< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

“ Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Man heeft bewust onder het te verrekenen vermogen vallende gelden weggesluisd. Geen sprake van verzwijging in de zin van artikel 1:135 lid 3 BW nu in het onderhavige geval de verrekening nog niet heeft

plaatsgevonden. Handelswijze van de man neemt de rechtbank hem kwalijk.

Verder is de man nalatig in het verstrekken van gegevens ondanks dat hem reeds vele malen hierom gevraagd is maar hij dit telkens heeft geweigerd. Nieuw deskundigenbericht wordt niet nodig geacht. De rechtbank stelt

schattenderwijs de waarde van aandelen vast aan de hand van wat partijen hebben aangedragen. ”

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/279673 FA RK 14-2198

beschikking betreffende nevenvoorzieningen echtscheiding

in de zaak van

[man] ,

wonende te [X] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J. ter Avest.

tegen

[vrouw 1] ,

wonende te [XX] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. A.W. Hooijen,

1 Het verdere verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikkingen van de rechtbank van 10 juni 2015, 24 december 2015 en van 12

april 2016 en alle daarin vermelde stukken;

- de brieven van mr. Hooijen van 10 mei 2016, 24 juni 2016 en 27 juni 2016;

- de brieven van mr. Kostense, voormalig advocaat van de man, van 16 augustus 2016 en 13 december 2016,

- de brief van mr. Hooijen van 1 december 2016;

- de brief van de deskundige van 18 april 2017;

- het op 9 april 2018 ontvangen deskundigenrapport;

- de brief van mr. Hooijen van 24 april 2018;

- de akte na deskundigenbericht van de vrouw van 15 mei 2018;

- de brieven van mr. Ter Avest van 15 mei 2018 en 19 juni 2018;

- de tweede akte van de vrouw na deskundigenbericht tevens reactie op akte wederpartij van 19 juni 2018;

- de akte overleggen producties van 23 april 2019 van de vrouw;

- de brieven van mr. Ter Avest van 28 mei 2019, 9 juli 2019 en 19 augustus 2019,

- de antwoordakte van de vrouw van 12 september 2019;

- de brieven van mr. ter Avest van 29 en 31 januari 2020 en 3 februari 2020, met producties;

- de brieven van mr. Hooijen van 29 januari 2020 en 3 februari 2020;

- de beschikking voorlopige voorzieningen van 3 december 2019.

1.2.

Op 12 februari 2020 heeft voor de meervoudige kamer van de rechtbank een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen en hun advocaten zijn verschenen.

De procedure in de periode juni 2015 tot februari 2020

1.3.

Bij beschikking van 10 juni 2015 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, en zijn de overige verzoeken van partijen aangehouden in afwachting van door partijen aan te leveren informatie en stukken. In deze beschikking is tevens geoordeeld over de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en is door de rechtbank aangegeven welke gegevens met betrekking tot de afwikkeling der huwelijkse voorwaarden door partijen nog zouden moeten worden aangeleverd.

Blijkens mededeling van partijen is de echtscheiding op 1 oktober 2015 ingeschreven.

1.4.

In de beschikking van 24 december 2015 is de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man bepaald op € 36.735,= bruto per maand. De man is in de gelegenheid gesteld om

informatie in het geding te brengen zoals overwogen in die beschikking onder 2.21, 2.23, 2.26, 2.31, 2.32, 3.33, 2.34 en 2.36. Ter zake van de huwelijkse voorwaarden is aan partijen opgedragen nog met nadere stukken en/of standpunten te komen. Voorts zijn voorlopige vraagpunten ten behoeve van een deskundigenbericht met betrekking tot de waarde van de aandelen van [bedrijf] , de rekening courantvordering op en de lening aan de directie van [bedrijf] geformuleerd.

1.5.

Bij beschikking van 12 april 2016 is een deskundigenonderzoek gelast en is de vrouw in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door de man op 15 maart 2016 aangeleverde informatie. Partijen hebben vervolgens nog nadere brieven ingestuurd.

1.6.

In het deskundigenrapport van 19 april 2018 vermeldt de deskundige dat het rapport lang op zich heeft laten wachten door de trage en onvolledige informatieverschaffing door de man. Hoewel hij nog steeds niet over alle informatie beschikt, heeft hij naar zijn mening desondanks uiteindelijk voldoende stukken om de aan hem voorgelegde vragen als volgt te beantwoorden:

1- De intrinsieke waarde van de aandelen van [bedrijf] per 31 maart 2014 bedraagt

€ 666.866,=. De netto waarde van 50% van de aandelen bedraagt € 252.344,=.

2- De helft van de waarde van de aandelen kan niet bij de BV worden geleend. De vrouw

houdt een vordering op de man ter hoogte van € 252.344,=.

3- De rekening courant schuld is tot stand gekomen doordat er meer liquide middelen

zijn onttrokken dan op grond van het salaris van de man en uitgekeerd dividend

onttrokken had kunnen worden. Omdat de lening en de rekening courantschuld tot het privévermogen behoren, dienen de vorderingen van [bedrijf] op de man volledig te worden betrokken in de waardering van de aandelen.

4- Het maakt niet uit of de langlopende lening u/g (€ 200.000,=) al dan niet bestond op

de peildatum; er moet gekeken worden naar de totale schuldenpositie van de BV

welke is betrokken in de waardering van de aandelen.

5- In het definitieve rapport zijn de definitieve cijfers van 2014 verwerkt.

1.7.

In haar reactie op de bevindingen in het deskundigenonderzoek stelt de vrouw dat de vaststellingen, de conclusie en de oordelen van de deskundige onoordeelkundig zijn en volstrekt niet zijn onderbouwd. Zij verzoekt om geen rekening met het deskundigenbericht te houden en een nieuw onderzoek te gelasten. Daartoe moet de man verplicht worden om de door haar genoemde gegevens te verstrekken.

Volgens de vrouw dient de declaratie van de deskundige op nihil te worden gesteld.

1.8.

De man stelt dat hij zich kan vinden in de resultaten van het deskundigenrapport.

Hij heeft vele malen excuses gemaakt voor het niet tijdig aanleveren van documenten, maar dit is te wijten aan de situatie waarin hij zich sinds begin 2017 bevindt, te weten arbeidsongeschikt, geen inkomen en rijbewijs meer, onder psychiatrische behandeling en een slechte woonsituatie. Volgens de man heeft hij de benodigde stukken aan de deskundige overgelegd. Hij betwist dat er een nieuw onderzoek moet komen.

1.9.

In haar akte van 23 april 2019 stelt de vrouw dat haar vermoeden dat de man inkomsten- en vermogensbestanddelen heeft verzwegen en nog steeds verzwijgt, is bevestigd. Zij heeft de beschikking over documenten gekregen waaruit dit blijkt. De verzwegen bestanddelen zien op retentiebonussen, de verkoopopbrengst van de aandelen [bedrijf2 1] en een ontslagvergoeding. Volgens de vrouw is de waarde van deze bestanddelen aanzienlijk.

1.10.

De man erkent in zijn brief van 28 mei 2019 dat hij bovenop de verkoopopbrengst van aandelen (die volgens hem € 222.653,88 heeft bedragen) vier maal $ 302.000,= aan ‘retention bonus’ heeft ontvangen van [bedrijf3 2] . Hij stelt niet te weten waarvoor deze retentie bonus werd uitbetaald. Volgens hem betreft het inkomen en geen vermogen. Als reden voor het verzwijgen voert de man aan de grote hoeveelheid schulden waarvan de vrouw stelt dat het zijn schulden zijn en zijn vrees voor een te hoge door hem te betalen partneralimentatie waardoor zijn faillissement zou volgen. Daarnaast stond de voormalig echtelijke woning aan de [adres 1] te [XXX] ver onder water. Bovendien heeft hij na het uiteengaan van partijen enkele jaren alle kosten van de vrouw voldaan ter hoogte van € 15.000,= tot

€ 18.000,= per maand. Tot slot stelt de man dat ook de vrouw gelden ter hoogte van

€ 110.000,= heeft verzwegen.

De gewijzigde dan wel aangevulde verzoeken van partijen.

1.11.

Door partijen is aan de rechtbank meegedeeld dat de voormalige echtelijke woning aan de [adres 2] en het perceel aan de [adres3] te [XXX] zijn verkocht aan derden, waarna een restschuld van € 330.000,= aan de Rabobank is overgebleven. De rechtbank concludeert hieruit dat de man geen belang meer heeft bij zijn oorspronkelijke verzoeken tot verkoop van de beide onroerende zaken, zodat die verzoeken zullen worden afgewezen. Nu partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de restschuld, zullen zij deze onderling ieder voor de helft moeten dragen.

Aldus resteert van de oorspronkelijke verzoeken van de man enkel het verzoek om te bepalen op welke wijze de huwelijkse voorwaarden afgewikkeld moeten worden.

1.12.

Blijkens de brief van zijn advocaat van 28 mei 2019 verzoekt de man thans aanvullend de vrouw te veroordelen :

1- tot het overleggen van bankafschriften voor wat betreft haar inkomen over de periode 2012-2019;

2- de rechtbank en de man te informeren hoe zij aan vertrouwelijke informatie van de

man is gekomen;

3- de man en de rechtbank te informeren over wat is gebeurd met een bedrag van

€ 110.000,=;

4. inzage te geven in ontvangen erfenissen en haar vermogen in de periode 2014-2018.

Voorts heeft hij bij de brief van zijn advocaat van 31 januari 2020 nog een aanvullend verzoek geformuleerd, te weten:

5. het verzoek van de vrouw ter zake partneralimentatie aan te houden totdat de vrouw

bereid is het conservatoir beslag op te heffen voor wat betreft een bedrag van

€ 25.000,=, zodat de boekhouder van de man de jaarstukken 2016-2019 van de man kan laten opmaken.

1.13.

De vrouw heeft naar aanleiding van de haar ter beschikking gekomen gegevens en nader overgelegde stukken door de man, haar verzoeken aangepast. Zij verzoekt bij akte van 17 september 2019 nu:

a. te bepalen dat de man per datum echtscheiding, dat wil zeggen per 10 juni 2015, met terugwerkende kracht een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te betalen ter hoogte van € 36.735,= bruto per maand;

b. te bepalen dat de man in verband met het verzwijgen van vermogen:

primair overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW een bedrag groot

€ 1.162.914,66 aan haar dient te betalen;

subsidiair de helft van dit bedrag groot € 581.457,33 aan haar dient te betalen;

c. te bepalen dat de man in verband met de verzwegen retentiebonus en daarmee de

verzwegen waarde van de aandelen in [bedrijf] :

primair overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW een bedrag groot

€ 1. 082.780,= aan haar dient te betalen,

subsidiair de helft van dit bedrag groot € 541.390,- aan haar dient te betalen;

d. te bepalen dat de man in verband met de verzwegen [bedrijf3 2] aandelen:

primair overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW een bedrag groot

€ 256.648,66 aan haar dient te betalen;

subsidiair de helft van dit bedrag groot € 128.324,33 aan haar dient te betalen.

e. te bepalen dat de man de door haar vergoede kosten van het eerdere

deskundigenonderzoek voor een bedrag groot € 4.981,= aan haar dient te vergoeden;

f. een nieuw deskundigenonderzoek te bevelen ter vaststelling van het gemeenschappelijk vermogen van de man en haar op de peildatum, onder de bepaling dat de man alle kosten hiervan dient te dragen;

g. de man te bevelen om binnen 14 dagen na datum van deze beslissing de volgende

bescheiden aan haar te overleggen:

i. de privé bankafschriften van de man over de jaren 2012, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019 (tot heden);

ii. een schriftelijke verklaring van de man dat de betreffende bankafschriften de

afschriften van alle bankrekeningen van de man in privé zijn en dat de man

op de peildatum naast deze bankrekeningen geen andere bankrekeningen in Nederland of ergens anders in de wereld had,

iii een overzicht van alle vermogensbestanddelen van de man zoals

aanwezig in zijn vermogen op peildatum;

zulks op straffe van een door de man aan haar te verbeuren dwangsom van

€ 10.000,= voor iedere dag dat de man niet dan wel niet volledig gevolg geeft aan dit bevel zonder dat hierbij een maximum aan verbeurde dwangsommen geldt dan wel subsidiair een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 2.500.000,=.

h. de man te bevelen om binnen 14 dagen na datum van deze beslissing de volgende

bescheiden aan haar te overleggen:

i. de bankafschriften van [bedrijf] van de bankrekening waarop de 1e

termijn van de retentiebonus is ontvangen over de jaren 2014 tot datum opheffing bankrekening;

ii. een schriftelijke verklaring van de man dat de reeds overgelegde

bankafschriften de afschriften van alle bankrekeningen van [bedrijf]

zijn en dat [bedrijf] naast deze bankrekeningen geen andere

bankrekeningen in Nederland of ergens anders in de wereld heeft;

iii. de getekende overdrachtsdocumentatie van de verkoop en levering van de participatie van [bedrijf] in [bedrijf2 2] / [bedrijf3 1] waarin opgenomen de overdrachtsprijs van de participatie;

iv. een schriftelijke verklaring van de man dat de betreffende overdrachts- documentatie de gehele documentatie betreft aangaande de verkoop en levering van de participatie van [bedrijf] in [bedrijf2 2] / [bedrijf3 1] en dat er naast de hieruit blijkende afspraken geen andere en/of aanvullende afspraken zijn gemaakt en/of gelden zijn ontvangen;

v. een overzicht van alle aan [bedrijf] en/of [vrouw 2] vanaf 1 januari 2014

betaalde en/of toegekende bonussen;

vi. alle documentatie met betrekking tot de beëindiging van de management- overeenkomst tussen [bedrijf] en [bedrijf3 1] alsmede enige en elke andere rechtsverhouding tussen [bedrijf] en/of de man enerzijds en [bedrijf3 1] en/of enige andere aan [bedrijf3 2] gerelateerde of gelieerde rechtspersoon anderzijds waarin opgenomen alle financiële vergoedingen, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, direct of toekomstig;

vii. alle documentatie met betrekking tot de beëindiging van het Zweedse en enig ander loondienstverband tussen de man en [bedrijf3 1] ;

viii. een schriftelijke verklaring van de man dat de betreffende documentatie de gehele documentatie betreft aangaande de beëindiging van enige en elke rechtsverhouding tussen [bedrijf] en/of de man enerzijds en [bedrijf3 1] en/of enige andere aan [bedrijf3 2] gerelateerde of gelieerde rechtspersoon anderzijds;

zulks op straffe van een door de man aan haar te verbeuren dwangsom van € 10.000,= voor iedere dag dat de man niet dan wel niet volledig gevolg geeft aan dit bevel zonder dat hierbij een maximum aan verbeurde dwangsommen geldt dan wel subsidiair een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 2.500.000,=.

i. de man te bevelen om binnen 14 dagen na datum van deze beslissing de volgende

bescheiden aan haar te overleggen:

i. de aangiften en aanslagen inkomstenbelasting van de man over de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018;

ii. de aangiften en aanslagen omzetbelasting van [bedrijf] over de jaren 2014, 2015, 2016, 2017, 2018, en 2019 (tot heden);

iii. de aangiften en aanslagen vennootschapsbelasting van [bedrijf] over de jaren 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018;

zulks op straffe van een door de man aan haar te verbeuren dwangsom van

€ 10.000,- voor iedere dag dat de man niet dan wel niet volledig gevolg geeft aan dit

bevel zonder dat hierbij een maximum aan verbeurde dwangsommen geldt dan wel

subsidiair een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 2.500.000,=.

j. de man te bevelen om binnen 14 dagen na datum van deze beslissing de volgende

bescheiden aan haar te overleggen: alle informatie en gegevens, zoals - maar niet

beperkt tot - correspondentie en overeenkomsten met betrekking tot de beëindiging van de managementovereenkomst tussen [bedrijf] en [bedrijf3 1] Co;

zulks op straffe van een door de man aan haar te verbeuren dwangsom van

€ 10.000,= voor iedere dag dat de man niet dan wel niet volledig gevolg geeft aan dit

bevel zonder dat hierbij een maximum aan verbeurde dwangsommen geldt dan wel

subsidiair een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 2.500.000,=.

2 De nadere beoordeling

Aandeel verbeurd?

2.1.

De vrouw heeft aangevoerd dat de man navolgende financiële zaken heeft verzwegen:

- Retentiebonussen

- Verkoopopbrengst aandelen [bedrijf2 2] BV (hierna: [bedrijf2 1] )

- Ontslagvergoeding.

2.2.

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man in verband met het verzwijgen van vermogen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW de volledige verzwegen bedragen ter hoogte van € 1.162.914,66 aan haar dient te betalen.

2.3.

Artikel 3:194 lid 2 BW heeft betrekking op de situatie waarin een gemeenschap van goederen bestaat. Hier is echter geen sprake van een gemeenschap van goederen, maar van verrekening van huwelijkse voorwaarden alsof er gemeenschap was. Dan is artikel 1:135 lid 3 BW van toepassing. Dat bepaalt dat een echtgenoot die opzettelijk een tot het te verrekenen vermogen behorend goed verzwijgt, zoekmaakt of verborgen houdt waardoor de waarde daarvan niet in de verrekening is (onderstreping door de rechtbank) betrokken, de waarde geheel aan de andere echtgenoot moet vergoeden.

Nu in het onderhavige geval de verrekening nog niet heeft plaatsgevonden, kan niet op grond van verzwijging sprake zijn van toekenning aan de vrouw van de sub b, c en d door haar verzochte bedragen. Dit neemt niet weg dat is komen vast te staan dat de man zowel de vrouw als de rechtbank pas in een zeer laat stadium van de procedure heeft geïnformeerd over diverse relevante door hem ontvangen geldbedragen, deels zelfs pas nadat de vrouw had aangetoond dat de man geldbedragen niet had gemeld. Gebleken is ook dat de man doelbewust gelden heeft weggesluisd naar zijn toenmalige vriendin en later naar de bankrekening van zijn schoonzuster. Dit alles kan de man zeer kwalijk worden genomen.

Inkomen of vermogen

2.4.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de door de man ontvangen bedragen, zoals hij zelf stelt, als inkomen moeten worden gezien en derhalve in aanmerking moeten worden genomen bij zijn draagkracht of, zoals de vrouw voorstaat, als te verrekenen vermogen. Ofwel, zijn de bedragen van belang voor de te berekenen alimentatie dan wel dienen zij in de verrekening te worden betrokken.

2.5.

Voor wat betreft de retentiebonussen leidt de rechtbank uit de stukken af dat op 12 december 2013 met het oog op de fusie van [bedrijf2 1] met [bedrijf3 3] (hierna: [bedrijf3 2] ) een Retention Bonus Award Agreement is gesloten tussen [bedrijf2 1] en [bedrijf] (productie 38 bij de brief van de man van 9 juli 2019). Per de peildatum 31 maart 2014 bestond dus reeds een recht op retentiebonussen.

Uit de nader ingediende stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat de retentiebonus in 4 termijnen van $ 302.000,= per termijn aan [bedrijf] is uitbetaald. De eerste termijn ter hoogte van $ 302.000,= (€ 277.387,=) is in of omstreeks april 2015 voldaan. Op 1 april 2016 heeft [bedrijf] de tweede termijn ad € 270.695,= ontvangen (productie 5 en 7 bij akte van de vrouw van 23 april 2019), op 3 april 2017 de derde termijn ad

€ 288.302,= (productie 39 bij de brief van de man van 9 juli 2019) en tot slot op 3 april 2018 de vierde termijn retentiebonus ad € 250.326,= (eveneens productie 39 bij brief van de man van 9 juli 2019).

Nu de onderliggende overeenkomst was gesloten tussen [bedrijf2 1] en [bedrijf] , door middel van welke vennootschap de man deelnam in de maatschap, de man voorts getekend heeft namens [bedrijf] , [bedrijf3 2] zich zelf ook op het standpunt stelde dat de retentiebonus toekwam aan “contractpartij [bedrijf] ” (productie 7 bij akte vrouw dd. 23 april 2019: email van [Y] [bedrijf3 2] dd. 24 maart 2016) en de betalingen ook aan deze vennootschap zijn verricht, is de rechtbank van oordeel dat het recht op de retentiebonus niet moet worden beschouwd als privé vermogen van de man, maar dat dit moet worden toegerekend aan het vermogen van [bedrijf] , waardoor de te verrekenen waarde van de aandelen hoger is dan waarvan de deskundige is uitgegaan.

2.6.

De man blijkt voorts een vergoeding voor de aandelen [bedrijf2 3] te hebben ontvangen. Hij heeft voor het eerst hiervan (gedeeltelijk) melding gemaakt bij brief van 13 december 2016 aan de deskundige. Hij gaf toen aan dat hij op 2 april 2014 een bedrag van

$ 308.442,42 (€ 222.653,88) had ontvangen. Uit de stukken is echter gebleken dat dit de eerste van drie betalingen was. Daarna volgden nog 2 termijnen, waarvan de laatste zou plaatsvinden op 31 maart 2018. Iedere aandeelhouder zou in totaal $ 47,07 per aandeel ontvangen. De vergoedingen werden niet ontvangen door [bedrijf] , maar door de man in privé. Op grond van deze en overige stukken (produktie 12 bij akte van de vrouw van 23 april 2019: emailwisseling tussen de man en mevrouw [YY] in februari 2014) is de rechtbank van oordeel dat niet [bedrijf] maar de man in privé aandeelhouder was. Het standpunt van de man dat de aandelen in juridische zin zijn eigendom waren en in economische zin eigendom van [bedrijf1] nu zij op de balans van [bedrijf1] stonden, wordt door de rechtbank verworpen. Het recht op de opbrengst van de aandelen vormt naar het oordeel van de rechtbank vermogen dat rechtstreeks in de verrekening huwelijkse voorwaarden tussen de man en de vrouw betrokken moet worden.

2.7.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man bij het einde van zijn dienstverband/ partnerschap bij [bedrijf2 4] een ontslagvergoeding heeft ontvangen. Deze moet volgens haar betrokken worden in de draagkracht van de man ter zake de door haar verzochte alimentatie. De man betwist dat hij een vergoeding zou hebben ontvangen.

De rechtbank stelt voorop dat uit de beëindigingsovereenkomst (productie A5 bij antwoordakte van de man van 3 augustus 2015) blijkt dat geen ontslagvergoeding zou worden betaald. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt evenmin van enige aanspraak ter zake. Daarbij komt dat

op de mondelinge behandeling voldoende aannemelijk is geworden dat de man is ontslagen wegens disfunctioneren en dat hem een langere termijn voor de beëindiging is gegund. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met een ontslagvergoeding. De verzoeken van de vrouw om de man te gelasten nadere stukken hierover in te brengen, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd en zullen dan ook worden afgewezen.

Afwikkeling huwelijksvermogensregime

2.8.

Met inachtneming van het vorenstaande en de beschikkingen van 10 juni 2015, 24 december 2015 en 12 juni 2016 zal de rechtbank na te melden bestanddelen met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime per de peildatum 31 maart 2014 bespreken:

a. appartement aan de [adres4 1] te [XXXX] ten name van de man;

b. auto’s;

c. sieraden;

d. saldi bankrekeningen;

e. beleggingsrekening [rekeningnummer] ;

f. waarde aandelen [bedrijf] inclusief retentiebonussen;

g. de waarde van het recht op betaling van de verkoopprijs voor de aandelen [bedrijf2 5] ;

h. [XXXXX] ;

i. auteursrechten man SMS;

j. polissen levensverzekering Interpolis;

k. lidmaatschap Dutch Golf;

l. de langlopende schuld van de man aan [bedrijf] ;

m. de rekening-courant schuld in [bedrijf] ;

n. de belastingaanslagen IB tot 1 april 2014;

o. erfpachtschuld pand [XXXX] ;

Ad a. Appartement aan de [adres4 1] te [XXXX]

2.9.

Gebleken is dat het pand inmiddels is verkocht voor € 426.000,=. Daarvan heeft de man € 26.000,= ontvangen. Een bedrag van € 400.000 staat in depot bij de notaris.

2.10.

Volgens de vrouw dient het bedrag van € 400.000,= te worden betrokken in de verrekening tussen partijen.

De man betwist dit en stelt zich op het standpunt dat de waarde op de peildatum bepalend is.

Daarvoor zijn 2 taxaties beschikbaar, te weten van € 235.000,= en van € 290.000,=. De man stelt voor om uit te gaan van € 235.000,= omdat deze taxatie het dichtst bij de peildatum ligt. Bovendien heeft hij het op de woning rustende recht van erfpacht van circa € 110.000,= na de peildatum afgekocht.

2.11.

Met de man is de rechtbank van oordeel dat voor de waarde van het appartement aan

de [adres4 2] niet dient te worden uitgegaan van de (latere) verkoopopbrengst, maar van de

waarde ten tijde van de peildatum. De rechtbank gaat daarvoor in redelijkheid uit van

€ 262.500,=, het gemiddelde van de genoemde taxatiewaardes voordat het erfpachtrecht

werd afgekocht.

Dat betekent dat krachtens verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden ter zake aan de vrouw een bedrag toekomt van € 131.250,=.

Ad b. De auto’s

2.12.

Partijen hebben zich op de mondelinge behandeling akkoord verklaard om voor wat betreft de waarde van de Citroën DC uit te gaan van een waarde van € 2.500,= en voor de waarde van de Saab uit te gaan van € 7.800,=, een en ander zoals is overwogen onder 2.24 van de beschikking van 24 december 2015. Verrekening leidt ertoe dat aan de man nog een bedrag toekomt van € 2.650,=.

Ad c. De sieraden

2.13.

Partijen zijn het erover eens dat de sieraden buiten de verrekening blijven, een en ander zoals eerder is overwogen onder rechtsoverweging (hierna: rov.) 3.25 sub c van de beschikking van 10 juni 2015.

Ad d. Saldi van de bankrekeningen

2.14.

In de beschikking van 24 december 2015 is in rov. 2.26 overwogen dat zowel door de man als door de vrouw nog nadere gegevens zouden moeten worden overgelegd van een aantal met name genoemde rekeningen.

2.15.

De man moest aantonen dat het saldo van de [rekeningnummer2] enkel bestond uit de erfenis van zijn moeder. Bij de brief van zijn voormalige advocaat van 15 maart 2016 heeft hij een mutatieoverzicht overgelegd en nogmaals aangegeven dat het saldo enkel gevormd was vanuit de nalatenschap van zijn moeder. Nu dit verder niet meer door vrouw is bestreden, oordeelt de rechtbank dat het saldo buiten de verrekening blijft.

2.16.

Voorts diende de man inzicht te geven in mutaties en saldo van de [rekeningnummer3] . De betreffende rekening blijkt voor de peildatum te zijn opgeheven. De gevraagde mutaties zijn niet overgelegd.

De vrouw heeft in haar antwoordakte van 17 september 2019 en de bijgevoegde productie 25 diverse gegevens met betrekking tot [rekeningnummer4] ten name van “en/of” (de zogenaamde keuzeplushypotheek) en een aantal ten name van de man staande bankrekeningen ( [rekeningnummer5] , [rekeningnummer6] ) overgelegd. Daaruit blijkt dat, voorafgaand aan de peildatum en ook nog vóór de eerste termijnbetalingen van retention bonus en aandelenopbrengst, vele mutaties op de keuzeplushypotheek door de man hebben plaatsgevonden. Zoals de vrouw aangeeft, is sprake geweest van bijboekingen tot een bedrag van € 264.000,= en van afboekingen c.q. opnames tot een bedrag van in totaal

€ 614.000,=. Daarmee is in totaal € 350.000,= van de gezamenlijke rekening naar andere rekeningen overgemaakt.

Ook heeft de vrouw erop gewezen dat de man blijkens productie 24 op 7 maart 2014 aandelen Robeco heeft verkocht, met een opbrengst van in totaal € 126.266,=.

Voorts leidt de rechtbank uit productie 24 bij dezelfde akte van de vrouw af dat kort voor de peildatum, te weten op 13 en 17 maart 2014, door de man van zijn privérekening waarop ook de beleggingsopbrengst was bijgeboekt een bedrag van in totaal € 430.000,= is overgemaakt naar zijn toenmalige vriendin mevrouw [YYY 1] . De man heeft ter zitting aangegeven dat dit ten titel van lening gebeurd is.

Niet ondenkbaar is dat in de hiervoor genoemde mutaties een dubbeltelling schuil gaat. Wat echter wel vast staat is, dat het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man veel hoger zou zijn geweest, als hij het bedrag niet zou hebben overgemaakt naar mevrouw [YYY 2] , met wie hij toen niet alleen privé maar kennelijk ook zakelijk geïnvolveerd was. In plaats van genoemd saldo van € 430.000,= is in feite een vordering voor een gelijk bedrag ontstaan. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om aan de zijde van de man een hoger banktegoed in aanmerking te nemen, te weten naast de in de beschikking van 24 december 2015 genoemde saldi van in totaal € 32.398,52 (rechtsoverweging 2.26, pagina 6, regel 22 en volgende) een bedrag van € 430.000,= , ofwel in totaal € 462.398,52. Dat betekent dat de vrouw recht heeft op de helft daarvan, zijnde € 231.199,26.

2.17.

De vrouw moest op grond van de beschikking van 24 december 2015 nog gegevens aanleveren over de saldi van een aantal bankrekeningen op haar naam. Bij brief van haar advocaat van 24 juni 2016 heeft zij aangegeven dat de eerder genoemde rekeningen bij ABN Amro nooit hebben bestaan en dat de rekeningen bij Centraal Beheer en Rabobank voor de peildatum zijn opgeheven. Ter zake de Ohrarekeningen heeft zij bij brief van 27 juni 2016 gegevens toegezonden. Rekeningnummer [rekeningnummer7] had per de peildatum een saldo van € 2.815,39, terwijl rekening [rekeningnummer8] een saldo van nihil had.

Aldus komt de rechtbank tot een totaal aan de zijde van de vrouw te verrekenen vermogen aan banksaldi van € 20.539,21 ( € 2815,39 + de in rechtsoverweging 2.26 pagina 6 regel 31 tot en met 36 genoemde saldi). Dat betekent dat aan de man ter zake toekomt € 10.269,60.

Ad e. De beleggingsrekening [rekeningnummer1]

2.18.

De rechtbank zal, overeenkomstig hetgeen in 2.27 van de beschikking van 24 december 2015 is overwogen, uitgaan van een saldo van € 14.026,66 per peildatum. De man dient aan de vrouw te voldoen de helft, zijnde € 7.013,33.

Ad f. De waarde van de aandelen [bedrijf] inclusief retentiebonus

2.19.

De deskundige heeft aan de hand van de hem ter beschikking gestelde gegevens de waarde van de aandelen [bedrijf] per 31 maart 2014 vastgesteld op € 666.866,=. Daarbij is de deskundige uitgegaan van de intrinsieke waarde van de aandelen. De man heeft zich achter deze waarde geschaard. De vrouw heeft hiertegen ingebracht dat de deskundige geen waarde kon vaststellen, omdat de man de gegevens waarom verschillende malen is verzocht, niet heeft overgelegd. Daardoor heeft de deskundige bij de waardering van de aandelen geen rekening kunnen houden met de retention bonus en de omstandigheid dat de juridische eigendom van de aandelen [bedrijf2 2] in handen van de man was en dat niet [bedrijf] maar de man de koopsom heeft ontvangen.

2.20.

De vrouw vraagt de rechtbank om de man opnieuw te gelasten de gevraagde informatie te verstrekken en – na het verstrekken van die informatie – een deskundige aan te stellen, teneinde onder meer de waarde van de aandelen vast te stellen.

2.21.

De rechtbank ziet geen aanleiding de man opnieuw in de gelegenheid te stellen de gevraagde inlichtingen te verstrekken, omdat hem reeds vele malen hierom gevraagd is en hij dit telkens heeft geweigerd. Het heeft dan ook geen zin een nieuwe deskundige aan te stellen. Dit betekent dat de verzoeken van de vrouw onder f. tot en met j. worden afgewezen. De rechtbank zal schattenderwijs de waarde van de aandelen vaststellen aan de hand van wat partijen hebben aangedragen.

2.22.

Bij de schatting van de waarde van de aandelen houdt de rechtbank geen rekening met eventuele goodwill. De rechtbank gaat ervan uit dat in de vennootschap geen overwinst zal resteren, gelet op de noodzaak van de man de door de vennootschap behaalde omzet nagenoeg geheel in de vorm van salaris op te nemen teneinde de hierna onder rov. 2.42. vastgestelde alimentatie te kunnen voldoen.

2.23.

Bij het vaststellen van de waarde van de aandelen [bedrijf] heeft de rechtbank de waarde van de aandelen [bedrijf2 6] (waarvan immers hiervoor in rechtsoverweging 2.6.is overwogen dat deze tot het privévermogen behoorden, ook al stonden deze op de balans van [bedrijf1] voor € 169.709,=) in mindering gebracht. Tevens heeft zij onder de noemer “diversen” een bedrag in mindering gebracht voor verschillende onzekere factoren. Daaronder vallen de latente vennootschaps- en inkomstenbelasting, de onzekerheid over de uitbetaling van de retention bonus alsmede prijs-, rente-, valuta- en invorderingsrisico’s.

2.24.

Dit leidt tot de volgende berekening:

Waardering aandelen door de deskundige: € 666.866,=

Af: aandelen [bedrijf2 1] BV € 169.709,= -/-

€ 497.157,=

Bij: retentiebonussen: 1e termijn € 277.387,=, 2e termijn € 270.695,=

3e termijn € 288.302,=, 4e termijn € 250.326,=

€ 1.086.710,=

€ 1.583.867,=

Af: diversen -/- € 383.876,=

Waarde aandelen [bedrijf] : € 1.200.000,=.

Het vorenstaande brengt mee dat aan de vrouw ter zake verrekening huwelijkse voorwaarden ten aanzien van deze post een bedrag toekomt van de helft, zijnde € 600.000,=.

Ad g. Het recht tot betaling van de verkoopprijs voor de aandelen Booz &Company BV.

2.25.

Zoals hiervoor vermeld had de man op de peildatum een aanspraak om in drie termijnen een vergoeding voor de aandelen te ontvangen te weten € 222.653,88 (1e termijn, 2 april 2014), € 35.955,38 (2e termijn per 22 augustus 2014) en € 64.899,44 (3e termijn per 31 maart 2018), derhalve in totaal € 323.508,70.

2.26.

Evenals bij de waardering van de aandelen [bedrijf] houdt de rechtbank rekening met een post diversen, waaronder prijs-, rente-, valuta- en invorderingsrisico’s. De rechtbank heeft deze begroot op € 23.508,70, zodat € 300.000,= in de verrekening dient te worden betrokken. Aan de vrouw komt aldus toe de helft, zijnde € 150.000,=.

Ad h. [XXXXX]

2.27.

In de beschikking van 24 december 2015 heeft de rechtbank in rov. 2.35 reeds overwogen dat het [XXXXX] niet in de verrekening wordt betrokken, omdat niet is komen vast te staan dat de man mede-eigenaar was. Weliswaar lijkt de vrouw zich in de nadere stukken op het standpunt te stellen dat de man wel mede-eigendom had, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft zij uitdrukkelijk gesteld geen bewijs van deze stelling te kunnen leveren. Het [XXXXX] blijft derhalve buiten de verrekening.

Ad i. Auteursrechten van de man SMS

2.28.

De vrouw betwist niet langer dat er op de peildatum geen sprake meer was van enige waarde aan auteursrechten. Ter zake wordt niets in de verrekening betrokken.

Ad j. De polissen levensverzekering Interpolis

2.29.

Vast staat dat er sprake is van een polis van de vrouw met polisnummer [polisnummer] met een waarde per peildatum van € 19.149,=. Deze zal in de verrekening worden betrokken. Ter zake komt aan de man toe de helft, ofwel € 9.574,50.

Op de mondelinge behandeling heeft de man onweersproken gesteld dat de overige polissen aan de hypotheekbank waren verpand en dat deze zijn verrekend bij de verkoop en levering van het pand aan de [adres5] . De rechtbank laat deze dan ook buiten beschouwing.

Ad l. Lidmaatschap man Dutch Golf

2.30.

Bij de mondelinge behandeling heeft de man erkend dat dit certificaat op zijn naam

staat en niet tot de activa van [bedrijf] behoort.

Het certificaat is gekocht voor € 45.000,=, maar de waarde per peildatum bedroeg € 20.000,= (productie 7 bij de brief van de vrouw van 10 augustus 2015), zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Aan de enkele stelling van de vrouw dat de waarde veel hoger moet zijn gaat de rechtbank als niet nader onderbouwd voorbij. De man is € 10.000,= schuldig aan de vrouw.

Ad l. Langlopende schuld van de man aan [bedrijf]

2.31.

De lening van [bedrijf] aan de man van € 220.000,= staat reeds vanaf 2012 in de balans van de vennootschap. In het jaar 2011 was deze lening er nog niet, maar bedroeg de schuld van de man in rekening courant € 350.296,=; deze laatste was in 2012 verminderd naar € 121.714,=. Zowel per 31 december 2013 als per 31 december 2014 was op deze lening niets afgelost, zodat ervan wordt uitgegaan dat de stand van de lening op de peildatum eveneens € 220.000,= bedroeg.

Ad m. De schuld in rekening courant aan [bedrijf]

2.32.

De schuld in rekening courant aan [bedrijf1] was per peildatum € 374.275,59 (produktie 5 bij de brief van de man van 10 augustus 2015). De vrouw wijst erop dat de schuld in 2013 zou worden teruggebracht naar € 74.000,= door middel van winstuitkeringen (produktie 8 bij akte van de vrouw 15 mei 2018), maar gebleken is dat dit nooit is gebeurd (produktie 9 bij de akte van de vrouw van 15 mei 2018). Dit betekent dat de rechtbank rekening houdt met een schuld aan [bedrijf] van € 374.275,59.

Ad n. De belastingaanslagen IB tot 1 april 2014;

2.33. 2.34.

De man is bij beschikking van 24 december 2015 (rov. 2.31) in de gelegenheid gesteld stukken ter zake over te leggen. Uit de door hem overgelegde stukken (productie 25 bij brief van 15-3-2016) blijkt van na de peildatum te betalen aanslagen over 4 jaren ter hoogte van €69.053,=. Nu deze aanslagen de rechtbank niet onredelijk voorkomen, zullen deze in de verrekening worden betrokken.

Ad o. De erfpachtschuld van het pand aan de [adres4 2] te [XXXX] ;

2.35.

De man heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat er per peildatum een schuld bestond ter hoogte van € 7.227,=. De rechtbank laat deze buiten beschouwing.

Resumé

2.36.

Het voorgaande leidt tot het volgende resumé.

De man dient aan de vrouw ter zake verrekening te voldoen:

- ter zake de waarde van het appartement te [XXXX] (rov. 2.11) € 131.250,=

- ter zake de saldi van zijn bankrekeningen ( rov. 2.16) € 231.199,26

- ter zake de beleggingsrekening 17842514 (rov. 2.18) € 7.013,33

- ter zake de waarde aandelen [bedrijf1] ( rov. 2.24) € 600.000,=

- ter zake het recht op de opbrengst van de aandelen [bedrijf2 6] (rov.2.26) € 150.000,=

- ter zake het lidmaatschap Dutch Golf ( rov. 2.30) € 10.000,=

Minus:

- helft langlopende lening bij [bedrijf1] (rov. 2.31) € 110.000,= -/-

- helft schuld in rekening courant aan [bedrijf1] (rov. 2.32) € 187.137,79-/-

- helft belastingaanslagen over periode tot 31-3-2014 (rov. 2.34) € 34.526,50-/-

Derhalve in totaal: € 797.798,30.

De vrouw dient aan de man te voldoen:

- ter zake de auto’s (rov. 2.12) € 2.650,=

- ter zake de saldi van haar bankrekeningen (rov. 2.17) € 10.269,60

- ter zake de polis met nummer [polisnummer] bij Interpolis (rov. 2.29) € 9.574,50

Derhalve in totaal: € 22.494,10.

2.37.

Per saldo dient de man ter zake de verrekening huwelijkse voorwaarden aan de vrouw te voldoen de somma van € 775.304,20.

De partneralimentatie

2.38.

In de beschikking van 24 december 2015 is de netto huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man vastgesteld op € 21.565,57 per maand. Gelet op haar eigen inkomen van € 3.198,= netto per maand is de netto aanvullende behoefte van de vrouw bepaald op € 18.367,57 netto ofwel € 36.735,= bruto per maand. Door de vrouw is voldoende aannemelijk gemaakt dat haar inkomen vanaf 24 december 2015 nagenoeg gelijk is gebleven. Zij verricht immers nog dezelfde werkzaamheden bij dezelfde werkgever en zit, net als destijds, in haar eindschaal. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding haar te veroordelen tot het overleggen van bankafschriften voor wat betreft haar inkomen over de periode 2012-2019. Het verzoek van de man onder 1 wordt afgewezen.

De rechtbank houdt geen rekening met het eventueel interen op het vermogen dat aan de vrouw toekomt in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime. Onduidelijk en onzeker is of de vrouw binnen afzienbare tijd zal kunnen beschikken over hetgeen haar krachtens de verrekening huwelijkse voorwaarden toekomt.

2.39.

Ter beoordeling staat de draagkracht van de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te weten 1 oktober 2015.

2.40.

De man betwist de draagkracht te bezitten tot het voldoen van enige onderhoudsbijdrage aan de vrouw. Volgens de vrouw is de man in staat om volledig in haar bruto aanvullende behoefte te voorzien.

2.41.

De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van de man ligt, nu hij stelt over onvoldoende draagkracht te beschikken om de verzochte bijdrage te voldoen, om voldoende gespecificeerde gegevens te verschaffen op grond waarvan zijn draagkracht kan worden bepaald.

De man heeft echter volstaan met enkele stellingen over zijn draagkracht en met zeer beperkte informatie over zijn inkomen vanaf oktober 2015. Hoewel het uitgangspunt is dat het niet de taak van de rechtbank is om het gestelde gebrek aan draagkracht te onderzoeken wanneer de onderhoudsplichtige een degelijke onderbouwing achterwege laat, leidt de rechtbank uit de stellingen en de wel – hoofdzakelijk door de vrouw - overgelegde stukken het volgende af:

- In 2015 ontving de man een vergoeding van de [werkgever1 1] van € 20.000,= per jaar. Daarnaast ontving hij van de [werkgever2 1] een vergoeding van € 6.115,= op jaarbasis. Tot 1 oktober 2015 was hij – via [bedrijf] – werkzaam bij [bedrijf3 2] , waarvoor hij een managementvergoeding ontving van € 320.008,=. Voorts is gebleken (productie 19 bij antwoordakte vrouw van 17-9-2-19) dat de man in 2015 via [bedrijf4] (een vennootschap van zijn vriendin, mevrouw [YYY 2] ) vergoedingen declareerde voor door hem verrichte werkzaamheden of verleende diensten: in dat jaar ging het om € 56.800,= exclusief BTW.

- In 2016 werd door de man € 45.375 van de [werkgever3] ontvangen en werd door [bedrijf3 2] aan [bedrijf1] een bedrag van € 100.220,= overgemaakt, exclusief de retentiebonus die - zoals eerder overwogen - niet in aanmerking wordt genomen voor de draagkracht. Ook dat jaar ontving de man € 20.000,= van de [werkgever1 2] en € 6.000,= van de [werkgever2 1] .

- In 2017 ontving de man € 1.815,= van de [werkgever4 1] en € 3.025,= van de [werkgever5] . Verder blijkt van inkomsten van de [werkgever6] ad

€ 54.450,= en van de [werkgever2 1] van € 6.050,=.

- In 2018 was sprake van inkomsten vanuit [werkgever7] van in totaal

€ 273.581,=. Verder werd dat jaar op de rekening van [bedrijf] € 4.537,50 van [werkgever2 2] ontvangen, € 1.815,= van [werkgever4 2] , € 3.325,= en € 867,20 van [werkgever8] en

€ 1.650,92 van [werkgever9] .

- Van januari 2019 tot april 2019 ontving de man van [werkgever4 2] € 2.722,50, van [werkgever8]

€ 1.734,40 en van [werkgever7] € 50.578,= + € 6.897,=.

2.42.

Hiermee is echter geen volledig beeld van zijn inkomen en lasten ontstaan. Ondanks herhaaldelijk verzoek van de vrouw en bepalingen daaromtrent in de voorafgaande beschikkingen van de rechtbank ontbreken onder meer privébankafschriften, de jaarrekeningen van [bedrijf] vanaf 2016, en de meeste aangiften en aanslagen inkomstenbelasting vanaf 2015. Verder is onduidelijk gebleven of en zo ja welk inkomen de man na 2015 uit [bedrijf4] genoot. Ook ontbreekt ieder overzicht van zijn lasten.

De man heeft aangevoerd dat hem de middelen ontbreken om de jaarstukken en de belastingaangiften te laten opmaken, maar naar het oordeel van de rechtbank had het op zijn weg gelegen de rechtbank inzicht te verschaffen in (het verloop van) zijn inkomsten en lasten, bijvoorbeeld door een volledig overzicht van opdrachten, facturen en betalingen over te leggen. De rechtbank ziet dan ook geen enkele aanleiding om de zaak aan te houden om de jaarstukken alsnog te laten opmaken. Het verzoek van de man zoals geformuleerd sub 5 in rov. 1.12. wordt afgewezen.

Gelet op dit alles acht de rechtbank zich onvoldoende en onvolledig voorgelicht om de draagkracht van de man op de geijkte wijze te kunnen vaststellen of zelfs te schatten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man niet voldaan aan de verplichting van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om de rechter en de wederpartij juist en volledig voor te lichten. Dat de man door psychische omstandigheden niet in staat was de benodigde stukken over te leggen is onvoldoende gemotiveerd. Opmerkelijk is immers dat de man blijkens de in rov. 2.41 genoemde inkomsten wel in staat was allerlei werkzaamheden te verrichten. Het feit dat de man zijn gestelde gebrek aan draagkracht niet, dan wel onvoldoende heeft onderbouwd, dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor rekening en risico van de man te komen. Dat het naar zijn zeggen bij hem een administratieve puinhoop is doet daaraan niet af. De rechtbank gaat ervan uit dat de man over voldoende draagkracht heeft beschikt en nog beschikt om te voorzien in de aanvullende bruto behoefte van de vrouw van € 36.735,= per maand. Die alimentatie zal derhalve worden vastgesteld.

2.43.

De man heeft, kennelijk in verband met de alimentatie, een tweetal aanvullende verzoeken gedaan, zoals geformuleerd in rov. 1.12. onder 3 en 4. Dat de vrouw een bedrag van € 110.000,= zou hebben opgenomen is door de vrouw betwist en voor het overige door de man niet onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts sprake van een fishing expedition van de man. Beide verzoeken zullen worden afgewezen.

2.44.

Ook het verzoek van de man dat de vrouw hem dient te informeren hoe zij aan bepaalde vertrouwelijke informatie is gekomen (rov. 1.12. onder 2) zal worden afgewezen, omdat dit niet als een nevenvoorziening in een echtscheidingsprocedure kan worden beschouwd en de man hier ook geen juridische grondslag voor heeft aangevoerd.

2.45.

Hiervoor is in rov. 2.21. reeds overwogen dat de verzoeken van de vrouw om de man te veroordelen nadere gegevens in het geding te brengen (rov. 1.13 onder g. tot en met j.) zullen worden afgewezen, nu de rechtbank thans in definitieve zin zal beslissen over hetgeen partijen verdeeld houdt.

De kosten van de deskundige en de (overige) proceskosten

2.46.

Ieder van partijen heeft de helft van het voorschot van de deskundige van € 8.240,= exclusief BTW (€ 9.970,40 inclusief BTW) voldaan. De eindnota was gelijk aan het voorschot. Nu het gebrek aan juiste voorlichting van de deskundige en daarmee de vertraging in diens werkzaamheden met name door de man is veroorzaakt, acht de rechtbank het redelijk dat de nota geheel door de man wordt gedragen. Dat betekent dat het hierop betrekking hebbende verzoek van de vrouw zal worden toegewezen. De man dient de (andere) helft van de kosten van de deskundige, zijnde € 4.985,20, aan de vrouw te voldoen.

2.47.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten voor het overige tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat partijen hun huwelijkse voorwaarden dienen af te wikkelen conform de rechtsoverwegingen 2.36. en 2.37., met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 2.8. tot en met 2.35., en bepaalt dat de man deswege aan de vrouw dient te voldoen de somma van € 775.304,20 ( zevenhonderdvijfenzeventigduizend driehonderdvier euro en twintig cent);

3.2.

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf 1 oktober 2015 aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 36.735,= (zesendertigduizend zevenhonderdvijfendertig euro) per maand;

3.3.

bepaalt dat de man de volledige kosten van de deskundige dient te dragen en veroordeelt hem om aan de vrouw een bedrag te voldoen van € 4.985,20 (vierduizend negenhonderdvijfentachtig euro en twintig cent);

3.4.

compenseert de kosten van het geding voor het overige aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Gimbrère-Straetmans, mr. Meyboom en mr. drs. Spek, in tegenwoordigheid van mr. van der Plas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

verzonden op:

In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature