E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RVS:2008:BC7124
LJN BC7124, Raad van State, 200706839/1

Inhoudsindicatie:

Herhaalde aanvraag / 1 (F) Vv / wijziging standpunt met betrekking tot artikel 3 EVRM / ne bis in idem / materieel gelijkluidend besluit

Door te overwegen dat, nu in het besluit van 23 juni 2006 een op de persoon van de vreemdeling betrekking hebbende beoordeling is verricht of zich ten aanzien van haar een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM voordoet en de minister zich thans, anders dan voorheen, op het standpunt stelt dat dat niet zo is, de beoordeling voor zover deze ziet op dat artikel niet door het ‘ne bis in idem’-beginsel wordt beheerst, heeft de rechtbank niet onderkend dat de toepasselijkheid van het in 2.1.2 weergegeven beoordelingskader wordt bepaald door het antwoord op de vraag of het besluit van 23 juni 2006 materieel gelijkluidend is aan dat van 20 maart 2003. Het antwoord op die vraag luidt, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 december 2004 in zaak nr. 200406183/1; JV 2005/54), bevestigend. In zowel het besluit van 20 maart 2003, als dat van 23 juni 2006, is door de minister geweigerd om de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Beide besluiten hebben als rechtsgevolg dat op de vreemdeling ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, de plicht rust om Nederland uit eigen beweging te verlaten, bij gebreke waarvan zij, ingevolge artikel 63 van de Vw 2000, door de minister kan worden uitgezet. Dat de minister in het besluit van 20 maart 2003 heeft medegedeeld op dat moment feitelijk niet tot uitzetting van de vreemdeling te zullen overgaan, omdat niet viel uit te sluiten dat zij op dat moment bij terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico liep te worden blootgesteld aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, doet aan het van rechtswege ingetreden rechtsgevolg van dat besluit niet af. [..]

Nu hieruit volgt dat artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 aan verlening van de door de vreemdeling gevraagde verblijfsvergunning in de weg staat, rechtvaardigt hetgeen de vreemdeling overigens aan haar herhaalde aanvraag van 10 oktober 2004 ten grondslag heeft gelegd, zowel afzonderlijk, als in onderlinge samenhang bezien, geen hernieuwde rechterlijke toetsing van het besluit tot weigering van de desbetreffende verblijfsvergunning.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie