< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 4 juni 2004, kenmerk VI/Z17329/NP/JM, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000,00 per maand dat verzoekster, in strijd met artikel 3 van het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003 , glasoppervlakten behandelt met een product aangeduid als Clear Shield. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 60.000,00.

Uitspraak



200502819/1.

Datum uitspraak: 21 april 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

"Ritec Holland B.V.", gevestigd te Raamsdonkveer,

verzoekster,

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2004, kenmerk VI/Z17329/NP/JM, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 5.000,00 per maand dat verzoekster, in strijd met artikel 3 van het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003 , glasoppervlakten behandelt met een product aangeduid als Clear Shield. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 60.000,00.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brief van 31 maart 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 11 april 2005, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. A.A. Freriks, advocaat te Breda, en D.C. Croxson, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.R. Langius, mr. A.P. Dijkstra, drs. M.F. Hildebrand, mr. O.W. de Hollander en N.M. Peeters, ambtenaren van het Ministerie, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn nadere stukken in het geding gebracht.

2.    Overwegingen

2.1.    Verweerder heeft tijdens een controlebezoek op 14 april 2004 aan het bedrijf van verzoekster aan de Ramgatseweg 30 te Raamsdonkveer geconstateerd dat verzoekster glasopppervlakten behandelt met een product aangeduid als Clear Shield, een niet-ontvlambaar middel dat wordt toegepast met als doel het behoud van de kwaliteit van het glas en het afweren van vuil. Het product is onder meer samengesteld uit de chloorfluorkoolwaterstof HCFC-141b, genoemd in groep VIII van bijlage I behorende bij de Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (hierna: de Verordening). De stof HCFC-141b heeft in Clear Shield de functie van 'carrier/transporter' en zorgt daardoor voor een egale verspreiding van het product.

   Verweerder is van oordeel dat het gebruik van dit chloorfluorkoolwaterstof bevattende product een overtreding van artikel 5, eerste lid, van de Verordening inhoudt. Nu op grond van artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen in artikel 3 van het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003 (hierna: het Besluit) is vastgelegd dat het verboden is te handelen in strijd met het verbod gesteld in artikel 5, eerste lid, in samenhang met het tweede tot en met vijfde lid, van de Verordening, heeft verweerder besloten verzoekster een last onder dwangsom op te leggen om een einde te maken aan de overtreding en verdere overtreding te voorkomen. In het dwangsombesluit van 4 juni 2004 heeft verweerder een begunstigingstermijn gesteld van vier weken.

   Op 6 augustus 2004 heeft verzoekster een aanvraag voor een tijdelijke vrijstelling voor het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen als bedoeld in artikel 5, zevende lid, van de Verordening ingediend bij de bevoegde autoriteit in het Verenigd Koninkrijk (DEFRA). DEFRA heeft de aanvraag ondersteund en vervolgens doorgeleid aan de Europese Commissie. Daarop heeft verweerder op 12 augustus 2004 besloten de in het dwangsombesluit gestelde begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen tot het moment waarop de Europese Commissie op de aanvraag heeft beslist, doch uiterlijk tot 1 april 2005. Bij besluit van 23 november 2004 heeft de Europese Commissie - na een daartoe strekkend advies van het zogenaamde Management Committee - de aanvraag om vrijstelling afgewezen. Verweerder heeft verzoekster desgevraagd bij brief van 1 april 2005 medegedeeld geen reden te zien voor verdere verlenging van de begunstigingstermijn.

2.2.    Verzoekster heeft de Voorzitter verzocht het gewijzigde dwangsombesluit van 4 juni 2004 bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen, nu naar haar mening het onderzoek naar mogelijke legalisering, dat verweerder in 2004 aanleiding gaf de begunstigingstermijn op te schorten, niet is afgerond. Zij acht het, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, onrechtvaardig dat verweerder zijn handhavingsactie thans doorzet en niet bereid is te wachten op de heroverweging van het afwijzingsbesluit door de Europese Commissie. Verder wijst zij er op dat op dit moment geen alternatief voor HCFC-141b beschikbaar is, dat de door verzoekster gebruikte hoeveelheden HCFC-141b zeer miniem zijn en dat het stopzetten van het gebruik van Clear Shield de economische belangen van verzoekster aanzienlijke schade zal berokkenen.

2.2.1.    Blijkens de stukken heeft verzoekster de Europese Commissie in een schriftelijke reactie gewezen op een aantal onjuiste feiten en aannames waarvan naar haar mening in het afwijzingsbesluit wordt uitgegaan. Na haar standpunt op verzoek van ambtenaren van de Europese Commissie in Brussel mondeling te hebben verduidelijkt, is zij in de gelegenheid gesteld een herziene aanvraag om vrijstelling in te dienen. Op 4 mei 2005 zal de herziene aanvraag worden behandeld in de vergadering van het Management Committee.

   De Voorzitter acht het, nu op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting aannemelijk is geworden dat de eerste aanvraag om vrijstelling die heeft geleid tot het afwijzingsbesluit van de Europese Commissie van 23 november 2004 geen volledig, helder beeld gaf van de specifieke werking en toepassing van Clear Shield en de Europese Commissie bereid is deze aanvraag met medeneming van nadere relevante informatie te heroverwegen, niet zonder meer uitgesloten dat een hernieuwde behandeling tot een tijdelijk vrijstellingsbesluit als bedoeld in artikel 5, zevende lid, van de Verordening kan leiden. Ter zitting is gebleken dat de besluitvorming van de Europese Commissie naar verwachting in juni 2005 zal plaatsvinden, zodat legalisering van het gebruik van Clear Shield op korte termijn tot de mogelijkheden behoort.

   Gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval en nu verweerder voorts geen steekhoudende argumenten naar voren heeft gebracht die moeten leiden tot het oordeel dat de mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu zodanig zijn dat deze in de weg staan aan een voortzetting van de behandelingen van glasopppervlakten met Clear Shield, in ieder geval in afwachting van de beslissing op bezwaar die over ongeveer 1,5 maand is te verwachten, ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, na afweging van de betrokken belangen, aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 4 juni 2004, kenmerk VI/Z17329/NP/JM, zoals gewijzigd bij besluit van 12 augustus 2004, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat, wanneer binnen die termijn van zes weken de Voorzitter is benaderd met een verzoek om voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat de Voorzitter op dat verzoek heeft beslist;

II.    veroordeelt de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2005

334.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature