< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bestuurdersaansprakelijkheid. DGA van een vennootschap draagt aandelen over aan nieuwe DGA vlak voordat financiering van de bank wordt verkregen voor het aangaan van een lease-overeenkomst. Samenspanning gericht op het benadelen van de bank.”

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/369013 / HA ZA 20-98

Vonnis van 7 april 2021

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO ASSET BASED FINANCE N.V. t.h.o.d.n. ABN AMRO LEASE,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. H. Boven te Zwolle,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. P.C. Schouten te Breda.

Partijen zullen hierna ABN en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 21 oktober 2020

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 16 februari 2021 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

De zijdens [gedaagde] gemaakte opmerkingen op het proces-verbaal – welke door de rechtbank zijn ontvangen bij bericht van 4 maart 2021 – zijn aan het dossier toegevoegd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de onbetwiste inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.2.

Op 28 december 2018 hebben ABN als lessor en Brands4less B.V. (hierna Brand4less) als lessee een leaseovereenkomst ondertekend voor een personenauto van het merk Mercedes-Benz , type GT-R AMG en kenteken RP-993-D (verder: het leaseobject), met een financieringsbedrag van € 196.740,34 (hierna: het financieringsbedrag) en een leaseperiode van 60 maanden (productie 2 bij dagvaarding, hierna: de leaseovereenkomst). Brand4less werd bij het aangaan van de leaseovereenkomst vertegenwoordigd door [gedaagde] , die op dat moment de enige bestuurder en aandeelhouder van Brands4less was. De aan de leaseovereenkomst voorafgaande leaseaanvraag van Brands4less is via de tussenpersoon [naam tussenpersoon] handelend onder de naam Quality Occasion (hierna: Quality Occasion) verlopen, die daartoe op haar beurt Bekaro Financieringen B.V. (hierna Bekaro) inschakelde. Bekaro heeft ABN gevraagd om de financiering te verstrekken aan Brands4less voor het leaseobject.

2.3.

Het businessplan dat [gedaagde] daartoe (via Bekaro) aan ABN heeft verstrekt voorzag in de verhuur van exclusieve sportauto’s met als eerste exclusieve sportauto het leaseobject.

2.4.

[gedaagde] heeft Quality Occasion als tussenpersoon ingeschakeld voorvan de aankoop van het leaseobject dat te koop werd aangeboden bij de Mercedes-Benzdealer Auto Wüst te Dordrecht. Quality Occasion heeft daartoe een op 24 december 2018 gedateerde aankoopfactuur vanwege de aanschaf van het leaseobject (nog onder voorbehoud van het verkrijgen van financiering) aan Brandds4less gezonden (productie 3 bij dagvaarding) die voorafgaand aan het ondertekenen van de leaseovereenkomst aan ABN verstrekt is.

2.5.

Bij overeenkomst van 4 januari 2019 is [gedaagde] met J&D B.V. (hierna J&D) overeengekomen dat hij zijn aandelen in Brands4less en de daarbij behorende activa en passiva aan J&D verkoopt tegen een kooprijs van € 100,00. Op grond van deze overeenkomst zijn de lusten en lasten van Brands4less per datum ondertekening van de overeenkomst voor J&D als koper.

2.6.

Een afschrift van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel vermeldt dat J&D per 8 januari 2019 de (enig) bestuurder is geworden van Brands4less en dat [gedaagde] per 8 januari 2019 is uitgeschreven als bestuurder van Brands4less. De heer [naam aandeelhouder] is de enig aandeelhouder en bestuurder van J&D (hierna: [naam aandeelhouder] ). [naam aandeelhouder] heeft geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. Bij ABN stond [naam aandeelhouder] /J&D gesignaleerd voor het plegen van fraude (met de financiering van luxe sportauto’s). J&D was gevestigd op dezelfde kantoorlocatie als Brands4less. [gedaagde] heeft enig tijd voorafgaande aan het sluiten van de leaseovereenkomst gewerkt voor J&D.

2.7.

Een afschrift van door [gedaagde] overgelegde ‘notulen’ vermelden dat op 8 januari 2019 een aandeelhoudersvergadering gehouden is van Brands4less. Voornoemde ‘notulen’ vermelden verder onder meer (productie 4 conclusie van antwoord):

“(…)

Vooruitlopend op de overdracht van aandelen aan J&D BV legt [gedaagde] zijn functie als bestuurder neer en wordt hem kwijting verleend voor het door hem gevoerde beleid.

J&D BV vertegenwoordigt door [naam aandeelhouder] wordt aangesteld als bestuurder van brands4less. Vanaf 8 januari bestuurt J&D de vennootschap en zal zorgdragen voor het doorvoeren van deze wijziging bij de diverse instanties.

Tevens zijn alle administratieve bescheiden overgedragen aan de nieuwe bestuurder.

(…)”

2.8.

Op dinsdag 8 januari 2019 te 17:14 uur heeft [gedaagde] een e-mailbericht met de volgende inhoud aan Quality Occasion gestuurd (productie 9 zijdens ABN):

“(…) Zoals ik al eerder schreef zijn de cijfers voor 2018 gelijk aan 2017. Er zijn in 2018 geen activiteiten geweest. Dus de balans is hetzelfde

Naast het beheer voor het business center zijn er inkomsten uit de verhuur van de auto. De hoogte daarvan is op voorhand lastig in te schatten. Dat is ook al in de vorige mail aangegeven.

Prognose 2019:

Beheer 5750,-

Kosten incl afschrijving 4500,-

Resultaat 1250,- per maand

Een bankrekening bij de ABN omdat een goede bank is.

Activiteiten zijn beheer, management, detail en groothandel in de ruimste zin van het woord.

Alle bovenstaande vragen zijn al gesteld of na te lezen in de verstrekte info.

Verder ben ik er wel klaar mee [naam] . Er ligt een door de bank getekende overeenkomst. Ik ben een verplichting aangegaan op basis van de door de bank getekende overeenkomst.

De bank dient uiterlijk donderdag op mijn rekening te storten anders gaat het naar mijn advocaat.

(…)”

Quality Occasion heeft het hiervoor geciteerde e-mailbericht doorgezonden aan Bekaro die het op haar beurt doorstuurde aan ABN (productie 9 zijdens ABN).

2.9.

Op donderdag 10 januari 2019 heeft ABN het financieringsbedrag (€ 196.740,34) overgemaakt op de bankrekening van Brands4less.

2.10.

Het leaseobject is vervolgens niet bij de dealer afgehaald, Brands4less heeft de koopprijs niet aan de dealer betaald en de leasetermijnen zijn niet aan ABN voldaan, waarop ABN de leaseovereenkomst bij aangetekende brief van 4 maart 2019, geadresseerd aan het woonadres van [gedaagde] , heeft beëindigd en de verschuldigde leasetermijnen heeft opgeëist (productie 4 bij dagvaarding).

2.11.

Op 10 september 2019 is J&D failliet verklaard met aanstelling van mr. P.A. Kerkhof tot curator (productie 5 bij dagvaarding). ABN heeft haar schade niet kunnen verhalen op J&D.

2.12.

Op 13 november 2019 heeft (de advocaat van) ABN [gedaagde] een aangetekende brief gezonden waarin hij in privé aansprakelijk wordt gesteld voor de door ABN geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het in die brief gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde] als voormalig bestuurder van Brands4less (productie 7 bij dagvaarding). [gedaagde] heeft deze aangetekende brief niet afgehaald en ABN heeft de brief retour ontvangen.

3 Het geschil

3.1.

ABN vordert - kort samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 196.740,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2019;

II. [gedaagde] veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten;

III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en nakosten, de proceskosten te vermeerderen

met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het vonnis.

3.2.

ABN legt, samengevat weergegeven, aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] als voormalig bestuurder van Brands4less met [naam aandeelhouder] /J&D heeft samengespannen om ABN te benadelen. Volgens ABN is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die ABN heeft geleden als gevolg van het feit dat de verplichtingen uit hoofde van de leaseovereenkomst niet door Brands4less zijn nagekomen. Daartoe voert ABN aan, enerzijds dat [gedaagde] bij het aangaan van de leaseovereenkomst wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat Brands4less haar verplichtingen niet zou (kunnen) nakomen en geen verhaal zou bieden en anderzijds dat (het bestuur van) Brands4less door [gedaagde] is overgedragen aan een malafide nieuwe bestuurder, J&D, een vennootschap van [naam aandeelhouder] die reeds bij ABN als fraudeur bekend stond en aan wie nimmer een financiering zou zijn verschaft, waardoor het financieringsbedrag niet is aangewend om het leaseobject te kopen, maar in plaats daarvan op 10 januari 2018 (dezelfde dag als de dag waarop het financieringsbedrag aan Brands4less werd overgeboekt) betalingen zijn verricht aan Quality Occasion (€ 33.250,00) en J&D (€ 163.000,00). In beide gevallen valt [gedaagde] een zodanig ernstig verwijt te maken dat hij jegens ABN aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige daad, aldus ABN.

3.3.

De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van ABN in de proceskosten en nakosten. [gedaagde] voert daartoe aan dat hij niet onrechtmatig jegens ABN heeft gehandeld. Hij betwist dat hij met [naam aandeelhouder] /J&D heeft samengespannen om ABN te benadelen en/of dat hem anderszins een ernstig en persoonlijk verwijt treft. Volgens [gedaagde] heeft hij na 8 januari 2019 geen enkele betrokkenheid meer bij Brands4less gehad en kan enkel J&D verantwoordelijk worden gehouden voor het niet nakomen van de leaseovereenkomst en de gestelde schade. Voor zoveel [gedaagde] wel aansprakelijk is, stelt hij zich op het standpunt dat ABN eigen schuld heeft aan het ontstaan van schade omdat zij op 10 januari 2019 niet gecontroleerd heeft of [gedaagde] nog bestuurder was, ABN na 10 januari 2019 niet voortvarend gehandeld heeft en zij in strijd met haar zorgplicht een financiering aan Brands4less verstrekt heeft.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ter beoordeling ligt de vraag voor of [gedaagde] op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die ABN als gevolg van het niet nakomen van de leaseovereenkomst door Brands4less heeft geleden. De rechtbank zal deze vraag beoordelen aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde ‘persoonlijk ernstig verwijt’-maatstaf (vgl. de arresten van 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, RCI Financial Services en ECLI:NL:HR:2014:2628, Tulip Air).

4.2.

ABN stelt zich primair op het standpunt (zo begrijpt de rechtbank) dat ABN [gedaagde] als bestuurder van Brands4less persoonlijk een ernstig verwijt kan maken voor de door haar geleden schade omdat [gedaagde] verweten kan worden ABN te hebben verleid (via Bekaro en Quality Occasion) het financieringsbedrag aan Brands4less te verstrekken met – kort gezegd – het oogmerk om dit bedrag na ontvangst weg te sluizen en ervoor te zorgen dat ABN geen verhaalsmogelijkheden zou hebben. [gedaagde] en [naam aandeelhouder] hebben daarbij ervoor gezorgd (naar niet valt uit te sluiten en ook aannemelijk is te achten, eerst achteraf) dat in juridische zin het financieringsbedrag werd verkregen na overdracht van Brands4less van de aandelen aan J&D, en nadat J&D de nieuwe bestuurder van Brands4less was geworden. Dit met als oogmerk dat [gedaagde] (formeel) geen verwijt meer zou kunnen worden gemaakt van de omstandigheid dat het financieringsbedrag na ontvangst door Brands4less zou zijn weggesluisd en ABN verhaal zou moeten gaan zoeken op haar nieuwe (middellijk) bestuurder [naam aandeelhouder] (van wie geen bekende woon- of verblijfplaats bekend is in Nederland).

4.3.

Ter nadere onderbouwing van haar stelling wijst ABN nog op het volgende. Onbegrijpelijk is dat [gedaagde] zich niet heeft ingespannen voor het afnemen van het leaseobject, maar hij in plaats daarvan enkele dagen na het sluiten van de leaseovereenkomst en nog voordat aan die overeenkomst uitvoering was gegeven zijn bestuursfunctie en de gehele onderneming, welke hij naar eigen zeggen net voornemens was op te starten, overdraagt aan J&D. J&D stond bij ABN al geregistreerd vanwege mogelijke fraude met een Mercedes-Benz AMG, in welk geval eveneens kort na aanvang van de leaseovereenkomst een bestuurswisseling heeft plaatsgevonden.

[gedaagde] heeft ABN niet op de hoogte gebracht van de aandelenoverdracht en bestuurswissel. Niet voor het sluiten van de leaseovereenkomst, niet voor het uitbetalen van het financieringsbedrag op 10 januari 2019, noch in de periode daarna terwijl [gedaagde] daartoe wel, ook op grond van de algemene voorwaarden, gehouden was. Dat geldt des te meer nu Quality Occasion aan ABN heeft medegedeeld dat op 4 januari 2019 bekend en richting Auto Wüst gemeld is dat het leaseobject niet meer zou worden gekocht. Toen [gedaagde] in zijn e-mail van 8 januari 2019 aandrong op betaling van het financieringsbedrag, moet hem dus reeds bekend zijn geweest dat het leaseobject niet gekocht zou worden en er ook geen optie meer op de auto lag. Door desondanks aan te dringen op uitbetaling van het financieringsbedrag, de bank niet te informeren over de bestuurswissel en naderhand onbereikbaar te zijn, kan het niet anders dan dat [gedaagde] het oogmerk heeft gehad om samen met J&D de bank te benadelen, aldus ABN.

4.4.

[gedaagde] betwist dat hij met [naam aandeelhouder] heeft samengespannen om ABN te benadelen. [gedaagde] stelt dat hij vrij was de onderneming over te dragen, dat hij zich daarbij van gebruikelijke overeenkomsten heeft bediend en dat niet hij, maar J&D verantwoordelijk moet worden gehouden voor het niet nakomen van de verplichtingen van Brands4less. [gedaagde] betwist dat hem enig verwijt kan worden gemaakt van de overboekingen aan J&D en Quality Occasion omdat hij op dat moment (10 januari 2019) geen bestuurder meer was, de lusten en lasten van de onderneming vanaf 4 januari 2019 voor J&D waren en [gedaagde] de bankpas van Brands4less tezamen met de inloggegevens en pincode op 8 januari 2019 aan J&D overgedragen heeft, waarbij afgesproken is dat J&D ( [naam aandeelhouder] ) zorg zou dragen voor het doorvoeren van wijzigingen bij de diverse instanties. Het was dus de taak van [naam aandeelhouder] om ABN te informeren. De enkele omstandigheid dat [naam aandeelhouder] dit heeft nagelaten en ook [gedaagde] ABN niet heeft geïnformeerd, is onvoldoende om een ernstig persoonlijk verwijt aan te kunnen nemen. Dat geldt des te meer nu de bank na het ondertekenen van de leaseovereenkomst aanvullende vragen aan [gedaagde] heeft gesteld zodat hij mocht aannemen dat de leaseovereenkomst niet, althans slechts voorwaardelijk tot stand was gekomen.

4.5.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat Brands4less een nagenoeg lege vennootschap betrof waarmee hij een nieuwe activiteit wilde gaan ontplooien: de verhuur van luxe auto’s. [gedaagde] heeft evenwel geen draagkrachtige verklaring kunnen gegeven voor de omstandigheid dat hij vlak voordat de financiering daarvoor zou worden ontvangen hij – kennelijk plotseling – heeft gemeend de vennootschap voor € 100,- te moeten verkopen aan J&D. Daarbij komt dat de door hem gegeven verklaring over de gang van zaken (dat hij vanaf 8 januari 2019 geen bestuurder van Brands4less meer was en hij ook sinds die datum geen bemoeienis meer heeft gehad met Brands4less) niet valt te rijmen met de inhoud van het door [gedaagde] op 8 januari 2019 verzonden e-mailbericht.

Uit dat e-mailbericht volgt niet alleen dat [gedaagde] in ieder geval op 8 januari 2019 om 17.14 uur nog bij de onderneming betrokken was, maar ook blijkt daaruit dat [gedaagde] er nog op uit was om betaling van het financieringsbedrag te verkrijgen. [gedaagde] schrijft immers “de bank dient uiterlijk donderdag op mijn rekening te storten anders gaat het naar mijn advocaat”. Waarom [gedaagde] op 8 januari 2019 heeft gemeend nog te moeten dreigen met het inschakelen van en advocaat teneinde de nakoming van de leaseovereenkomst af te dwingen, terwijl hij naar eigen zeggen Brands4less al per 4 januari 2019 zou hebben overgedragen aan J&D en ook overigens per 8 januari 2019 zich in het geheel niet meer heeft bemoeid met Brands4less als bestuurder is door [gedaagde] niet opgehelderd.

4.6.

De voormelde gang van zaken roept temeer vragen op daar naar ABN tijdens de mondelinge behandeling nog heeft toegelicht op 8 januari 2019 de optie van Brands4less op het leaseobject (de auto) alweer enige tijd was verlopen. Dat dit het geval was is door [gedaagde] weliswaar betwist bij gebrek aan wetenschap, maar dat laat onverlet dat het naar het oordeel van de rechtbank op zijn weg heeft gelegen zijn standpunt dat Brands4less (ten minste) op 8 januari 2019 nog steeds beschikte over een optierecht op het leaseobject nader te onderbouwen met bescheiden waaruit dit valt af te leiden (bijvoorbeeld een verklaring van een medewerker van Auto Wüst). Op voorhand valt ook niet in te zien waarom het niet mogelijk voor [gedaagde] zou zijn geweest om reeds voorafgaande aan de mondelinge behandeling met bescheiden te onderbouwen dat op 8 januari 2019 Brands4less nog beschikte over een optierecht op het leaseobject. Bij die stand van zaken is onvoldoende betwist gebleven dat op 8 januari 2019 het optierecht op het leaseobject inmiddels alweer was verlopen.

4.7.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen [gedaagde] ter betwisting aanvoert niet geloofwaardig is. Het gevolg is dat onvoldoende weersproken is gebleven dat [gedaagde] als bestuurder van Brands4less (met [naam aandeelhouder] ) heeft samengespannen om ABN te benadelen en [gedaagde] bij het aangaan van de leaseovereenkomst op 28 december 2018 wist dat ABN het financieringsbedrag niet terugbetaald zou krijgen en Brands4less ook geen verhaal zou bieden voor de schade (vgl. de in HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, ( [naam partij] / [naam partij 1] ) genoemde categorie (i) van zaken waarin sprake is van een schending van de ‘Beklamel-norm’). Daarmee ligt de vordering van ABN ligt in beginsel voor toewijzing gereed.

4.8.

[gedaagde] stelt verder dat sprake is van eigen schuld van ABN in de zin van artikel 6:101 BW en wel in die mate dat de schade geheel dan wel gedeeltelijk voor rekening van ABN dient te blijven. [gedaagde] voert daartoe aan dat ABN op 10 januari 2019 het financieringsbedrag heeft overgemaakt zonder te controleren of [gedaagde] nog bestuurder was, het vervolgens tot 4 maart 2019 heeft geduurd totdat ABN de leaseovereenkomst beëindigde en dat ABN in strijd met haar zorgplicht een financiering heeft verstrekt aan een partij waarvan niet gebleken is dat die in staat is de lasten daarvan te dragen.

4.9.

De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet, reeds omdat de opzet op de benadeling van ABN zich ertegen verzet dat [gedaagde] een beroep toekomt op ‘eigen schuld’. Ter zijde merkt de rechtbank op dat uit het door ABN overgelegde uittreksel blijkt dat zij op 9 januari 2019 om 16.23 uur de gegevens in het handelsregister gecontroleerd (productie 1 bij dagvaarding) heeft en uit het uittreksel dat is overgelegd als productie 2 bij conclusie van antwoord volgt dat de bestuurswissel pas eerst op 28 januari 2019 in het handelsregister geregistreerd is. Ook de omstandigheid dat de bestuurswissel plaatsvindt voordat het financieringsbedrag wordt overgemaakt en de bestuurswissel eerst enige tijd daarna in te schrijven wijst erop dat [gedaagde] en [naam aandeelhouder] welbewust hebben getracht ABN te misleiden.

4.10.

Dat ABN [gedaagde] niet eerder dan op 4 maart 2019 aangeschreven heeft, levert ook geen geslaagd eigen schuld verweer op. Het financieringsbedrag was immers reeds op 10 januari 2019 aan het vermogen van Brands4less onttrokken en gesteld noch gebleken is dat er daarna verhaalsmogelijkheden zijn geweest die door tijdsverloop zijn verdwenen of beperkt.

4.11.

Evenmin volgt de rechtbank [gedaagde] in zijn betoog dat ABN de leaseaanvraag had moeten afwijzen. ABN heeft de aanvraag op basis van de door [gedaagde] verstrekte gegevens goedgekeurd omdat daaruit volgde dat Brands4less met de verhuur van het leaseobject en de beheersactiviteiten over voldoende inkomsten zou beschikken om de maandelijkse leasetermijnen te voldoen. Dat het leaseobject niet zou worden aangekocht en de beheersactiviteiten niet zouden worden uitgevoerd, was voor ABN niet voorzienbaar en kan haar niet worden tegengeworpen.

4.12.

De rechtbank komt tot de conclusie dat [gedaagde] voor de gehele schade, gelijk aan het door ABN betaalde financieringsbedrag, aansprakelijk is. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal – als niet weersproken – worden toegewezen vanaf 10 januari 2019.

4.13.

Tot slot verzet [gedaagde] zich tegen de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. Hij stelt dat een vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot directe betalingsnood zal leiden. Subsidiair verzoekt [gedaagde] aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat het door [gedaagde] aan ABN te betalen bedrag op de derdengeldrekening van zijn advocaat wordt gezet totdat een onherroepelijke uitspraak in deze kwestie is gedaan.

4.14.

Artikel 233 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat de rechter desgevorderd zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad kan verklaren, tenzij uit de wet of de aard van de zaak anders voortvloeit. Bij de beoordeling van een vordering op grond van artikel 233 Rv dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij de belangenafweging moet de kans van slagen van een eventueel aan te wenden rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing blijven en wordt degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben (vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688).

4.15.

Gesteld noch gebleken is dat de wet en/of de aard van de zaak zich in dezen tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad verzetten. Gelet op voormeld uitgangspunt wordt ABN vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarheid bij voorraad te hebben. Dit brengt mee dat het op de weg van [gedaagde] ligt om concrete feiten en omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van zijn stelling dat zijn belangen bij het achterwege blijven van uitvoerbaarverklaring bij voorraad prevaleren boven de belangen van ABN bij toewijzing van de betreffende vordering. Het enkele argument van betalingsnood (dat overigens niet feitelijk is onderbouwd), is onvoldoende.

4.16.

Evenmin ziet de rechtbank aanleiding – in het verzoek om het door [gedaagde] verschuldigde bedrag op de derdengeldenrekening te betalen totdat onherroepelijk uitspraak zal zijn gedaan in deze zaak – om toepassing te geven aan het in artikel 233 lid 3 Rv bepaalde. De rechter kan op grond van artikel 233 lid 3 Rv aan toewijzing van een vordering tot uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde verbinden dat de eisende partij zekerheid stelt tot het bedrag dat de rechter bepaalt. Een voldoende belang daarbij is door [gedaagde] evenwel niet aangevoerd. De rechtbank zal het vonnis daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zonder de daaraan gevraagde voorwaarde te vinden dat ABN zekerheid dient te stellen.

4.17.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN worden begroot op:

- dagvaarding € 102,91

- griffierecht 4.131,00

- salaris advocaat 4.804,00 (2,0 punten × tarief VI € 2.402,00)

Totaal € 9.037,91

4.18.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.

4.19.

De gevorderde nakosten zijn voor toewijzing vatbaar nu daartegen geen verweer is gevoerd. De rechtbank merkt op dat de gevorderde nakosten hoger zijn dan het

liquidatietarievenbesluit voorschrijft. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan ABN te betalen een bedrag van € 196.740,34 (éénhonderdzesennegentig duizendzevenhonderdveertig euro en vierendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 10 januari 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van ABN tot op heden begroot op € 9.037,91, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Schild en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature