< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Verzoekschrift ex artikel 530 en 533 Sv in speciekuipmoordzaak. Verzoekster is wegens een geslaagd beroep op psychische overmacht bij vonnis van 1 september 2021 ontslagen van alle rechtsvervolging. Bewezenverklaring betrof medeplichtigheid aan wegmaken lijk. Verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade ten gevolge van ondergane voorlopige hechtenis. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster een deel van de voorlopige hechtenis aan zichzelf te wijten heeft, omdat zij ook op een eerder moment openheid van zaken had kunnen geven en niet is gebleken dat zij niet in staat was haar wil te bepalen. Toewijzing vergoeding vanaf moment dat verzoekster openheid van zaken heeft gegeven.

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Locatie Breda

parketnummer: 02-240083-19

rk-nummers: 21-016050 en 21-016057

Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering

Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 18 oktober 2021, in de zaak:

[verzoeker]

geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats]

woonplaats kiezende ten kantore van mr. G.R. Stolk, Tuinlaan 80 te 3111 AW Schiedam.

Verzoekster is [verzoeker] voornoemd.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:

- € 9.620,00, € 9.620,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;

 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:

- € 340,00 € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van de verzoekschriften dan wel € 680,00 bij behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;

het vonnis van de meervoudige strafkamer van 1 september 2020 waarbij verzoekster is vrijgesproken van het aan haar onder feit 1, 2 en 3 primair tenlastegelegde en voor het aan haar onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde is ontslagen van alle rechtsvervolging;

de stukken waaruit blijkt dat verzoekster op 5 oktober 2019 in verzekering is gesteld en op 24 december 2019 in vrijheid is gesteld;

de schriftelijke reactie van de officier van justitie.

Op 15 maart 2022 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks en mr. G.R. Stolk als gemachtigd advocaat van verzoekster gehoord.

Verzoekster is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.

Standpunt van verzoekster

In het verzoekschrift is namens verzoekster aangevoerd dat de zaak tegen haar op 1 september 2021 is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Zij is van een aantal aan haar tenlastegelegde feiten vrijgesproken en voor het wel bewezenverklaarde feit is zij niet strafbaar geacht wegens een geslaagd beroep op psychische overmacht. Verzoekster stelt immateriële schade te hebben geleden als gevolg van de door haar ondergane voorlopige hechtenis en acht het redelijk en billijk dat aan haar een vergoeding wordt toegekend van in totaal € 9.620,00, bestaande uit 6 dagen inverzekeringstelling à € 130,00, 48 dagen beperkingen à € 30,00 en 74 dagen voorlopige hechtenis à € 100,00. Voorts heeft de advocaat verzocht om toekenning van de forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van de verzoekschriften.

In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij de verzoekschriften. In aanvulling daarop is aangevoerd dat verzoekster voor de meest zware verdenkingen is vrijgesproken, nadat ook de officier van justitie tot vrijspraak van deze feiten had gerekwireerd. De rol van verzoekster bij het wegmaken van het lijk is beperkt gebleven tot het rijden in een voertuig waarin het lichaam van [naam] werd vervoerd en het kopen van het beton en de speciekuip. Hierbij dient in overweging te worden genomen dat deze handelingen zijn verricht onder dwang van de hoofdverdachte, voor wie verzoekster ook bang was omdat hij in het bezit was van vuurwapens. Zij kon evenmin weerstand bieden aan haar moeder, die haar vertelde dat ze moest blijven nadat verzoekster heeft verklaard weg te willen. Verzoekster heeft pas op een later moment openheid van zaken durven te geven. Zij heeft lange tijd gezwegen uit angst. Verzoekster betreft een meisje van destijds 19 jaar met een geest van een meisje van 12 jaar aan wie in eerste instantie is medegedeeld dat zij op eigen kosten een advocaat kon raadplegen. Zij heeft wel degelijk op vragen van de politie antwoord gegeven en in detail verklaard over bepaalde aangelegenheden. De 12-jaarsdelicten heeft zij echter ontkend. Vervolgens heeft zij bijstand gekregen van piketadvocaten die haar hebben geadviseerd te zwijgen. Zij heeft uiteindelijk zelf besloten het zwijgen te doorbreken. Ze heeft gezegd dat ze alles wilde gaan vertellen, omdat ze niet voor andere mensen vast wilde komen te zitten. Het hierna ingediende schorsingsverzoek is toegewezen. Enige tijd later is de voorlopige hechtenis opgeheven. Indien verzoekster eerder volledige openheid van zaken had gegeven, had zij waarschijnlijk wel tot de eerste pro-formazitting vastgezeten. Er zijn dan ook gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoekster de standaardvergoeding toe te kennen voor de dagen dat zij in voorlopige hechtenis heeft verbleven. Ook is van belang dat de verklaring van verzoekster voor een doorbraak in het onderzoek heeft gezorgd. Verzoekster is uiteindelijk alles kwijtgeraakt door de voorlopige hechtenis. Bij de laatste wijziging van de tenlastelegging is het medeplegen aan het wegmaken van het lijk pas gewijzigd in – de later bewezenverklaarde – medeplichtigheid.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn om een schadevergoeding toe te kennen. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat verzoekster zich vanaf haar inverzekeringstelling meermalen heeft beroepen op haar zwijgrecht en pas vanaf december 2019 openheid van zaken heeft gegeven. Met het oog op deze verwijtbare proceshouding van verzoekster dient te schade ten gevolge van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voor haar rekening en risico te blijven. Daarbij is het finale oordeel – ontslag van alle rechtsvervolging – door de rechtbank pas op de inhoudelijke zitting genomen. Gelet op dit standpunt dient ook de forfaitaire vergoeding te worden afgewezen.

In raadkamer heeft de officier van justitie gepersisteerd bij het eerder ingenomen standpunt en in reactie op de advocaat opgemerkt dat de zaak niet enkel door de verklaring van verzoekster is opgelost. Daarnaast is aangevoerd dat verzoekster een actieve bijdrage heeft geleverd aan het bewezenverklaarde feit. Hoewel zij daar later niet verantwoordelijk voor is gehouden, is het bijzonder lastig uit te leggen indien daar een financiële tegemoetkoming tegenover staat.

2 De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd.

Ingevolge artikel 533 Sv kan aan een verdachte die niet wordt veroordeeld of wiens zaak wordt

geseponeerd een vergoeding worden toegekend van de schade die hij of zij ten gevolge van ondergane

verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.

Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend voor

de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade die hij of zij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden en voor de kosten van een raadsman, tenzij artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is.

Beoordelingskader

Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Gronden van billijkheid voor toekenning van een vergoeding kunnen ontbreken indien verzoekster de tegen haar gerezen verdenking en de daarop gevolgde vrijheidsbeneming aan zichzelf te wijten heeft gehad.

Feiten en omstandigheden

Verzoekster is op 5 oktober 2019 aangehouden, waarna zij meerdere malen is verhoord. De rechtbank stelt vast dat verzoekster – in de verhoren die in oktober en november 2019 hebben plaatsgevonden – meerdere malen heeft verklaard dat zij [naam] niet kende, dat zij niets met zijn dood of vermissing te maken had en dat zij niet bang was voor verdachte [verdachte] of voor enig ander persoon. Zij heeft zich ook een aantal keer op haar zwijgrecht beroepen. Op het moment dat de politie haar belastende informatie voorhield die in strijd was met wat verzoekster eerder had verklaard, heeft zij zich opnieuw op haar zwijgrecht beroepen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verzoekster pas in de verhoren op 8, 9, 17 en 18 december 2019, nadat zij had besloten dat zij niet langer “voor iemand anders wilde gaan zitten”, openheid van zaken heeft gegeven. De politie heeft vervolgens de verklaringen van verzoekster geverifieerd, waarna de voorlopige hechtenis met ingang van 24 december 2019 is geschorst door de rechtbank.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank heeft verzoekster bij vonnis van 1 september 2021 vrijgesproken van medeplegen van - kort samengevat - de ontvoering en het overlijden van [naam] en de medeplichtigheid aan het wegmaken van zijn lijk bewezen verklaard. Daarbij is overwogen dat de bewezenverklaarde handelingen van verzoekster bestonden uit het met haar betaalpas kopen van twee zakken cement en een speciekuip waarmee de restanten van het lichaam van [naam] door [verdachte] een paar dagen later in het water van het Schelde-Rijnkanaal zijn gedumpt. Uit de stukken valt ook af te leiden, hoewel niet als zodanig aan haar ten laste gelegd, dat verzoekster ook heeft bijgedragen aan het brandend houden van het vuur in een olievat, in welk vuur het lichaam van [naam] is verbrand. Nadat dat vat was schoongespoeld door haar moeder heeft verzoekster dat vat een maand later naar de vuilstort gebracht. Daarnaast heeft zij in de verhoren in december 2019 verklaard dat zij de bus met bloedresten van [naam] moest schoonmaken. Vanwege een geslaagd beroep op psychische overmacht is verzoekster ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden valt af te leiden dat verzoekster een feitelijke bijdrage heeft geleverd aan de geschetste reeks van gebeurtenissen. Haar bijdrage was relatief gering, maar betrof wel een schakel in een keten van zeer ernstige strafbare feiten.

De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is of verzoekster de daarop gevolgde vrijheidsbeneming aan zichzelf te wijten heeft gehad. Zoals hiervoor al is overwogen heeft verzoekster aanvankelijk bij de politie onjuiste verklaringen afgelegd of zich op haar zwijgrecht beroepen. Kort na het moment dat zij openheid van zaken heeft gegeven is de voorlopige hechtenis geschorst en is verzoekster vrij gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij de ondergane vrijheidsbeneming - in elk geval tot het moment dat zij (op 18 december 2019) volledige openheid van zaken had gegeven - dan ook aan zichzelf te wijten gehad. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten om desondanks te concluderen dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het feit dat verzoekster ten tijde van de bewezenverklaarde handelingen redelijkerwijs geen weerstand kon of behoefde te bieden aan verdachte [verdachte] of aan haar moeder, betekent niet (zonder meer) dat deze drang ook voortduurde op het moment dat zij was aangehouden en dat van haar zodoende niet kon worden verwacht dat zij direct openheid van zaken zou geven. De rechtbank stelt daartoe vast dat verzoekster in december 2019 bewust ervoor heeft gekozen om te gaan verklaren. Volgens de advocaat heeft zij zelf besloten het zwijgen te doorbreken. Zij wilde immers niet langer “voor een ander gaan zitten”. Uit de verklaringen van verzoekster die zij in oktober en november 2019 heeft afgelegd kan de rechtbank evenmin afleiden dat zij niet in staat was haar wil te bepalen. Verzoekster had er dan ook eerder voor kunnen kiezen om te verklaren.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er wel gronden van billijkheid aanwezig om verzoekster een vergoeding voor de door haar ondergane voorlopige hechtenis toe te kennen vanaf de dag nadat zij volledige openheid van zaken had gegeven, te weten vanaf 19 december 2019. Vanaf dat moment waren de omstandigheden waaronder verzoekster heeft bijgedragen aan het feit en de rechtbank tot het oordeel hebben geleid dat verzoekster werd ontslagen van alle rechtsvervolging voldoende duidelijk.

De rechtbank stelt vast dat verzoekster nadat zij openheid van zaken had gegeven nog van 19 december 2019 tot en met 24 december 2019, te weten zes dagen, in het Huis van Bewaring heeft doorgebracht. De LOVS-uitgangspunten gaan uit van een forfaitaire vergoeding van € 130,00 per dag voor het verblijf op het politiebureau of in het Huis van Bewaring met beperkingen of in een extra beveiligde inrichting (EBI) en € 100,00 in de overige gevallen, waarbij ook de dag van invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag wordt vergoed. De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag toekennen van € 600,00.

Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.

3 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv toe tot een bedrag van € 600,00, bestaande uit schade wegens ondergane voorlopige hechtenis;

wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van

€ 680,00, bestaande uit de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;

wijst de verzoeken voor het overige af;

bepaalt dat een bedrag van € 1.280,00 zal worden overgemaakt op rekeningnummer NL14ABNA 0813531160 ten name van Stichting Beheer Derdengelden Stolk Advocaten, onder vermelding van “ [verzoeker] 530/533 Sv”.

Deze beslissing is op 26 april 2022 gegeven door mr. J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2022.

INFORMATIE RECHTSMIDDEL

Tegen de beslissing ex artikel 533 en ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature