< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/6968

uitspraak van 22 juli 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats]

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 28 april 2020 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag in het recht van successie wegens een verkrijging in het jaar 2006, alsmede de daarbij bij beschikking opgelegde boete van € 226 (aanslagnummer [aanslagnummer] ).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2021 te Roermond.

Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde en tevens partner van belanghebbende, [gemachtigde] en namens de inspecteur [inspecteur] .

1 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar maar alleen voor zover deze ziet op de boetebeschikking;

vernietigt de boete;

gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 48 aan haar vergoedt.

2 Gronden

Verzoek om uitstel

2.1.

Belanghebbende heeft een dag voor de zitting een verzoek om uitstel gedaan met de motivering dat men nog niet klaar was met het verweer. Dit verzoek is afgewezen. Het verzoek is niet tijdig gedaan. Bovendien is de aangevoerde reden onvoldoende aanleiding voor uitstel.

Feiten

2.2.

Op [datum 1] 2006 is de vader van belanghebbende, de heer [erflater] (erflater), overleden. Erflater is gehuwd geweest met mevrouw [erflaatster] , zij is overleden op [datum 2] 1980. Uit dit huwelijk zijn vijf kinderen geboren.

2.3.

Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt en bepaald dat de vijf kinderen voor gelijke delen erfgenaam zijn. Daarnaast heeft hij zaken toebedeeld aan de twee zoons tegen inbreng van de waarde daarvan in de nalatenschap. Deze twee zoons waren met erflater vennoot in een vennootschap onder firma.

2.4.

Omdat er geen aangifte successierecht is ingediend heeft de inspecteur met dagtekening 22 oktober 2007 aan belanghebbende een ambtshalve aanslag successierecht opgelegd naar een geschatte belaste verkrijging van € 160.000. Gelijktijdig met deze ambtshalve aanslag is een verzuimboete van € 226 opgelegd.

2.5.

Wegens onenigheid onder de erfgenamen is op 30 oktober 2007 door de rechtbank Roermond een bindend adviseur aangesteld. Deze bindend adviseur heeft op 20 juli 2009 een advies afgegeven (hierna: het advies) waarin staat dat de verkrijging per erfgenaam € 133.693,20 bedraagt. In het advies is vermeld dat op onderdelen nog nader advies of nadere uitwerking nodig is. Dit betreft geen onderdelen die betrekking hebben op de samenstelling of saldo van de nalatenschap maar ziet vooral op elementen die verband houden met de toedeling. De bindend adviseur heeft zijn werkzaamheden niet kunnen voltooien.

2.6.

In het advies staat onder 9 vermeld:

“Uit de schriftelijke reacties van partijen blijkt dat overeenstemming bestaat over de samenstelling van de nalatenschap. Samenvattend kan het volgende worden vastgesteld:

Ondernemingsvermogen erflater per 13-05-2006 € 69.111

Waarde landerijen na aftrek boekwaarde € 110.504

Aandeel in waarde bedrijfsgebouwen, na aftrek boekwaarde € 95.561

Aandeel in waarde machines na aftrek boekwaarde € 209.575

Woonhuis [adres] conform taxatie € 210.000

Tegoed Regiobank (per 5-6-2006) € 34.557

Te vorderen Inkomstenbelasting 2005 € 4.490

Aandeel in waarde suikerbietenquotum € 5.475

Schulden

Hypotheek Westland Utrecht hypotheekbank € 60.807

Begrafeniskosten (geschat) € 10.000

Saldo van de nalatenschap € 668.466

Ieder van de erven is voor een gelijk deel in dit saldo gerechtigd, derhalve ieder € 133.693,20.”

2.7.

Naar aanleiding van dit overzicht heeft de inspecteur bij de uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belaste verkrijging van € 132.208, te weten de verkrijging zoals vermeld in het advies verminderd met een bedrag van € 1.484 aan een onderbedelingsvordering uit de nalatenschap van de vooroverleden moeder.

2.8.

Op 6 februari 2019 heeft belanghebbende de rechtbank Roermond verzocht een opvolgend bindend adviseur te benoemen. Deze is door de rechtbank op 8 mei 2019 benoemd maar heeft zijn opdracht op 13 november 2019 weer teruggegeven in verband met gebrek aan medewerking door (een deel van) de erfgenamen. De verdeling van de nalatenschap is tot op heden nog niet stand gekomen. De enige gelden die belanghebbende daadwerkelijk heeft ontvangen, zijn afkomstig uit de opbrengst van de verkoop van het woonhuis.

Geschil

2.9.

Tussen partijen is in geschil of de ambtshalve aanslag en de boete terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd.

2.10.

Belanghebbende stelt in de kern dat zij het deel waar zij recht op heeft niet heeft ontvangen zodat dit ook niet in de belastingheffing kan worden betrokken.

Aanslag

2.11.

De rechtbank overweegt dat het recht van successie wordt geheven van de waarde van al wat krachtens erfrecht wordt verkregen door het overlijden van iemand die ten tijde van dat overlijden binnen het Rijk woonde.

2.12.

Niet in geschil is dat belanghebbende voor een vijfde deel gerechtigd is tot de nalatenschap van erflater. Ook is niet in geschil dat belanghebbende haar aandeel in de nalatenschap niet heeft verworpen. Belanghebbende is hierdoor erfgenaam en belasting verschuldigd over haar verkrijging. Het moment van overlijden is daarvoor bepalend. Dat zij de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard doet daar niet aan af. Ook is er geen wettelijke grondslag voor een vrijstelling in het geval de verdeling nog niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende hiermee in een hele moeilijke situatie terecht is gekomen, omdat zij niet het geld heeft om opnieuw een rechterlijke procedure te starten, waardoor het nog maar de vraag is of de verdeling ooit nog plaats zal gaan vinden en, samenhangend, of belanghebbende nog daadwerkelijk geld zal ontvangen bovenop het bedrag dat ze feitelijk wel al ontvangen heeft. Echter, de wetgeving laat ook in dat geval geen ruimte toe om heffing over de verkrijging (gedeeltelijk) achterwege te laten. De wetgeving laat evenmin toe om voor de belastingheffing uit te gaan van het bedrag dat uiteindelijk daadwerkelijk wordt gekregen in geld. Het gaat namelijk om de waarde op het moment van overlijden.

2.13.

Met betrekking tot de hoogte van de aanslag overweegt de rechtbank dat de bewijslast daarvoor in beginsel op de inspecteur rust. De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar de ambtshalve aanslag verminderd naar de hoogte van de verkrijging zoals vermeld in het advies zoals onder 2.6 vermeld. De inspecteur heeft daarmee als uitgangspunt aan de bewijslast voldaan. De omstandigheid dat de bindend adviseur zijn werkzaamheden uiteindelijk niet heeft voltooid, maakt dat niet anders. Niet alleen zagen de niet afgeronde werkzaamheden op andere aspecten dan onderdeel 9 van het advies. Het stond belanghebbende ook vrij om in het kader van de belastingheffing de door haar bepleite waarde van de verkrijging, ten tijde van het overlijden van erflater, (gemotiveerd) te onderbouwen. Belanghebbende heeft echter geen aangifte ingediend of anderszins voldoende concrete informatie aangeleverd met betrekking tot de hoogte van de nalatenschap. De rechtbank is daarom van oordeel dat het advies als uitgangspunt kan dienen voor de hoogte van de aanslag.

Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de woning als gevolg van slecht onderhoud in de periode na het overlijden voor een veel lagere prijs is verkocht. Verder begrijpt de rechtbank uit wat belanghebbende aanvoert dat volgens haar ook andere bestanddelen van de nalatenschap inmiddels (veel) minder waard zijn door de wijze van gebruik van enige van de andere erfgenamen. Al deze stellingen kunnen belanghebbende niet helpen. Het gaat namelijk kennelijk om een waardedaling als gevolg van omstandigheden ná het overlijden. Daarmee kan voor de belastingheffing geen rekening worden gehouden, omdat daarvoor de waarde moet worden bepaald op het moment van overlijden.

2.14.

De rechtbank is dus van oordeel dat er geen grond is om de aanslag te verminderen op basis van wat belanghebbende aanvoert.

2.15.

De rechtbank begrijpt goed dat dit oordeel voor belanghebbende (zeer) moeilijk te verteren zal zijn: het lukt haar niet te krijgen waarop zij recht heeft, en wordt toch daarover belast. Zoals ter zitting besproken, kan de oplossing daarvoor echter niet geboden worden in sfeer van de belastingheffing. Het probleem zit namelijk niet in de belastingheffing maar in het eerste, en dat is een civielrechtelijke kwestie.

Verder mag de rechtbank niet oordelen of er aanleiding is om de hardheidsclausule toe te passen. Daarover gaat namelijk de staatssecretaris van Financiën. Ook mag de rechtbank, zoals ter zitting besproken, niet oordelen of er aanleiding is voor (gedeeltelijke) kwijtschelding. Een verzoek daartoe moet bij de ontvanger van de Belastingdienst worden gedaan. Tegen een eventuele nadelige beslissing op zo’n verzoek, kan vervolgens administratief beroep worden ingesteld bij de Belastingdienst. Daarover kan verder niet worden geprocedeerd bij de belastingrechter, maar uitsluitend bij de burgerlijke rechter (de civiele rechter).

Boete

2.16.

Het beroepschrift wordt geacht ook betrekking te hebben op de boete, aangezien uit het beroepschrift niet het tegendeel blijkt. De rechtbank dient, ook zonder dat gronden zijn aangevoerd, te toetsen of de boete terecht is opgelegd. Bovendien is in de bezwaarfase geklaagd over de boete.

Indien een belastingplichtige de aangifte niet, dan wel niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan kan de inspecteur een boete opleggen. Daarover zijn echter geen stellingen ingenomen door de inspecteur in het verweerschrift. Verder behoren tot de stukken van het geding geen bewijsstukken van de verzending van de uitnodiging tot het doen van aangifte dan wel van een aanmaning tot het doen van aangifte. De inspecteur heeft dus niet aan de stelplicht althans bewijslast voldaan. De boete moet worden vernietigd. Gelet daarop is het beroep gegrond verklaard.

Proceskosten en griffierecht

2.17.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient het door belanghebbende betaalde griffierecht aan haar te worden vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 22 juli 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR ).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Artikel 1, sub 1 van de Successiewet 1956 (hierna: SW)

Artikel 36 van de SW

Artikel 67a van de AWR


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature