< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 18/3214 tot en met 18/3216

uitspraak van 14 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid,

de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2011 een navorderingsaanslag (beschikking) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 1.705, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.454 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.979.

1.1.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2012 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.631, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 15.998 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.685. Tevens is bij beschikking € 1.706 belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd van € 983. Gelijktijdig is bij beschikking een verlies verrekend van € 3.663 en is bij beschikking het nog te verrekenen verlies vastgesteld op nihil.

1.1.3.

De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 6.122 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 38.022. Tevens is bij beschikking € 1.418 belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd van € 1.091. Gelijktijdig is bij beschikking een verlies verrekend van € 1.186 en is bij beschikking het nog te verrekenen verlies vastgesteld op € 3.251.

1.2.1.

Het tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011 en 2013 gemaakte bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur op 13 december 2017 ontvangen.

1.2.2.

Het tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 gemaakte bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur op 20 december 2017 ontvangen.

1.3.

Belanghebbende heeft de inspecteur op 29 maart 2018 een ingebrekestelling gestuurd, omdat de inspecteur nog niet heeft beslist op de onder 1.2.1 en 1.2.2 vermelde bezwaarschriften. De ingebrekestelling is op diezelfde dag door de inspecteur ontvangen.

1.4.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 10 april 2018 de navorderingsaanslagen IB/PVV 2011, 2012 en 2013 (hierna: de navorderingsaanslagen) gehandhaafd.

1.5.

Bij separaat schrijven van 12 april 2018 is het verzoek om een dwangsom afgewezen.

1.6.

Belanghebbende heeft bij brief van 18 mei 2018, ontvangen bij de rechtbank op 23 mei 2018, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46.

1.7.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

De rechtbank heeft op 30 maart 2021 een brief gestuurd aan de inspecteur waarin is gevraagd om overlegging van diverse stukken. Een afschrift van dit verzoek is verstrekt aan de wederpartij.

1.9.

Bij brief van 1 april 2021, ontvangen bij de rechtbank op 6 april 2021, heeft de inspecteur de stukken overgelegd. Belanghebbende heeft bij brieven van 2 april 2021 en 12 april 2021 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021 te Breda, waarop tezamen, maar niet gevoegd, zijn behandeld de beroepen met zaaknummers BRE 18/2969, 18/2970, 18/3209 tot en met 18/3219, 18/3221 en 18/3223, 18/3604 tot en met 18/3606 en 19/1406 tot en met 19/1411. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, en namens de inspecteur, [verweerders].

1.11.

De inspecteur heeft ter zitting exemplaren van een pleitnota, met een bijlage, overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Na een ingelaste leespauze heeft belanghebbende verklaard voldoende kennis van de pleitnota en de bijlage te hebben genomen om daarop te kunnen reageren.

1.12.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is sinds de oprichting van [A BV] (hierna: de BV) op [datum] 1987 enig bestuurder en aandeelhouder.

2.2.

Belanghebbende bezit een onroerende zaak gelegen aan [adres 1] in [plaats X] (hierna: de onroerende zaak). Belanghebbende heeft de onroerende zaak tot 1 april 2012 verhuurd aan de BV. Sinds 1 april 2012 verhuurt belanghebbende de onroerende zaak aan een derde, [B BV] (hierna: [B BV]). De met [B BV] overeengekomen aanvangshuur bedraagt € 88.000 per jaar exclusief omzetbelasting. De huurovereenkomst met [B BV] is aangegaan voor een periode van vijf jaar met een optie tot verlenging. De verhuur van de onroerende zaak aan [B BV] is na de periode van vijf jaar met één jaar verlengd. Sindsdien staat de onroerende zaak leeg.

2.3.

Belanghebbende heeft in 1996 opdracht gegeven voor de bouw van de onroerende zaak. Opdrachtnemer was [C BV] (hierna: [C BV]). [C BV] is in 2001 gefuseerd met [D BV] (hierna: [D BV]). [D BV] heeft in 2004 haar statutaire naam gewijzigd in [E BV] (hierna: [E BV] en gezamenlijk aangeduid als: het bouwbedrijf).

2.4.

Tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden in 1997 is een geschil ontstaan tussen enerzijds belanghebbende en de BV en het bouwbedrijf anderzijds. Door zowel belanghebbende als de BV zijn schadevorderingen ingediend die geleid hebben tot gerechtelijke procedures. Bij arbitraal vonnis van de Raad van Arbitrage voor Bouwbedrijven is het bouwbedrijf veroordeeld tot vergoeding van de door belanghebbende geleden schade. Die schade bestaat uit de kosten voor herstel en afbouw van de onroerende zaak en de gederfde huurinkomsten. Namens het bouwbedrijf is op 12 oktober 2004 een bedrag van € 240.000 en op 3 juli 2006 een bedrag van € 140.000 aan belanghebbende betaald. Het betrof hier twee door belanghebbende bij vonnissen van de Raad van Arbitrage verkregen executoriale titels.

2.5.

Op 31 maart 2010 is een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van de BV over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2010. De uitkomsten van dat onderzoek zijn vervat in een rapport van 2 augustus 2010. Dat rapport bevat onder andere het volgende:

“De ondernemingsactiviteiten bestaan uit het ontwikkelen en verkopen van software, de ontwikkeling en produktie en handel in technische systemen en het verstrekken van technische adviezen en begeleiding bij produktontwikkeling.

(…)

Het product vindt geen aftrek bij de ondernemers; vanaf 2002 draait [A BV] met verlies. Eind 2006 is het enige personeelslid ontslagen. [A BV] onderneemt momenteel nagenoeg geen activiteiten. In 2008 en 2010 heeft [A BV] een aantal onderdelen geleverd aan een klant die in het verleden een besturings-systeem heeft aangeschaft.

[belanghebbende] verklaarde bezig te zijn met de ontwikkeling van een nieuw product. De werkzaamheden bestaan hoofdzakelijk uit het raadplegen en verzamelen van gegevens via internet (…) en het nadenken over de te volgen stappen in de toekomst. [belanghebbende] verwacht over ruim twee jaar meer duidelijkheid over zijn plannen.”.

2.6.

Op 18 februari 2015 heeft de inspecteur een vragenbrief gestuurd over de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van de BV over de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014. Vervolgens is in de brief van 3 april 2015 aangekondigd dat een boekenonderzoek wordt gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van de BV over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 januari 2015.

2.7.

Bij brief van 24 juli 2015 heeft de inspecteur aangekondigd dat het boekenonderzoek bij de BV wordt uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting van de BV over de jaren 2009 tot en met 2013. In een brief van diezelfde dag heeft de inspecteur aangekondigd dat hij van plan is om een boekenonderzoek te starten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV van belanghebbende over de jaren 2009 tot en met 2013. Laatstgenoemde brief van 24 juli 2015 vermeldt dat het boekenonderzoek zich beperkt tot de “fiscale aspecten aangaande uw onroerende zaken die aan vennootschap(pen) ter beschikking zijn gesteld (bedrijfspand [adres 1] te [plaats X] en de loods [adres 2] België)”.

2.8.

Op 17 oktober 2016 heeft [taxateur 1], taxateur (hierna: de taxateur), een brief aan belanghebbende gestuurd met de mededeling dat hij in opdracht van de inspecteur de waarde van de onroerende zaak wil bepalen. De taxateur meldt dat hij op 26 oktober 2016 een controle ter plaatse wenst te houden. Belanghebbende wordt verzocht om eventuele taxatierapporten, bouwtekeningen en huurovereenkomsten tijdens het bezoek ter inzage over te leggen.

2.9.

Tot de stukken van het geding behoort een “intern fiscaal vastgoedadvies” (hierna: het advies). Het advies is op 1 november 2016 opgemaakt door de taxateur. In het advies wordt de waarde van de onroerende zaak per 1 april 2012 bepaald op een bedrag tussen € 715.000 en € 725.000. Het advies bevat de volgende passage:

“Bij de waardering is rekening gehouden met de verhuur van het object per 1 april 2012 aan [B BV] te [plaats X] voor € 88.000 exclusief omzetbelasting per jaar. (…)

De aangegeven waarde ad € 469.000 is gelijk aan de WOZ-waarde met peildatum 1-1-2011. De WOZ-waarde met peildatum 1-1-2012 bedraagt € 548.000. Zie bijgevoegde taxatieverslagen.

Heb belastingplichtige aangeschreven voor opname van het object op 26 november jl. om 11:00 uur. Eigenaar was op dit tijdstip niet aanwezig. Ook geen bericht van verhindering ontvangen. Hierna aan huurder toestemming gevraagd voor opname. Ik kreeg hiervoor volledige medewerking.

(…)

Disclaimer

Dit intern fiscaal vastgoedadvies mag uitsluitend binnen de Belastingdienst worden gebruikt. Dit advies is geen professionele taxatiedienst in de zin van de reglementen van het NRVT.

Indien er geen overeenstemming omtrent de in de aanslag te verwerken waarde wordt bereikt, mag dit vastgoedadvies niet worden gehanteerd als grondslag voor een correctie. In geval van een correctie dient een (volledig) taxatierapport te worden vervaardigd.”.

2.10.

Het advies is voorzien van een opinie opgemaakt door [taxateur 2], taxateur. In de opinie wordt het advies voorzien van een nadere toelichting en uitwerking. In de opinie wordt de waarde van de onroerende zaak per 1 april 2012 bepaald op € 720.000 in verhuurde staat en € 600.000 in onverhuurde staat. De waarde van de onroerende zaak in verhuurde staat per 1 januari 2013 bedraagt volgens de opinie € 680.000.

2.11.

De bevindingen van het boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV zijn vervat in een controlerapport met datum 26 oktober 2017. In dit rapport komt de inspecteur tot de volgende correcties:

“ 2.1.2. Pand [adres 1] [plaats X]

[belanghebbende] verhuurt dit pand per 1 april 2012 niet meer aan [A BV] maar aan een niet-gelieerde derde ([B BV]).

2012

Het pand valt vanaf 1 april 2012 niet meer onder de TBS regeling in box 1 maar kwalificeert zich als box 3 pand. Dit leidt tot een boekresultaat in box 1 (TBS). Voor de bepaling van het boekresultaat heeft de taxateur van de Belastingdienst de eindwaarde gewaardeerd op € 720.000. De inbrengwaarde bedraagt € 746.339. In totaal is in de aangifte inkomstenbelasting van de jaren 2001 tot en met 2011 € 48.407 afgeschreven op dit pand. Zoals reeds aangekondigd in de brief van 3

november 2016 leidt het einde van de terbeschikkingstelling derhalve tot een boekresultaat van € 22.068 in 2012. In de aangifte inkomstenbelasting 2012 is geen boekresultaat aangegeven.

Resultaat eindafrekening: € 22.068.

2013

Vanaf 2013 dient het pand voor de waarde economische verkeer in box 3 te worden aangegeven. Omdat [belanghebbende] dit niet heeft aangegeven in de aangifte inkomstenbelasting volgt een correctie uit sparen en beleggen (box 3). Bij het vaststellen van de correctie ben ik uitgegaan van de getaxeerde eindwaarde van € 720.000, welke de taxateur van de Belastingdienst heeft vastgesteld. Hierdoor wordt de grondslag in box 3 met € 720.000 verhoogd en bedraagt daardoor € 992.838 in 2013 en 2014.

Rendementsgrondslag box 3 2013

Aangegeven bezittingen

€ 272.838

Correctie

€ 720.000

Gecorrigeerde bezittingen

€ 992.838

Heffingsvrije vermogen

€ 42.278

Rendementsgrondslag

€ 950.560

2.2.

Uitdeling

Bij een boekenonderzoek bij [A BV] is het

volgende gebleken:

- [belanghebbende] is bestuurder c.q. directeur-grootaandeelhouder van deze vennootschap;

- in 2011 tot en met 2013 is er vermogen van de vennootschap onttrokken door de enig aandeelhouder ten gunste van de enig aandeelhouder;

(…)

De bedragen welke als uitdeling worden aangemerkt zullen in de inkomstenbelasting (2011 t/m 2013) in Box 2 als correctie worden opgevoerd. Besloten is dat de correctie niet wordt verwerkt middels een naheffing dividendbelasting maar rechtstreeks in de inkomstenbelasting zal worden verwerkt. Dit houdt dat in Box 2 sprake is van 25% heffing over de uitdeling en er geen voorheffing dividendbelasting kan worden geclaimd.

De uitdeling bedraagt € 2.454 (2011); € 15.998 (2012); € 6.122 (2013).

Voor een toelichting op de correcties van de uitdelingen verwijs ik naar het controlerapport van [A BV].”.

2.12.

Met dagtekening 25 november 2017 (2013) respectievelijk 27 november 2017 (2011) en 9 december 2017 (2012) stelt de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PVV vast. De inspecteur heeft bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen het belastbare inkomen uit werk en woning (2012), het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang (2011, 2012 en 2013) respectievelijk het belastbare inkomen uit sparen en beleggen (2013) gecorrigeerd conform het vermelde in het onder 2.11 opgenomen rapport.

2.13.

Belanghebbende maakt op 13 december 2017 (2011 en 2013) respectievelijk 20 december 2017 (2012) bezwaar tegen de navorderingsaanslagen. Belanghebbende heeft de bezwaren op 2 maart 2018 aangevuld.

2.14.

Op 29 maart 2018 stelt belanghebbende de inspecteur in gebreke, omdat nog niet is beslist op de bezwaren.

2.15.

Op 4 april 2018 nodigt de inspecteur belanghebbende uit voor een hoorgesprek. De inspecteur vermeldt tijdstippen op 6, 9, 10 en 11 april 2018 waarop hij beschikbaar is voor een hoorgesprek. De inspecteur verzoekt belanghebbende om per ommegaande te laten weten of belanghebbende gehoord wil worden.

2.16.

Belanghebbende reageert per brief van 6 april 2018, ontvangen door de inspecteur op 10 april 2018, op de uitnodiging van de inspecteur. Belanghebbende schrijft:

“De belastingdienst heeft, geheel in strijd met (oa) art 7:4 Awb, art 7:3 Awb, (i) belastingplichtige niet een redelijke termijn gesteld voor het gebruik maken van diens rechten mbt de hoorzitting bij bezwaar, (ii) niet aan belastingplichtige medegedeeld dat deze tot tien dagen voor de hoorzitting nadere stukken kan indienen, (iii) het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende niet ten minste een week voor belanghebbende ter inzage gelegd, (iv) aan belastingplichtige niet mededeling gedaan van voornoemde verplichte terinzagelegging.

Daarbij heeft te gelden dat, zoals belastingplichtige reeds uitdrukkelijk heeft gesteld, alle communicatie van de belastingdienst aan belastingplichtige uitsluitend per normale briefpost naar het door belastingplichtige verstrekte correspondentieadres dient te geschieden, althans had behoren te geschieden.

Onder voorbehoud van alle rechten.”.

2.17.

Op 10 april 2018 doet de inspecteur uitspraken op bezwaar. De inspecteur verklaart de bezwaren ongegrond. Belanghebbende is niet gehoord. In de uitspraken op bezwaar staat daarover:

“Op 4 april 2018 heb ik u zowel schriftelijk als per e-mail uitgenodigd voor een hoorgesprek. Ik heb in deze brief verschillende data als optie gegeven om uw bezwaarschrift mondeling toe te lichten. U heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Daarom heb ik nu uitspraak gedaan enkel op basis van de informatie uit uw bezwaarschrift.”.

2.18.

Bij separaat schrijven van 12 april 2018 is het verzoek om een dwangsom afgewezen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is:

I. Is terecht griffierecht geheven?

II. Zijn de navorderingsaanslagen tijdig vastgesteld?

III. Zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd (artikel 8:42 Awb)?

IV. Is de hoorplicht geschonden?

V. Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

VI. Heeft de inspecteur het resultaat uit het ter beschikking stellen van de onroerende zaak naar een te hoog bedrag vastgesteld (2012)?

VII. Heeft de inspecteur de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak naar een te hoog bedrag vastgesteld (2013)?

VIII. Zijn terecht boetebeschikkingen gegeven en is de hoogte van deze beschikkingen passend en geboden?

IX. Zijn terecht en naar het juiste bedrag rentebeschikkingen gegeven?

X. Dient aan belanghebbende een schadevergoeding te worden toegekend?

XI. Dient aan belanghebbende een dwangsom te worden toegekend?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en de daarbij gegeven beschikkingen, tot een (immateriële) schadevergoeding, tot vergoeding van de werkelijke proceskosten en tot toekenning van een dwangsom. De inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2011, tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 en de daarbij gegeven rentebeschikking en boetebeschikking en tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en de daarbij gegeven rentebeschikking en boetebeschikking.

4 Beoordeling van het geschil

Vooraf: griffierecht

4.1.1.

Tijdens de zitting van 15 april 2021 zijn meerdere zaken van belanghebbende behandeld. Het beroepschrift in een deel van die zaken is ingediend in 2018, het beroepschrift dat ziet op de overige behandelde zaken is in 2019 ingediend. Belanghebbende stelt dat – voor zover hier van belang – vanwege de samenhang tussen de diverse procedures slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd voor de zaken van belanghebbende waar het gezamenlijke beroepschrift in 2018 is ingediend.

4.1.2.

De rechtbank verwerpt dit standpunt van belanghebbende. Op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb is onder meer griffierecht verschuldigd indien het beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten is gericht. De griffier heeft daar uitvoering aan gegeven en ter zake van het beroep tegen de navorderingsaanslagen eenmaal griffierecht geheven. De overige besluiten waartegen het beroepschrift uit 2018 is gericht, zijn geen samenhangende zaken. Die besluiten zien namelijk op de BV. De griffier heeft in de onderhavige zaken daarom terecht eenmaal griffierecht geheven.

Vervallen correcties

4.2.

De inspecteur heeft in het verweerschrift geschreven dat de correcties van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang dienen te vervallen. Voor de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 heeft dat tot gevolg dat deze aanslag vernietigd moet worden. Aangezien de inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 nog niet heeft vernietigd, zal de rechtbank dit alsnog doen. Voor 2012 resteert de correctie van het belastbare inkomen uit werk en woning. Voor 2013 resteert de correctie van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen.

Tijdigheid navorderingsaanslagen

4.3.

De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door het verloop van vijf jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De belastingschuld wordt geacht te zijn ontstaan na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. De navorderingsaanslag IB/PVV 2012 van 9 december 2017 en de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 van 25 november 2017 zijn dus tijdig vastgesteld.

Schending artikel 8:42 Awb

4.4.1.

Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om te gelasten dat de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overlegt. Meer in bijzonder heeft belanghebbende gevraagd om overlegging van stukken waaruit volgt dat binnen de Belastingdienst over belanghebbende wordt “gekonkeld”.

4.4.2.

De rechtbank overweegt dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb verplicht is om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. De inspecteur heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De inspecteur betwist dat niet is voldaan aan de verplichting van artikel 8:42, lid 1, Awb . De inspecteur ontkent nadrukkelijk dat sprake is van meer stukken binnen de Belastingdienst waarin over belanghebbende wordt gesproken. Belanghebbende maakt tegenover de betwisting door de inspecteur niet aannemelijk dat er sprake is van andere stukken waarin over belanghebbende wordt gesproken. Voor het overige heeft belanghebbende het beroep op artikel 8:42, lid 1, Awb niet gespecificeerd. De rechtbank is ook niet gebleken dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd. Het dossier bevat geen aanknopingspunten dat er meer stukken zijn die op de zaak betrekking hebben dan de door de inspecteur overgelegde stukken.

De hoorplicht

4.5.1.

Op grond van onderdeel 9 Besluit Fiscaal Bestuursrecht (hierna: BFB) ligt, in afwijking van artikel 25, lid 1, AWR , het initiatief voor het horen van een belanghebbende bij de inspecteur. De inspecteur moet dus aan een belanghebbende vragen of hij gebruik wil maken van het recht om gehoord te worden. Onderdeel 9, onder 2, BFB brengt mee dat de inspecteur kan afzien van horen wanneer een belanghebbende niet binnen een door de inspecteur gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht om gehoord te worden.

4.5.2.

In artikel 7:4 Awb wordt het recht op inzage gekoppeld aan het horen. Een mededeling van een belanghebbende dat hij kennis wil nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, moet daarom worden opgevat als de in artikel 7:3, letter d, Awb en in onderdeel 9, onder 2, BFB bedoelde verklaring dat een belanghebbende gebruik wil maken van het recht om te worden gehoord. Als dit verzoek geclausuleerd is, doet dit niet af aan het voorgaande.

4.5.3.

Als een belanghebbende te kennen heeft gegeven dat hij door de inspecteur gehoord wil worden, mag de inspecteur uit de omstandigheid dat geen reactie wordt ontvangen op een door hem aan belanghebbende schriftelijk gedaan verzoek om binnen een bepaalde termijn te reageren voor het maken van een afspraak, niet afleiden dat belanghebbende (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn recht om gehoord te worden. Uit de omstandigheid dat een belanghebbende in latere stukken niet terugkomt op een eerder gedaan verzoek om gehoord te worden, mag de inspecteur evenmin afleiden dat een belanghebbende afstand doet van het recht om gehoord te worden. Het uitblijven van een reactie binnen de gestelde termijn kan immers een andere reden of oorzaak hebben. Bij twijfel over de vraag of belanghebbende al dan niet toestemming heeft gegeven om van het horen af te zien, blijft de inspecteur gehouden belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, hetgeen alsdan kan gebeuren door belanghebbende daartoe uit te nodigen op een door de inspecteur vastgesteld tijdstip en plaats.

4.5.4.

Indien is verzuimd om een belanghebbende op de juiste wijze te horen, kan de belastingrechter aan dit verzuim voorbij gaan, indien de belastingplichtige door de gang van zaken niet is benadeeld. Daarvan is geen sprake indien het gebrek is hersteld doordat de belastingplichtige zijn bezwaren in beroep schriftelijk uiteen heeft gezet. Een belastingplichtige is niet benadeeld indien een gebonden beschikking in het geding is en er tussen de inspecteur en belanghebbende geen verschil van mening bestaat over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan.

4.6.

Belanghebbende heeft in de bezwaarschriften en de aanvulling daarop niet verzocht om gehoord te worden. In de onder 2.15 vermelde brief heeft de inspecteur aan belanghebbende gevraagd of hij gehoord wil worden. De inspecteur heeft in die brief data en tijdstippen genoemd waarop hij beschikbaar is voor een hoorgesprek. Door op 10 april 2018 uitspraken op bezwaar te doen zonder belanghebbende te horen, heeft de inspecteur de hoorplicht geschonden. Er is namelijk geen sprake van een situatie waar ingevolge artikel 7:3 Awb het horen achterwege kan blijven. De reactie van belanghebbende van 6 april 2018, ontvangen door de inspecteur op 10 april 2018, is binnen een redelijke termijn gegeven. Daarin heeft belanghebbende verzocht om inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken. Gelet op deze brief is de rechtbank van oordeel dat de hoorplicht is geschonden. Aan dit verzuim kan niet voorbij worden gegaan met toepassing van artikel 6:22 Awb , omdat tussen de inspecteur en belanghebbende verschil van mening bestaat over de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan. De rechtbank zal echter zelf in de zaak voorzien, omdat belanghebbende tijdens de zitting heeft verklaard dat hij niet wenst dat de zaak wordt teruggewezen naar de inspecteur.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.7.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur bij de aanslagregeling en bij de behandeling van de bezwaarschriften heeft gehandeld in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zo is belanghebbende van mening dat (i) de navorderingsaanslagen onredelijk laat zijn vastgesteld, (ii) belanghebbende en de BV onevenredig vaak onderwerp zijn geweest van een onderzoek door de inspecteur, (iii) de aanslagen en de uitspraken op bezwaar niet berusten op een deugdelijke motivering en (iv) in de uitspraken op bezwaar geen sprake is van een heroverweging.

4.7.2.

De rechtbank stelt voorop dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 2012 en 2013 tijdig zijn vastgesteld (zie 4.3). Dat tussen de aankondiging van het boekenonderzoek en het vaststellen van voornoemde navorderingsaanslagen enige tijd is verstreken, leidt niet tot een schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De inspecteur heeft erkend dat het boekenonderzoek langer heeft geduurd dan gebruikelijk is. Daarover heeft de inspecteur verklaard dat het onderzoek gedurende de periode 9 oktober 2015 tot 13 mei 2016 stil heeft gelegen in verband met de ziekte van een collega. Ook is het onderzoek uitgebreid en bleek het stellen van nadere vragen noodzakelijk. De inspecteur heeft bij het opleggen van de boetes rekening gehouden met de lange behandelduur en daarom vergrijpboetes opgelegd van 10%. De rechtbank is van oordeel dat het enkele verstrijken van de tijd bij belanghebbende ook niet een in rechte te beschermen vertrouwen heeft kunnen wekken dat het vaststellen van de navorderingsaanslagen achterwege zou blijven. Ook andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden daarmee niet geschonden.

4.7.3.

De inspecteur heeft in 2010 een onderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van de BV. Vervolgens is in 2015 opnieuw een onderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting van de BV. Dat onderzoek is naderhand uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2009 tot en met 2013 van de BV en naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV over de jaren 2009 tot en met 2013 van belanghebbende. De inspecteur heeft bij aanvang van de onderzoeken telkens uiteengezet wat de aanleiding was voor de onderzoeken. De omstandigheid dat andere ondernemers waarmee belanghebbende heeft gesproken niet of minder vaak voorwerp zijn geweest van een onderzoek door de Belastingdienst, leidt op zichzelf niet tot schending van het gelijkheidsbeginsel of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur. Dat sprake is van een ongelijke behandeling die voortvloeit uit een oogmerk van begunstiging of een begunstigend beleid is door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende maakt evenmin aannemelijk dat in een meerderheid van de vergelijkbare gevallen anders wordt gehandeld.

4.7.4.

Ook belanghebbendes beroep op het motiveringsbeginsel wordt door de rechtbank verworpen. Het controlerapport van 26 oktober 2017 vermeldt:

“Overeenkomstig de berekeningen in dit hoofdstuk worden over de jaren 2011 tot en met 2013 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd.”.

De inspecteur heeft met het controlerapport inzichtelijk gemaakt waarom hij de navorderingsaanslagen heeft vastgesteld en hoe hij tot het bedrag van de navorderingsaanslagen gekomen is. De inspecteur is niet verplicht om een dergelijke motivering op het aanslagbiljet te vermelden, maar kan dit ook doen in een apart geschrift. In dit geval is de motivering opgenomen in het controlerapport dat aan belanghebbende is toegestuurd. De omstandigheid dat belanghebbende het niet eens is met de inhoud van dit rapport, betekent niet dat de inspecteur niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de grondslag is voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen. De rechtbank ziet niet in waarom aan het controlerapport geen gewicht toekomt. Belanghebbende wordt niet gevolgd in zijn stelling dat dit rapport slechts is bestemd voor interne doeleinden. De inhoud van het controlerapport is immers met belanghebbende gedeeld. De reactie van belanghebbende op het conceptrapport van 18 oktober 2017 is per abuis alleen in het klachtdossier terecht gekomen en niet bij de behandelaar; dit leidt evenmin tot de schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur. De inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen geen rekening kunnen houden met die reactie, maar heeft dat in de beroepsfase alsnog gedaan door de correcties van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te laten vallen.

4.7.5.

Ook de stelling van belanghebbende dat de uitspraken op bezwaar niet berusten op een heroverweging wordt verworpen. In de uitspraken op bezwaar wordt verwezen naar wat belanghebbende in de bezwaarschriften heeft aangevoerd en de inspecteur zet uiteen waarom die bezwaren voor hem geen aanleiding vormen om tot een andere beslissing te komen. De inspecteur verwijst hiervoor naar het controlerapport; dit leidt op zichzelf evenmin tot de conclusie dat geen heroverweging heeft plaatsgevonden.

4.7.6.

Alles wat belanghebbende verder naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Indien al sprake zou zijn van een schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur, dan kan daar in dit geval niet het door belanghebbende beoogde gevolg, vernietiging van de navorderingsaanslagen, aan worden verbonden.

Het einde van de terbeschikkingstelling (2012)

4.8.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur een eventueel positief resultaat uit overige werkzaamheden als gevolg van het einde van de terbeschikkingstelling van de onroerende zaak aan de BV niet kan navorderen. Als er al sprake is van een positief resultaat dan is die belastingschuld volgens belanghebbende ontstaan op 1 april 2012. De navorderingsaanslag IB/PVV 2012 van 9 december 2017 is daarom volgens belanghebbende te laat vastgesteld. Ook is belanghebbende van mening dat de inspecteur niet kan navorderen, omdat geen sprake is van een nieuw feit. Belanghebbende heeft weliswaar niet in de aangifte IB/PVV 2012 vermeld dat de terbeschikkingstelling van de onroerende zaak aan de BV was beëindigd per 1 april 2012, maar belanghebbende heeft dit aan de inspecteur medegedeeld in een brief van 19 april 2012, waarvan de ontvangst is bevestigd per brief van 7 mei 2012.

4.9.1.

Ook voor het belastbare inkomen uit werk en woning, en dus het resultaat behaald aan het einde van de terbeschikkingstelling van de onroerende zaak aan de BV, geldt dat de belastingschuld wordt geacht te zijn ontstaan na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven (zie 4.3). Anders dan belanghebbende meent is de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 binnen de vijfjaarsperiode van artikel 16, lid 3 AWR en dus tijdig vastgesteld.

4.9.2.

De inspecteur heeft verklaard dat de door belanghebbende genoemde brieven van 19 april 2012 en 7 mei 2012 hem niet bekend zijn en dat hij deze brieven ook niet heeft aangetroffen in het dossier. Belanghebbende heeft deze brieven ook niet overgelegd. Belanghebbende maakt daarmee niet aannemelijk dat de inspecteur nog vóór het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2012 met dagtekening 29 april 2014 op de hoogte was van het einde van de terbeschikkingstelling van de onroerende zaak aan de BV per 1 april 2012. De aangifte IB/PVV 2012 maakt ook een verzorgde indruk zodat de inspecteur mocht uitgaan van de juistheid van die gegevens en hij niet gehouden was tot nader onderzoek. Dit betekent dat de inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslag op te leggen.

4.10.1.

Artikel 3.92, Wet IB 2001 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“1. voorts wordt onder werkzaamheid mede verstaan:

a. het rendabel maken van vermogensbestanddelen — daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen — voorzover deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, een aanmerkelijk belang heeft als bedoeld in hoofdstuk 4 behoudens indien sprake is van een aanmerkelijk belang op grond van de artikelen 4.10 en 4.11; ”.

4.10.2.

Artikel 3.94 Wet IB 2001 luidt als volgt:

“Resultaat uit een werkzaamheid (resultaat) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid.”.

4.11.

Tussen partijen is niet in geschil dat (i) het ter beschikking stellen van de onroerende zaak aan de BV met ingang van 1 april 2012 is beëindigd, (ii) de onroerende zaak is ingebracht voor een bedrag van € 746.339 en (iii) op de onroerende zaak in de voorgaande jaren € 48.407 is afgeschreven. Tijdens de zitting zijn partijen overeengekomen dat (i) de waarde van de onroerende zaak aan het einde van de terbeschikkingstelling moet worden bepaald op de waarde in onverhuurde staat en (ii) dat voor die waarde in onverhuurde staat moet worden uitgegaan van een bedrag van € 548.000. Gelet op de tijdens de zitting overeengekomen waarde van de onroerende zaak aan het einde van de terbeschikkingstelling kan de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 alleen in stand blijven indien het subsidiaire of meer subsidiaire standpunt van de inspecteur slaagt.

4.12.

De inspecteur stelt zich (meer) subsidiair op het standpunt dat navordering mogelijk is met een beroep op de foutenleer. Belanghebbende heeft in 2004 een bedrag van € 240.000 ontvangen en in 2006 een bedrag van € 140.000. Belanghebbende heeft die ontvangsten niet verantwoord in de aangiften IB/PVV van de desbetreffende jaren. De inspecteur stelt zich subsidiair op het standpunt dat belanghebbende het gehele bedrag van € 380.000 kennelijk heeft toegerekend aan de kosten van herstel en afbouw van de onroerende zaak, omdat belanghebbende dit totaalbedrag niet heeft verantwoord in de aangiften IB/PVV 2004 en 2006. De inspecteur stelt zich meer subsidiair op het standpunt dat van het door belanghebbende ontvangen bedrag € 270.000/€ 608.000 x € 380.000 aan de kosten van herstel en afbouw van de onroerende zaak moet worden toegerekend, omdat uit de overgelegde rechterlijke uitspraken blijkt dat bij de begroting van de vordering van belanghebbende is uitgegaan van een totaalbedrag van € 608.000, bestaande uit € 270.000 aan kosten van herstel en afbouw en € 338.000 aan gederfde huurinkomsten.

4.13.

De rechtbank verwerpt het beroep van de inspecteur op de foutenleer, omdat de inspecteur zijn standpunten omtrent de foutenleer onvoldoende heeft onderbouwd. Zo maakt de inspecteur niet aannemelijk dat (voor het gehele bedrag) sprake is van een fout in de zin van de foutenleer. Uit de aangiften IB/PVV 2004 en 2006 volgt dat belanghebbende de ontvangen bedragen van, in totaal, € 380.000 niet heeft verantwoord in de jaren waarin die bedragen zijn ontvangen. De inspecteur leidt uit die omstandigheid af dat het gehele bedrag moet worden toegerekend aan de kosten van herstel en afbouw. Belanghebbende heeft echter verklaard dat een deel van het bedrag ziet op gederfde huurinkomsten en een deel op de kosten van herstel en afbouw. Dit volgt ook uit de door de inspecteur overgelegde rechterlijke uitspraken, waar de kosten voor herstel en afbouw worden geraamd op € 270.000. Het subsidiaire standpunt van de inspecteur dat het volledige bedrag van € 380.000, en daarmee een hoger bedrag dan volgt uit de rechterlijke uitspraken, moet worden toegerekend aan de kosten van herstel en afbouw is gelet op het voorgaande niet voldoende onderbouwd. Daar komt nog bij dat de inspecteur alleen wijst op het niet verantwoorden van de ontvangen schadevergoeding in de aangiften IB/PVV 2004 en 2006 van belanghebbende. Belanghebbende heeft verklaard dat er ook daadwerkelijk kosten zijn gemaakt voor herstel en afbouw van de onroerende zaak. De inspecteur heeft niet gesteld dat deze kosten op enig moment zouden zijn geactiveerd, of op andere wijze inzichtelijk gemaakt op welke wijze de boekwaarde van het pand op onjuiste wijze op de balans is verantwoord, waardoor sprake is van een fout in de zin van de foutenleer. Om die reden slaagt ook het meer subsidiaire standpunt van de inspecteur niet.

4.14.

Gelet op het voorgaande is het belastbare inkomen uit werk en woning ten onrechte gecorrigeerd. Gelet op het vermelde onder 4.2 is daarmee ook de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 ten onrechte vastgesteld. De rechtbank zal ook deze navorderingsaanslag vernietigen, net als de daarbij gegeven boetebeschikking en beschikking belastingrente.

De waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak (2013)

4.15.

Ingevolge artikel 5.19 Wet IB 2001 worden bezittingen en schulden in aanmerking genomen voor de waarde in het economische verkeer. Daarmee wordt afgeweken van het waarderingsvoorschrift voor woningen, niet zijnde de eigen woning. Op grond van artikel 5.20 Wet IB 2001 wordt de waarde van een woning, niet zijnde een eigen woning, gesteld op de WOZ-waarde.

4.16.

De inspecteur is bij het vaststellen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 uitgegaan van een waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op 1 januari 2013 van € 720.000. In het verweerschrift stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak op 1 januari 2013 € 680.000 bedraagt. De inspecteur heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het advies en de daarbij gevoegde opinie. De inspecteur is bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer telkens uitgegaan van de waarde die aan de onroerende zaak in verhuurde staat moet worden toegekend.

4.17.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak uitgegaan moet worden van de waarde in onverhuurde staat zodat moet worden aangesloten bij de WOZ-waarde van de onroerende zaak.

4.18.

De inspecteur heeft tijdens de zitting verklaard dat voor de waarde van de onroerende zaak in onverhuurde staat op 1 januari 2013 kan worden uitgegaan van een bedrag van € 521.000. In zoverre heeft de inspecteur de door hem overgelegde opinie en het advies verlaten. De inspecteur blijft bij zijn standpunt dat voor de waarde in het economische verkeer moet worden uitgegaan van de waarde in verhuurde staat. Die waarde is hoger dan de waarde in onverhuurde staat. De inspecteur wijst in dit verband op de met [B BV] overeengekomen huurprijs waarvan tussen partijen niet in geschil is dat deze hoger is dan de marktconforme huurprijs. De waarde die in het economische verkeer aan het huurcontract wordt toegekend dient bij het hiervoor vermelde bedrag van € 521.000 te worden opgeteld. Dat totaalbedrag vormt de waarde van de onroerende zaak in het economische verkeer in verhuurde staat. De inspecteur heeft echter niet inzichtelijk gemaakt welke waarde aan het huurcontract moet worden toegekend. Enerzijds wordt in het taxatierapport een waarde van € 145.135 op 1 april 2012 genoemd, terwijl anderzijds niet duidelijk is welke waarde het huurcontract per 1 januari 2013 heeft. Daarmee heeft de inspecteur de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2013 niet aannemelijk gemaakt.

4.19.

De door belanghebbende verdedigde waarde vertegenwoordigt naar het oordeel van de rechtbank evenmin de waarde in het economische verkeer zoals bedoeld in artikel 5.19 Wet IB 2001 . De wetgever heeft voor de waardering van onroerende zaken die niet als woning dienen bewust een afwijkend waarderingsvoorschrift opgenomen. Aangezien de onroerende zaak een bedrijfspand betreft moet voor de waardering daarvan worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. Daarbij speelt de verhuurde staat van de onroerende zaak een rol. Belanghebbende miskent dat en daarom kan de door hem bepleite waarde niet gevolgd worden.

4.20.

Nu beide partijen de door hen bepleite waarde in het economische verkeer niet aannemelijk gemaakt hebben, stelt de rechtbank deze waarde in goede justitie vast op € 630.000. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt daarmee:

Aangegeven bezittingen

€ 272.838

Correctie

€ 630.000

Heffingvrije vermogen

€ 42.278

Rendementsgrondslag

€ 860.560

Belastbare inkomen uit sparen en beleggen

€ 34.422

4.21.

Ten aanzien van het door belanghebbende gestelde onrechtmatig handelen van de taxateur, en daarmee de inspecteur, overweegt de rechtbank nog het volgende. De taxateur heeft belanghebbende via de onder 2.8 vermelde brief op de hoogte gesteld van de voorgenomen taxatie. Belanghebbende heeft niet op die brief gereageerd en hij was evenmin ter plaatse op het in de brief van 17 oktober 2016 genoemde tijdstip van de opname. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de onder 2.9 opgenomen verklaring van de taxateur dat de huurder hem toegang tot de onroerende zaak heeft verschaft. Aan de overige kanttekeningen die belanghebbende heeft geplaatst bij de taxatie door de taxateur en de door de taxateur gehanteerde methode, gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank heeft de waarde in het economische verkeer namelijk in goede justitie vastgesteld en niet op basis van de bevindingen van de taxateur.

De boetebeschikkingen

4.22.

De rechtbank stelt voorop dat, nu de navorderingsaanslag 2012 zal worden vernietigd, de daarbij gegeven boetebeschikking eveneens zal worden vernietigd. Bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2011, die overigens ook vernietigd zal worden, is geen boetebeschikking gegeven. Het geschil tussen partijen is daarmee beperkt tot de boetebeschikking 2013.

4.23.

Gelijktijdig met de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 heeft de inspecteur een boetebeschikking gegeven op grond van artikel 67e AWR , omdat het volgens de inspecteur aan de opzet van belanghebbende te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De inspecteur acht daarom een boete van 50% van het bedrag van de navorderingsaanslag passend en geboden, maar heeft ervoor gekozen om een boete op te leggen van 10% (zie 4.7.2).

4.24.

Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Onder voorwaardelijk opzet wordt in dit geval verstaan het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting geheven is en dit mogelijke gevolg bewust aanvaarden.

4.25.

Op de inspecteur rust in het kader van de vaststelling van de boete de last te bewijzen dat belanghebbende opzettelijk het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd, heeft begaan. Daarvoor is vereist dat belanghebbende zich ten tijde van het doen van aangifte bewust was van het gevolg van zijn gedrag, namelijk dat te weinig belasting is geheven, omdat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De inspecteur voert in dit verband aan dat de adviseur de aangifte IB/PVV 2013 heeft opgesteld aan de hand van de gegevens van belanghebbende en dat belanghebbende heeft kunnen of moeten constateren dat de aangifte IB/PVV 2013 niet correct is opgesteld doordat de onroerende zaak niet als bezitting in box 3 is opgegeven, maar als bezitting op de balans ten aanzien van het resultaat uit overige werkzaamheden. De inspecteur is gelet op het voorgaande van mening dat belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aanslag IB/PVV 2013 tot een te laag bedrag is vastgesteld.

4.26.

De rechtbank is van oordeel dat wat de inspecteur heeft aangevoerd niet (zonder nadere motivering) kan leiden tot de kwalificatie ‘opzet’. Ook al zou de adviseur de aangifte IB/PVV 2013 hebben ingevuld op basis van de gegevens van belanghebbende en belanghebbende vervolgens niet gesignaleerd hebben dat de aangifte IB/PVV 2013 daarmee onjuist is gedaan, dan betekent dit naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat dit zonder meer opzettelijk is gebeurd. De inspecteur heeft zich niet subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van grove schuld. De boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 zal door de rechtbank worden vernietigd.

De beschikkingen belastingrente

4.27.

De rechtbank stelt voorop dat, nu de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 zal worden vernietigd, de daarbij gegeven beschikking belastingrente eveneens zal worden vernietigd. Het geschil tussen partijen is daarmee beperkt tot de beschikking belastingrente 2013.

4.28.

Belanghebbende stelt dat hij de juistheid van de beschikking belastingrente niet kan beoordelen, omdat niet inzichtelijk is hoe de rente is berekend. Verder is belanghebbende van mening dat de verschuldigde belastingrente nodeloos is opgelopen, omdat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 niet voortvarend heeft gehandeld.

4.29.

De inspecteur heeft in het verweerschrift uiteengezet hoe de verschuldigde belastingrente is berekend. Belanghebbende heeft daar niet tegenover gesteld dat de inspecteur bij de berekening van de belastingrente van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan. De rechtbank is ook niet gebleken dat de beschikking belastingrente niet tot een juist bedrag is vastgesteld. De beschikking belastingrente is daarom terecht en naar het juiste bedrag gegeven. Dat belanghebbende vindt dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 eerder vastgesteld had kunnen worden doet aan het voorgaande niet af.

Schadevergoeding

4.30.

Belanghebbende heeft geklaagd dat de behandeling van het bezwaar en beroep onnodig lang heeft geduurd. De rechtbank vat dit beklag op als een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaken, die aanvangt bij de ontvangst van het bezwaarschrift bij de belastingdienst.

4.31.

De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. De rechtbank ziet in dit geval geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet op de uitgangspunten van het overzichtsarrest; een redelijke termijn van twee jaar in een geval als het onderhavige, de datum waarop het (eerste) bezwaarschrift is ontvangen (13 december 2017), de datum waarop de uitspraken op bezwaar zijn gedaan (10 april 2018), de datum van deze uitspraak (14 mei 2021) en de vergoeding van € 500 per halfjaar overschrijding van de redelijke termijn, heeft belanghebbende in beginsel recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.500.

4.32.

De rechtbank ziet voor de vergoeding van de immateriële schade aanleiding tot matiging wegens samenhang tussen onderhavige zaken en de zaak met zaaknummer BRE 19/1411 over de aanslag IB/PVV 2014. Voornoemde zaken zien in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp, namelijk de waardering van de onroerende zaak en de vraag of sprake is van uitdelingen. Dat de zaken in de bezwaarfase niet gezamenlijk zijn behandeld staat niet aan samenhang in de hiervoor bedoelde zin in de weg.

4.33.

Voor de verdeling van de te betalen schadevergoeding tussen de inspecteur (bezwaarfase) en de minister (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase heeft (van 13 december 2017 tot en met 10 april 2018) afgerond 4 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase van 6 maanden niet is overschreden. De (totale behandeltermijn van (13 december 2017 tot en met 14 mei 2021) afgerond 3,5 jaar – redelijke termijn 2 jaar =) overschrijding van 1,5 jaar wordt aan de beroepsfase toegerekend. De veroordeling tot schadevergoeding van € 1.500 zal daarmee worden uitgesproken ten laste van de minister. De rechtbank merkt de minister in zoverre aan als partij in dit geding. Gelet op de samenhang met de zaak 19/1411 wordt in de onderhavige zaken 3/4 van het basisbedrag van € 1.500 toegekend.

4.34.

Belanghebbende heeft nog verzocht om vergoeding van overige (immateriële) schade. Belanghebbende stelt dat deze schadevergoeding “gelet op de toeslagenaffaire” minimaal € 30.000 dient te bedragen.

4.35.

De rechtbank verwerpt het verzoek om schadevergoeding, anders dan de geleden immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn. Zo er al aanleiding bestaat tot toekenning van een schadevergoeding, geldt dat belanghebbende de door hem geleden schade niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd.

Dwangsom

4.36.

Gelet op artikel 4:19, lid 1, Awb heeft het beroep tegen een uitspaak op

bezwaar mede betrekking op de daarmee samenhangende dwangsombeschikking. De rechtbank heeft ten aanzien van de dwangsombeschikkingen die samenhangen met de navorderingsaanslagen separate beroepszaken aangemaakt, hoewel beroep tegen de uitspraken op bezwaar in de hoofdzaken aanhangig was. Deze beroepszaken met zaaknummers BRE 18/3604 tot en met 18/3606 zijn, gelet op het voorgaande, ten onrechte aangemaakt. De beoordeling of belanghebbende recht heeft op een dwangsom zal hierna plaatsvinden.

4.37.

Belanghebbende heeft de inspecteur op 29 maart 2018 in gebreke gesteld, omdat nog niet is beslist op de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen. De inspecteur heeft vervolgens op 10 april 2018 uitspraken op bezwaar gedaan.

4.38.

Op grond van artikel 4:17, lid 1, Awb verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken én het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Aangezien de inspecteur binnen twee weken na de schriftelijke ingebrekestellingen heeft beslist op de bezwaren van belanghebbende, is de inspecteur geen dwangsom verschuldigd.

4.39.

Belanghebbende wijst er op dat de inspecteur misbruik maakt van de dwangsomregeling, doordat de inspecteur na de ingebrekestelling op korte termijn uitspraken op de bezwaren heeft gedaan.

4.40.

De rechtbank overweegt dat de regeling over de dwangsom met betrekking tot het niet tijdig beslissen juist bedoeld is om het bestuursorgaan te bewegen om alsnog op korte termijn te beslissen op het bezwaar. Daarbij dienen wel de daarvoor geldende voorschriften in acht te worden genomen. Dat is in het onderhavige geval niet gebeurd, omdat belanghebbende ten onrechte niet is gehoord en belanghebbende daardoor geen gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheden die hem op grond van artikel 7:4, lid 1 en 2, Awb toekomen. Deze schendingen hebben echter niet tot gevolg dat de inspecteur alsnog een dwangsom is verschuldigd. Er is immers binnen twee weken na de ingebrekestelling beslist op de bezwaren. Voormelde schendingen kunnen wel leiden tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht en tot een veroordeling in de proceskosten. De rechtbank ziet in deze zaak echter al op andere gronden aanleiding om de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht te laten vergoeden. Een veroordeling in de proceskosten blijft achterwege gelet op wat hierna in 5.3 wordt overwogen.

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

De inspecteur dient aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 46 vergoeden, omdat het beroep gegrond is.

5.2.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van proceskosten ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In zijn brief van 2 april 2021 heeft hij de rechtbank verzocht “de proceskosten te reserveren en na de zitting te mogen begroten”. Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat hij verzoekt om vergoeding van de werkelijke proceskosten en, indien de rechtbank daarvoor geen reden ziet, om de forfaitaire vergoeding. Daaraan heeft belanghebbende toegevoegd, dat hij bij de procedures hulp heeft gehad van adviseurs en daarvoor kosten heeft gemaakt, maar dat deze adviseurs niet op hun naam stukken wilden indienen om hun relatie met de Belastingdienst niet te verstoren.

De inspecteur heeft, gemotiveerd, betwist dat aan belanghebbende rechtsbijstand is verleend.

5.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat alle stukken van belanghebbende, die in de onderhavige procedure zijn ingebracht, door hemzelf zijn ondertekend en ingediend. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat aan hem beroepsmatige rechtsbijstand is verleend, waarvoor hij kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Dit leidt er tevens toe dat de rechtbank alleen al daarom niet toekomt aan een aparte procedure voor de behandeling van een vergoeding van werkelijke proceskosten. Daaraan voegt de rechtbank toe dat niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep wat betreft de dwangsom ongegrond;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraken op bezwaar;

vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2011;

vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2012;

vernietigt de beschikking belastingrente bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2012;

vernietigt de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2012;

vernietigt de verliesverrekeningsbeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2012;

vernietigt de verliesvaststellingsbeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2012;

vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 34.422;

vermindert de beschikking belastingrente bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 dienovereenkomstig;

vernietigt de boetebeschikking bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2013;

veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.125;

gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 14 mei 2021 door mr. J.M. van der Vegt, voorzitter, mr. drs. M.M. de Werd en mr. H.J. Cosijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J.M. Bohnen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is alleen ondertekend door de voorzitter, aangezien de griffier verhinderd is.

De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De rechters die deze uitspraak hebben gedaan, zijn normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij zijn in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

Artikel 16, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

Artikel 16, lid 3, AWR in verbinding met artikel 11, lid 4, AWR .

Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1011.

Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.

Hoge Raad 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59.

Hoge Raad 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI3751.

Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7495.

Hoge Raad 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1666.

Hoge Raad 23 april 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9992.

Artikel 16, lid 3, AWR in verbinding met artikel 11, lid 4, AWR .

Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (hierna: het overzichtsarrest).

Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154.

Artikel 4.17, lid 3, Awb .


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature