorwaarden de ambassade van Irak laissez passer verleent.

De Iraakse ambassade is bereid een laissez passer af te geven, indien een vreemdeling met de Iraakse nationaliteit mondeling of schriftelijk verklaart geen bezwaar tegen terugkeer te hebben. De Iraakse autoriteiten verzetten zich niet tegen een uitzetting met een EU-staat. In 2007 is geen vreemdeling met een EU-staat uitgezet. Op 14 juli 2008 is een vreemdeling, in het bezit van een verlopen Iraaks paspoort, met een EU-staat via Dubai naar Bagdad uitgezet. Op 3 september 2008 is een vreemdeling, in het bezit van een identiteitskaart, met een EU-staat via Amman naar Bagdad uitgezet.

2.2.2. Hoewel vaststaat dat op de vreemdeling de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, heeft hij dat niet binnen de gestelde termijn gedaan. De op hem rustende vertrekplicht brengt onder meer mee dat van de vreemdeling mag worden verwacht dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting verleent.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 november 2005 in zaak nr. 200507769/1; JV 2006/13), brengt het wettelijk systeem, indien het belang van de openbare orde vordert dat met het oog op de voorgenomen uitzetting een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, niet mee dat die maatregel slechts kan worden toegepast ten aanzien van de vreemdeling die medewerking verleent, maar ook en in het bijzonder van de vreemdeling die die medewerking niet of in onvoldoende mate verleent. Juist in laatstbedoeld geval wordt door de vrijheidsontnemende maatregel de mogelijkheid van uitzetting veiliggesteld, doordat permanent kan worden toegezien op de van de vreemdeling te verlangen inspanningen tot terugkeer. Aldus is het zicht op uitzetting niet komen te ontbreken, maar wordt het integendeel verscherpt en bevorderd.

2.2.3. Uit hetgeen ter zitting bij de Afdeling naar voren is gebracht, blijkt dat de Iraakse ambassade laissez passer verstrekt ten behoeve van de uitzetting naar Centraal-Irak van in bewaring gestelde vreemdelingen met de Iraakse nationaliteit.

De staatssecretaris heeft ter zitting gesteld dat de vreemdeling bij de presentatie bij de Iraakse ambassade heeft verklaard niet te willen terugkeren. Deze verklaring leidt niet tot het oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn, nu de Iraakse ambassade bij actieve en volledige medewerking van de vreemdeling bereid is om een laissez passer te verstrekken. In 2008 hebben daadwerkelijk twee uitzettingen plaatsgevonden. De staatssecretaris heeft ter zitting te kennen gegeven dat, nu de Iraakse autoriteiten op grond van de door de vreemdeling overgelegde afschriften van documenten niet twijfelen aan diens Iraakse nationaliteit, stappen worden ondernomen om de vreemdeling met een

EU-staat uit te zetten.

Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat vooralsnog niet is gebleken dat binnen afzienbare termijn geen zicht op zijn uitzetting naar Centraal Irak bestaat.

2.3. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de ze wet, met dat oordeel volstaan.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.B.J.M. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van de Kolk

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2008

347-495.

Verzonden: 29 september 2008

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature