E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBZWB:2021:2161
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, AWB - 18 _ 3504

Inhoudsindicatie:

Bpm

Belanghebbende is vergunninghouder voor de bpm en heeft voor zes maanden over het jaar 2016 aangiften bpm gedaan ter zake van de registratie van diverse auto’s. Belanghebbende voert tegen deze aangiften bpm diverse beroepsgronden aan.

Partijen verschillen niet van mening dat belanghebbende mogelijk met succes een beroep kan doen op het artikel 16a-arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2020 ter zake van een of meer van de auto’s waarvoor bpm op aangifte is voldaan. Partijen verschillen wel principieel van opvatting wie wat moet doen. De rechtbank is van oordeel dat van belanghebbende mag worden gevraagd dat hij concreet meldt voor welke auto(‘s) een beroep op het artikel 16a- arrest wordt gedaan en dat hij een inzichtelijke, controleerbare berekening geeft waaruit volgt dat de bpm voor die auto op een lager bedrag uitkomt dan de bpm die is voldaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat op belanghebbende de stelplicht en bewijslast rust van de feiten en omstandigheden die tot toepassing zijn om succesvol een beroep te doen op een lager bpm-tarief dan uit de wet volgt, hierbij volstaat niet de enkele verwijzing naar alleen de datum van eerste toelating van de auto(‘s). De beroepen zijn ook voor de overige beroepsgronden ongegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie