< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Grond van gemeente door inbezitneming verloren? Is sprake van verkrijgende verjaring?

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/367711 / HA ZA 20-34

Vonnis van 18 november 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ETTEN-LEUR,

zetelend te Etten-Leur ,

eiseres,

advocaat mr. B.F.J. Bollen te Tilburg,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. A.J.M. van der Borst te Etten-Leur.

Eiseres zal hierna de gemeente worden genoemd. Gedaagde sub 1 en 2 zullen hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden en gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) worden aangeduid als [gedaagden] Gedaagde sub 3 zal [gedaagde sub 2] sr. worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 24 juni 2020 en de daarin genoemde stukken,

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 september 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de onbetwiste inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.2.

Bij akte van 14 augustus 2018 (productie 3 bij dagvaarding) heeft [gedaagden] de eigendom van een perceel grond met woning en verdere aanhorigheden gelegen te [postcode] [woonplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie K, nummer 2330 (hierna: het perceel), geleverd gekregen van [gedaagde sub 2] sr., de vader van [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] sr. heeft het perceel op 26 november 1982 verworven.

2.3.

Volgens de Basisregistratie Kadaster (hierna: het kadaster) (productie 2 bij dagvaarding) is de gemeente eigenaar van het perceel met kadastrale aanduiding gemeente [woonplaats] , sectie K, nummer 4043, dat de [straat naam 1] tot aan de rotonde betreft en dat grenst aan de zijkant van het perceel van [gedaagden] De gemeente is volgens het kadaster (productie 2 bij dagvaarding) ook eigenaar van het perceel met kadastrale aanduiding gemeente [woonplaats] sectie K, nummer 3965, dat de [straat naam 2] inclusief de rotonde betreft en dat grenst aan de voorzijde van het perceel van [gedaagden]

2.4.

De gemeente heeft begin 2019 onderzoek gedaan naar het gebruik van gemeentegrond en geconstateerd dat [gedaagden] een deel van perceel sectie K, nummer 4043 en een deel van perceel sectie K, nummer 3965 in gebruik heeft. Het gaat om de op onderstaande situatietekening (overgelegd als productie 5 bij dagvaarding) gemarkeerde delen grenzend aan de voorkant en zijkant van het perceel van [gedaagden] (hierna ook wel aangeduid als “de strook grond aan de voorkant”, “de strook grond aan de zijkant” en tezamen als “de stroken grond”). De in gebruik zijnde strook grond aan de voorkant bedraagt circa 12 m² en de in gebruik zijnde strook grond aan de zijkant circa 108 m².

2.5.

Blijkens recente foto’s, overgelegd onder productie 6 bij conclusie van antwoord, bevindt zich thans op de strook grond aan de voorkant een ligusterheg. Deze ligusterheg loopt in een boog door op de strook grond aan de zijkant. Op die strook bevinden zich aldus een ligusterheg en voorts, achtereenvolgens, een (thans elektrische) poort en (deels) een aarden geluidwal met daarop een laurierhaag.

2.6.

Bij brieven van 15 maart 2019 (productie 7 en 8 bij dagvaarding) heeft de gemeente [gedaagden] bericht dat zij gebruik maakt van stroken gemeentegrond gelegen aan de voor- en zijkant van haar woning, welke grond - vanwege de aanwezigheid van leidingen - niet uitgeefbaar is en gevraagd de gemeentegrond te ontruimen en vrij van verhardingen, bebouwingen en beplanting aan de gemeente op te leveren ofwel ervoor te opteren de stroken grond van de gemeente te huren.

2.7.

Op 17 mei 2019 heeft [gedaagden] zich op het spreekuur van de gemeente gemeld, van welk gesprek de gemeente een gespreksverslag met de volgende inhoud heeft opgesteld en overgelegd (productie 10 bij dagvaarding):

“(…) U heeft tijdens het gesprek het ontstaan van het grondgebruik voor onze projectmedewerkers geschetst. Het grondgebruik is ontstaan doordat een oud van de groenvoorziening van gemeente [woonplaats] heeft aangegeven dat u een deel van de betreffende strook mocht onderhouden. En rond 1992 bij de aanleg van de rotonde heeft een oud wethouder van de gemeente [woonplaats] de strook gemeentegrond in gebruik gegeven.

U vindt het daarom onterecht dat u nu wordt verzocht om hier alsnog schriftelijke afspraken met de gemeente over te maken.

Inmiddels heeft u juridisch advies ingewonnen en bent u daardoor van mening dat u door verjaring eigenaar bent geworden van de gemeentegrond. U heeft aangegeven dat u geen afspraken met de gemeente wilt maken over de strook gemeentegrond en dat u de rechter uitspraak wil laten doen over deze kwestie.

(…)”

2.8.

Bij brief van 11 november 2019 (productie 18 bij dagvaarding) heeft de advocaat van de gemeente [gedaagden] gesommeerd om het gebruik van gemeentegrond te staken en de grond geheel ontruimd aan de gemeente op te leveren.

2.9.

Bij e-mail van 15 november 2019 (productie 19 bij dagvaarding) heeft de advocaat van [gedaagden] aan de advocaat van de gemeente laten weten dat [gedaagden] niet aan de sommatie zal voldoen.

2.10.

Onder productie 20 bij dagvaarding heeft de gemeente een door [gedaagde sub 2] sr. op 19 juni 2019 ondertekende verklaring met de volgende inhoud overgelegd:

“(…)

Ondergetekende [gedaagde sub 2] bewoner van het pand [adres] van 1982 tot en met 2016, verklaart hierbij dat begin jaren 90 door de afsluiting van de [adres] richting [straat naam 2] en de aanleg van de rotonde aldaar, grond vrij kwam bij huizen 2, 4 en 4a. De verantwoordelijk wethouder van de Gemeente Etten-Leur heeft toen de eigenaren gevraagd om deze vrijgekomen grond te onderhouden aangezien die mooi aansloot bij de voortuinen. Bij alle 3 de percelen zijn toen ligusterheggen geplant ten einde de tuin af te sluiten van de openbare weg/trottoir.

(…)”

2.11.

Onder productie 2 bij conclusie van antwoord hebben [gedaagden] en [gedaagde sub 2] sr. een verklaring van de heer [persoon 2] met de volgende inhoud overgelegd:

“(…) Ondergetekende Theo [persoon 2] verklaart hierbij dat ik in Oktober 1983 de laurierhaag, die het perceel afscheidt van het trottoir aan de [straat naam 1] (behorend bij het huis van de familie [gedaagde sub 2] , [adres] .), heb aangeplant. (…)”

2.12.

Onder productie 4 bij conclusie van antwoord hebben [gedaagden] en [gedaagde sub 2] sr. een verklaring van de heer [persoon 1] met de volgende inhoud overgelegd:

“(…) Ondergetekende [persoon 1] , verklaart hierbij dat ik in Oktober 1990 een ligusterheg heb geplant rondom de tuin van de familie [gedaagde sub 2] , [adres] in [woonplaats] vanaf de voorzijde aan de Haansberg tot aan de geluidswal aan de [straat naam 1] . De heg is geplant achter de opsluitband van het trottoir. (…)”

3 Het geschil

3.1.

De gemeente vordert (na vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling) dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. [gedaagden] te veroordelen over te gaan tot staking van het gebruik van de stroken grond, welke aangeduid zijn op productie 5 bij dagvaarding, alles op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 5.000,00 dat [gedaagden] niet aan het ten deze te wijzen vonnis voldoen;

Subsidiair

II. [gedaagde sub 2] sr. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.000,00 aan schadevergoeding;

Primair en subsidiair

III. [gedaagden] en [gedaagde sub 2] sr. te veroordelen in de kosten van de procedure waaronder de nakosten en daarbij te bepalen dat indien en voor zover de proceskostenveroordeling niet binnen 14 dagen na betekening voldaan is, [gedaagden] daarover de wettelijke rente is verschuldigd.

3.2.

De gemeente legt - kort samengevat - aan haar primaire vordering ten grondslag dat [gedaagden] geen eigenaar van de gemeentegrond is en derhalve inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de gemeente. Subsidiair, voor zoveel geoordeeld wordt dat de gemeente haar eigendom door verjaring verloren heeft, vordert de gemeente schadevergoeding van [gedaagde sub 2] sr. Daaraan legt de gemeente ten grondslag dat [gedaagde sub 2] sr. de stroken grond te kwader trouw in bezit genomen heeft, uit dien hoofde onrechtmatig jegens de gemeente gehandeld heeft en derhalve gehouden is de door de gemeente geleden schade te vergoeden.

3.3.

De conclusie van [gedaagden] strekt tot afwijzing van de primaire vordering met veroordeling van de gemeente in de proceskosten. [gedaagden] voert daartoe primair aan dat zij de eigendom van de stroken grond krachtens geldige titel verworven heeft van [gedaagde sub 2] sr. Subsidiair voert [gedaagden] aan dat de gemeente haar eigendom verloren heeft doordat [gedaagde sub 2] sr. het onafgebroken bezit van de stroken grond heeft gehad gedurende de voor verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 Burgerlijk Wetboek (BW), althans gedurende de voor bevrijdende verjaring ex artikel 3:105 juncto artikelen 3:306 en 3:314 BW vereiste termijn.

3.4.

Ook de conclusie van [gedaagde sub 2] sr. strekt tot afwijzing van de (tot hem gerichte subsidiaire) vordering met veroordeling van de gemeente in de proceskosten. [gedaagde sub 2] sr. betwist dat hij onrechtmatig gehandeld heeft, betwist het bestaan en de omvang van de gestelde schade en voert aan dat een eventuele vordering tot schadevergoeding verjaard is.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Niet in geschil is dat de stroken grond volgens de kadastrale gegevens tot percelen behoren die eigendom zijn van de gemeente. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [gedaagden] krachtens geldige titel, dan wel door middel van (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring de eigendom van de stroken grond verkregen heeft en zo ja of [gedaagde sub 2] sr. uit hoofde van onrechtmatige daad gehouden is de dientengevolge door de gemeente gestelde schade te vergoeden.

Eigendomsverkrijging ten titel van koop en levering?

4.2.

[gedaagden] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zij in 2018 krachtens rechtsgeldige titel de eigendom verworven heeft van het perceel aan de [adres] zoals dat thans, inclusief de stroken grond, bij haar in gebruik is. [gedaagden] voert daartoe aan dat de tuin op het moment van de levering de stroken grond omvatte en dat zij daarom mocht aannemen dat het perceel inclusief de stroken grond aan haar in eigendom werd geleverd.

4.3.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Voorstelbaar is dat het feitelijk gebruik van de tuin door [gedaagde sub 2] sr. bij [gedaagden] tot bepaalde verwachtingen omtrent de omvang van het geleverde heeft geleid, maar deze verwachtingen zijn als zodanig niet van belang. Voor de beantwoording van de vraag wat in 2018 aan [gedaagden] is geleverd, komt het aan op de in de akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, af te leiden uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. De desbetreffende akte (productie 3 bij dagvaarding) bepaalt dat wordt geleverd - kort gezegd - het perceel aan de [adres] , groot zes are en vijfenzestig centiare (6 a 65 ca). Gesteld noch gebleken is dat de akte van levering ruimte laat om te concluderen dat het de bedoeling van partijen is geweest om op 14 augustus 2018 een perceel grond met een grotere oppervlakte dan 6 a 65 ca over te dragen, te weten inclusief de stroken grond waarvan de gemeente in deze procedure ontruiming vordert. Het gevolg is dat krachtens voornoemde leveringsakte [gedaagden] geen eigenaar is geworden van de stroken grond.

Eigendomsverkrijging krachtens verjaring?

4.4.

Subsidiair heeft [gedaagden] zich op het standpunt gesteld dat de gemeente door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring de eigendom van de stroken grond verloren heeft. Zowel voor een geslaagd beroep op verjaring in het kader van artikel 3:99 BW, als in het kader van artikel 3:105 BW is ondubbelzinnig bezit een vereiste. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ligt het op de weg van [gedaagden] - die zich op de rechtgevolgen van verjaring beroept - om feiten en/of omstandigheden te stellen, en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, waarop kan worden gebaseerd dat er sprake is van ondubbelzinnig bezit van de (ter discussie staande) stroken grond.

4.5.

Bij de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, stelt de rechtbank voorop dat bepalend is of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Die machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (Parl. Gesch. Boek 3, p. 434 en HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743, NJ 2016/78 m.nt. F.M.J. Verstijlen). Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Alle omstandigheden van het geval moeten daartoe tegen elkaar worden afgewogen, waarbij het primair aankomt op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvatting een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Nodig is dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, zodat deze tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen (HR 15 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0826 NJ 1993, 178).

4.6.

Onder art. 1992 BW (oud) gold dat voor verkrijging door verjaring sprake moest zijn van openbaar en niet dubbelzinnig bezit. Blijkens de parlementaire geschiedenis dienen deze vereisten nu besloten geacht te liggen in de wettekst van art. 3:107 BW e.v. (TM, Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 408).

4.7.

In dit geval heeft de rechtbank te oordelen over een gestelde inbezitneming van een onroerende zaak die eigendom was van de gemeente. De rechtbank overweegt in dit verband dat bij onroerende zaken - die men niet van hun plaats kan wegvoeren en waarvan de eigendom staat geregistreerd in notariële aktes van levering die bij het kadaster worden ingeschreven - niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet-rechthebbende pleegt te worden aangenomen. In zijn algemeenheid is dat des te meer het geval indien het gaat om de veelvuldig voorkomende situatie waarin een strook grond die eigendom is van een gemeente en grenst aan een particulier perceel, in gebruik wordt genomen door een particulier. Zo zal het gebruiken, beplanten en onderhouden van een dergelijke strook grond in beginsel niet snel tot de conclusie kunnen leiden dat daarmee naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter (de gemeente) teniet is gegaan.

Is sprake van geweest van inbezitneming?

4.8.

Gelet op voornoemde uitgangspunten ligt allereerst ter beantwoording de vraag voor of sprake is geweest van inbezitneming van de stroken grond door [gedaagden] of [gedaagde sub 2] sr. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Daarvoor is het volgende redengevend. De tuin van [gedaagden] is omringd door een poort en een heg die weliswaar deels (aan de voorzijde) niet zeer hoog is, maar die wel aaneengesloten en ‘ondoordringbaar’ is. Omdat de tuin, zowel aan de voorkant als aan de zijkant, volledig is omheind en afgesloten met een poort, vormen de stroken grond één geheel met de tuin van [gedaagden] De huidige vormgeving van de afscheiding fungeert aldus feitelijk als afscheiding van het perceel met als doel het exclusieve gebruik van die tuin te verschaffen aan [gedaagden] De stroken grond zijn voor derden – en dus ook voor de gemeente – niet anders te betreden dan via de afgesloten poort. Door het feitelijke gebruik van de stroken grond wordt de gemeente de toegang tot de betwiste stroken grond ontzegd. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een openbare en ondubbelzinnige wijze van inbezitneming. Terzijde overweegt de rechtbank nog dat deze inbreuk op de eigendom van de gemeente in het onderhavige geval bij uitstek in de openbaarheid treedt omdat de stroken grond direct in het zicht van een drukke openbare weg in Etten-Leur liggen.

4.9.

Het verweer van de gemeente dat dit geval zich laat vergelijken met het geval waarin is geoordeeld in gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 maart 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:1059) verwerpt de rechtbank. De rechtbank is het met het hof eens dat – zoals reeds hiervoor is overwogen – in het geval van een bezitspretentie met betrekking tot een strook publieke eigendom, deze bezitspretentie kritisch zal moeten worden bezien en in zijn algemeenheid niet te snel dient te worden geoordeeld dat sprake is geweest van inbezitneming van publieke stroken grond. Of een gebruik, beoordeeld naar objectieve, uiterlijk waarneembare omstandigheden als hiervoor omschreven, kwalificeert als bezit, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De rechtbank oordeelt dat de feitelijke situatie in het onderhavige geval op relevante wijze verschilt van de situatie die voorlag in voornoemd arrest. Zo is gesteld noch gebleken dat op een reeds bestaande groenstrook beplanting is vervangen en is in dit geval geen sprake van ‘een groenstrook’ die bij de tuin lijkt te horen. In dit geval is sprake geweest van het op enig moment plaatsen van beplanting met als gevolg dat daarmee voor derden op een visueel onmiskenbare wijze de betwiste stroken grond onderdeel zijn geworden van de tuin. In dit geval is aldus sprake van een situatie waarin op ondubbelzinnige wijze de perceelgrens is verschoven. Zou het standpunt van de gemeente ook in een geval als het onderhavige worden gevolgd, dan zou dat feitelijk erop neerkomen dat vrijwel nooit geconcludeerd zal kunnen worden dat sprake is geweest van inbezitneming bij grond in publiek eigendom, hetgeen bezwaarlijk als juist kan worden aanvaard.

Gebruiksovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde sub 2] sr.?

4.10.

Voor wat betreft de strook grond aan de voorkant heeft de gemeente feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgens de gemeente kan worden afgeleid dat zij mocht veronderstellen dat [gedaagde sub 2] sr. zich bij het gebruik van die strook grond niet als eigenaar beschouwde, maar op andere gronden meende dat hij deze grond mocht gebruiken, zodat de eigendom van de gemeente geen gevaar liep. De gemeente stelt daartoe dat [gedaagde sub 2] sr. de, in 1990 bij aanleg van de rotonde vrijgekomen, strook grond aan de voorkant met instemming van de gemeente is gaan gebruiken, zodat sprake is van houderschap. De gemeente onderbouwt dit door het overleggen van het (hiervoor geciteerde) gespreksverslag van het gesprek dat zij op 17 mei 2019 met [gedaagden] had (productie 10 bij de dagvaarding) en door het overleggen van de (hiervoor geciteerde) door [gedaagde sub 2] sr. ondertekende verklaring (productie 20 bij dagvaarding).

4.11.

[gedaagden] heeft het bestaan van een dergelijke afspraak tot ingebruikneming betwist. [gedaagden] heeft ter zitting betwist dat zij in het gesprek op 17 mei 2019 heeft gezegd dat de strook grond aan de voorkant in 1992 door de gemeente aan [gedaagde sub 2] sr. in gebruik is gegeven om te onderhouden en zij stelt dat de verklaring onder productie 20 bij dagvaarding niet door [gedaagde sub 2] sr. zelf opgesteld en aan de gemeente verstrekt is, maar dat deze verklaring op verzoek van een van de buren door [gedaagde sub 2] sr. ondertekend is, reden waarom daaraan niet de betekenis kan worden toegekend die de gemeente daaraan hecht.

4.12.

Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagden] het bestaan van een bruikleenovereenkomst voldoende gemotiveerd heeft betwist stelt de rechtbank het volgende voorop. Een overgelegd gesprekverslag vermeldt dat [gedaagden] tijdens het spreekuur ‘snippergroen’ heeft aangegeven - kort gezegd - dat het betwiste grondgebruik rond 1992 bij de aanleg van de rotonde is ontstaan doordat een oud wethouder van de gemeente [woonplaats] de strook gemeentegrond in gebruik heeft gegeven om te onderhouden. In deze procedure is ook een door [gedaagde sub 2] sr. ondertekende verklaring overgelegd waarin het voorgaande door hem wordt bevestigd. Eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagden] (ook voor [gedaagde sub 2] sr.) zich op het standpunt gesteld dat van ingebruikneming in overleg met de gemeente geen sprake is geweest. De verklaringen die ter zitting zijn gegeven door [gedaagden] voor de omstandigheid dat eerst tijdens de mondelinge behandeling een ander standpunt wordt ingenomen dan zoals dat naar voren komt uit zowel het gesprekverslag als de overgelegde verklaring van [gedaagde sub 2] sr. acht de rechtbank vooralsnog weinig geloofwaardig. De rechtbank acht het evenwel ook niet onwaarschijnlijk dat [gedaagden] en [gedaagde sub 2] sr. zich eerder slechts op het standpunt hebben gesteld dat de strook grond aan de voorkant in gebruik is genomen in overleg met de gemeente omdat zij aanvankelijk dachten dat dit voor hen gunstig zou zijn, terwijl zij inmiddels daarover anders zijn gaan denken. Wat hier ook van zij, het ligt volgens de rechtbank in elk geval voor de hand te veronderstellen dat indien de gemeente de strook grond daadwerkelijk in bruikleen heeft gegeven na aanleg van de rotonde, deze afspraak schriftelijk zou zijn vastgelegd. Gelet op al het voorgaande is het bestaan van voornoemde bruikleen overeenkomst in rechte vooralsnog niet komen vast te staan en acht de rechtbank ook onvoldoende grond aanwezig om het bestaan van deze overeenkomst voorshands te aanvaarden. De rechtbank zal de gemeente toelaten tot het leveren van bewijs op de wijze als nader aan te geven in het dictum.

4.13.

In afwachting van de resultaten van de bewijslevering zal de rechtbank iedere verdere beslissing aangaande de strook grond aan de voorkant aanhouden.

Duur van het bezit

4.14.

Nu - ten minste voor de strook grond aan de zijkant - sprake is geweest van inbezitneming, heeft de rechtbank de vraag te beantwoorden op welk moment en hoe lang daarvan sprake is geweest. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan beoordeling van het (subsidiaire) beroep op verkrijgende verjaring van [gedaagden]

4.15.

Indien de gemeente niet zal slagen in het leveren van het aan haar hiervoor opgedragen bewijs, ter zake van het bestaan van een uitdrukkelijke of stilzwijgende afspraak of (bruikleen)overeenkomst tussen de gemeente en [gedaagde sub 2] sr. ten aanzien van de strook grond aan de voorkant, zal de rechtbank dienen te beoordelen op welk moment en hoe lang sprake is geweest van bezit van de strook grond aan de voorkant. Om proceseconomische redenen gaat de rechtbank hierna over tot beoordeling van deze vragen voor zowel de strook grond aan de voorkant als de strook grond aan de zijkant.

Bezit te goeder trouw gedurende tien jaar?

4.16.

Er is sprake van verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 BW indien [gedaagden] dan wel hun rechtsvoorganger [gedaagde sub 2] sr., als bezitter te goeder trouw de stroken grond gedurende tien jaar onafgebroken in zijn/hun bezit heeft/hebben gehad. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze als zodanig mocht beschouwen (artikel 3:118 BW). Uit hoofde van artikel 3:102 BW mag voor de vereiste tijdsduur van tien jaren de reeds verstreken verjaringstermijn ten gunste van de rechtsvoorganger worden opgeteld, in geval van goede trouw. Vaststaat dat [gedaagden] het perceel in 2018 heeft verworven en zij het perceel en de stroken grond dus niet gedurende tien jaar in bezit heeft. Derhalve moet beoordeeld worden of [gedaagde sub 2] sr. bezitter te goeder trouw was en of [gedaagden] hem in dat bezit heeft opgevolgd.

4.17.

[gedaagden] stelt dat [gedaagde sub 2] sr. gedurende tien jaar bezitter te goeder trouw is geweest. [gedaagden] voert daarbij aan dat de omstandigheid dat [gedaagde sub 2] sr. uit de kadastrale registratie de werkelijke erfgrenzen zou hebben kunnen afleiden, niet in de weg staat aan een beroep op de goede trouw, aangezien de kadastrale registratie geen deel uitmaakt van de openbare registers als bedoeld in artikel 3:23 BW .

4.18.

Volgens de gemeente kan [gedaagde sub 2] sr. niet als te goeder trouw worden aangemerkt. De gemeente beroept zich op het bepaalde in artikel 3:23 BW waarin is bepaald dat het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw niet wordt aanvaard wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de openbare registers zouden zijn gekend. De gemeente stelt dat de eigendom van de stroken grond uit het kadaster opgemaakt had kunnen worden.

4.19.

De rechtbank volgt [gedaagden] in haar standpunt dat de kadastrale registratie geen deel uitmaakt van de openbare registers als bedoeld in artikel 3:23 BW . De rechtbank stelt verder vast dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 2] sr. bij gelegenheid van de levering in 1982 kennis heeft genomen van een kadastrale kaart (er is ook niet gebleken dat zich een dergelijke kaart bij de akte bevond), die voor hem aanleiding had kunnen vormen om zich nader te laten informeren bij het kadaster. Bij die stand van zaken kan het beroep op artikel 3:23 BW de gemeente niet baten.

Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat [gedaagden] haar stelling dat zij [gedaagde sub 2] sr. heeft opgevolgd in zijn bezit te goeder trouw, onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagden] heeft verklaringen van derden overgelegd die erop duiden dat de bestaande beplanting die fungeert als perceelsafscheiding, eerst na verkrijging van het perceel in opdracht van [gedaagde sub 2] sr. is aangelegd. Dat voordien de stroken grond reeds in bezit waren genomen door [gedaagde sub 2] sr. heeft [gedaagden] niet gesteld, althans deze stelling onvoldoende onderbouwd. Bij die stand van zaken kan [gedaagden] zich niet erop beroepen dat [gedaagde sub 2] sr. de stroken grond te goeder trouw in bezit heeft genomen. De rechtbank gaat gelet op de voornoemde overgelegde verklaringen ook voorbij aan het rechtsvermoeden zoals neergelegd in artikel 3:118 lid 3 BW . De rechtbank wijst het beroep van [gedaagden] op verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 BW af.

- Bevrijdende verjaring na twintig jaar bezit?

4.20.

Aldus resteert de mogelijkheid dat [gedaagden] de eigendom van de stroken grond op grond van bevrijdende verjaring heeft verkregen, nu daarvoor geen goede trouw is vereist. De verjaring treedt op grond van artikel 3:306 BW in door verloop van twintig jaren. Zij begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de onrechtmatige toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (artikel 3:314 lid 2 BW). Op grond van artikel 3:105 BW verkrijgt vervolgens degene het goed, die het desbetreffende goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.

4.21.

De gemeente heeft voor het eerst in haar brief van 15 maart 2019 (productie 7 bij dagvaarding) aanspraak gemaakt op revindicatie van de stroken grond. Het beroep op verkrijgende verjaring van [gedaagden] zal daarom slechts kunnen slagen indien in voldoende mate in rechte zal komen vast te staan dat de betwiste perceelsgedeelten op of voor 15 maart 1999 ondubbelzinnig in bezit waren genomen. Of daarvan sprake is geweest, zal de rechtbank hierna beoordelen. De rechtbank zal daarbij onderscheid maken tussen de strook grond die grenst aan de voorkant en de strook grond die grenst aan de zijkant van het perceel van [gedaagden]

4.22.

[gedaagden] , op wie te dezer zake de stelplicht en bewijslast rust, stelt dat het bezit van de strook grond aan de voorkant (ter hoogte van de [straat naam 2] ) door [gedaagde sub 2] sr. in oktober 1990 aangevangen is en sedertdien onafgebroken voortgeduurd heeft. De strook grond is sinds 1990 afgescheiden van het perceel van de gemeente door het plaatsen van een ligusterheg die, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van [gedaagden] , in ieder geval al gedurende twintig jaar ondoordringbaar is. [gedaagden] onderbouwt deze stelling middels overlegging van een (onder rechtsoverweging 2.12. geciteerde) verklaring van de heer [persoon 1] die verklaart de ligusterheg in oktober 1990 aangeplant te hebben en middels overlegging van een recente foto van de ligusterheg (productie 6 bij conclusie van antwoord).

4.23.

[gedaagden] stelt dat het bezit van de strook grond aan de zijkant (ter hoogte van de [straat naam 1] ) door [gedaagde sub 2] sr. in 1982/1983 en deels in 1990 is aangevangen en sedertdien onafgebroken voortgeduurd heeft door de aanleg van de (vanaf de strook grond op de voorkant doorlopende) ligusterheg, een poort en een geluidswal met daarop een laurierhaag. De rechtbank begrijpt het gestelde aldus dat [gedaagden] zich erop beroept dat de betwiste strook grond in ieder geval gedurende twintig jaar reeds één geheel vormt met de rest van het perceel van [gedaagden] heeft deze stelling onderbouwd middels de (hiervoor geciteerde) verklaring van de heer [persoon 2] die verklaart de laurierhaag (op de geluidswal) in oktober 1983 aangeplant te hebben en de (hiervoor geciteerde) verklaring van de heer [persoon 1] die verklaart de ligusterheg in oktober 1990 aangeplant te hebben. Ter onderbouwing is voorts overgelegd een oude foto waarop de aangelegde geluidswal en een houten poort (productie 3 bij conclusie van antwoord) te zien zijn en recente foto’s waarop de geluidswal, de laurierhaag en een (thans elektrische) poort te zien zijn (producties 1 en 6 bij conclusie van antwoord). Onder productie 5 bij conclusie van antwoord heeft [gedaagden] een nota voor het vervangen van de houten door een elektrische poort d.d. 22 juni 1999 overgelegd.

4.24.

De gemeente heeft betwist dat sprake is geweest van inbezitneming, maar niet aangevoerd dat – mocht daar in rechte anders over worden geoordeeld - geen sprake is geweest van inbezitneming voor 15 maart 1999, met als gevolg dat de verjaringstermijn van 20 jaar nog niet is verstreken. Gelet op het oordeel dat sprake is geweest van inbezitneming, heeft de rechtbank – mede gelet op hetgeen [gedaagden] heeft aangevoerd over het moment waarop de beplanting rondom de stroken grond is aangebracht – aldus ervan uit te gaan dat daarvan ook reeds sprake is geweest op 15 maart 1999 met als gevolg dat de termijn van twintig jaren verstreken is. Het voorgaande uiteraard behoudens het geval de gemeente zal slagen in haar bewijsopdracht ter zake van de strook grond aan de voorkant.

4.25.

Het voorgaande brengt mee dat de revindicatievordering van de gemeente jegens [gedaagden] in elk geval voor wat betreft het perceelsgedeelte aan de zijkant zal worden afgewezen. Voor het geval de gemeente niet zal slagen in haar bewijsopdracht zal ook de revindicatievordering jegens [gedaagden] voor wat betreft de strook grond aan de voorkant van het perceel worden afgewezen.

Onrechtmatige daad - wist [gedaagde sub 2] sr. dat de stroken grond niet van hem waren?

4.26.

Ten aanzien van de subsidiaire, tot [gedaagde sub 2] sr. gerichte, vordering tot schadevergoeding overweegt de rechtbank om proceseconomische redenen - op voorhand - als volgt.

4.27.

Voor het geval geoordeeld wordt dat de gemeente door bevrijdende verjaring de eigendom van de stroken grond verloren heeft, stelt de gemeente dat [gedaagde sub 2] sr. onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld door de stroken grond te kwader trouw in bezit te nemen. De gemeente verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309) waarin wordt overwogen dat wanneer een persoon een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onrechtmatig handelt. Als die situatie zich voordoet, brengt dat met zich mee dat de gemeente, mits aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan, kan vorderen dat door [gedaagde sub 2] sr. de schade wordt vergoed die de gemeente als gevolg van het verlies van eigendom lijdt. De gemeente vordert een bedrag ad. € 12.000,00 aan schadevergoeding (120 m² x € 100,00 = € 12.000,00).

4.28.

De rechtbank stelt voorop dat het ontbreken van de goede trouw als bedoeld in artikel 3:118 BW nog niet voldoende is voor het aanvaarden dat sprake geweest is van inbezitneming ‘wetende dat een ander eigenaar is’. De stelplicht en de bewijslast van deze wetenschap ligt bij degene die zijn eigendom door verjaring heeft verloren.

4.29.

De gemeente heeft aangevoerd dat [gedaagde sub 2] sr. wist, althans redelijkerwijs had kunnen weten, dat hij te kwader trouw de stroken grond in bezit nam. Dat volgt volgens de gemeente uit de openbare kadastrale registers en, voor wat betreft de grond aan de voorkant, ook uit de door de gemeente onder productie 20 overgelegde verklaring van [gedaagde sub 2] sr.

4.30.

[gedaagde sub 2] sr. betwist dat hij onrechtmatig jegens de gemeente gehandeld heeft doordat hij de stroken grond in bezit zou hebben genomen wetende dat hij daarop geen recht had. Daarbij beroept [gedaagde sub 2] sr. zich in de eerste plaats erop dat hij de stroken grond in 1982 krachtens rechtsgeldige titel geleverd heeft gekregen.

4.31.

Bij de beoordeling van dit verweer stelt de rechtbank het volgende voorop. Voor de beantwoording van de vraag wat in 1982 aan [gedaagde sub 2] sr. is geleverd, komt het aan op de in de akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, af te leiden uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. De akte van levering waarbij [gedaagde sub 2] sr. het perceel heeft verkregen is niet overgelegd. Gelet op hetgeen door [gedaagde sub 2] sr. aan [gedaagden] is geleverd is voorshands ook niet aannemelijk te achten dat [gedaagde sub 2] sr. krachtens de akte van levering waarbij hem het perceel is geleverd de eigendom van de stroken grond heeft verworven. Bij die stand van zaken faalt het verweer van [gedaagde sub 2] sr. dat hij de eigendom van de betwiste perceelsgedeelten heeft verworven bij akte van levering in 1982.

4.32.

[gedaagde sub 2] sr. voert in de tweede plaats aan dat voor zover hij niet reeds bij akte van levering geacht kan worden de eigendom te hebben verworven van de betwiste perceelsgedeelten, sprake is geweest van een situatie waarin hij een reeds aangevangen inbezitneming heeft voortgezet. Reeds in 1982 was sprake van een situatie waarbij de betwiste perceelsgedeelten visueel één geheel vormden met het aan hem geleverde perceel, met als gevolg dat in elk geval niet aan hem kan worden verweten dat hij te kwader trouw de betwiste perceelsgedeelten in bezit heeft genomen, zo begrijpt de rechtbank het gestelde.

4.33.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde sub 2] sr. geen stukken heeft overgelegd die zijn stelling onderbouwen dat de betwiste perceelsgedeelten visueel één geheel vormden met het aan hem geleverde perceel in 1982. Anderzijds zijn er omstandigheden die doen vermoeden dat de situatie ten tijde van verkrijging door [gedaagde sub 2] sr. in 1982 een andere is geweest dan de situatie zoals die thans is.

Zo staat als onweersproken vast dat de strook grond aan de voorkant pas in 1990, bij aanleg van de rotonde, is vrijgekomen, hetgeen niet te rijmen valt met hetgeen [gedaagde sub 2] sr. ter onderbouwing van zijn betwisting aanvoert.

Voor de strook grond aan de zijkant neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde sub 2] sr. zelf aanvoert dat hij in 1983 van de gemeente een vergunning voor de aanleg van de geluidswal zou hebben verkregen. Deze geluidswal is dus kennelijk door [gedaagde sub 2] sr. aangelegd. Tevens voert [gedaagde sub 2] sr. aan – zoals hierna nog nader wordt toegelicht – dat hij zelf navraag bij de gemeente heeft gedaan over de vraag waar de perceelsgrens loopt aan de zijkant van het perceel. Daaruit volgt dat [gedaagde sub 2] sr. kennelijk destijds zelf twijfelde aan de eigendomsverhoudingen met betrekking tot de strook grond aan de zijkant, hetgeen aanleiding had moeten vormen om zich nader te laten informeren, waarbij raadpleging van het kadaster voor de hand heeft gelegen.

4.34.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen [gedaagde sub 2] sr. heeft aangevoerd over de wijze waarop het perceel destijds aan hem is geleverd en hij om die reden als te goeder trouw kan gelden, een onvoldoende gemotiveerde betwisting vormt van het door de gemeente gestelde.

4.35.

Subsidiair betwist [gedaagde sub 2] sr. – zo begrijpt de rechtbank hetgeen door hem is aangevoerd – dat het verwijt dat hij de stroken grond in bezit heeft genomen ‘wetende dat’ deze aan de gemeente toebehoorden, met de stelling dat hij in 1983 – bij aanvraag van een vergunning voor het aanleggen van de geluidswal – de gemeente heeft gevraagd naar de ligging van de perceelgrens, waarbij door de gemeente is aangegeven dat de litigieuze strook grond aan de zijkant van het perceel tot het perceel van [gedaagde sub 2] sr. behoorde.

4.36.

De gemeente betwist het gestelde.

4.37.

De rechtbank is van oordeel dat voor zover het door [gedaagde sub 2] sr. gestelde zou komen vast te staan, [gedaagde sub 2] sr. niet kan worden verweten de strook grond aan de zijkant te kwader trouw in bezit te hebben genomen. Immers, in een dergelijk geval kan hem bezwaarlijk worden verweten deze van de gemeente verkregen informatie nog te hebben geverifieerd aan de hand van de gegevens in het kadaster. Het gestelde betreft een zelfstandig verweer. Gelet daarop is het aan [gedaagde sub 2] sr. zijn stelling te bewijzen. De rechtbank zal [gedaagde sub 2] sr. daartoe de gelegenheid geven.

4.38.

Voor het geval dat [gedaagde sub 2] sr. niet zal slagen in het leveren van het aan hem opgedragen bewijs overweegt de rechtbank reeds nu dat zij de stelling passeert dat de vordering tot schadevergoeding ter compensatie van het verlies van eigendom is verjaard. In artikel 3:310 lid 1 BW staat dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. In een geval als dit begint de verjaringstermijn niet eerder dan het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies (en met de daarvoor aansprakelijke persoon) (vgl. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, r.o. 3.7.4). Gesteld noch gebleken is dat de gemeente eerder dan het onderzoek in 2019 bekend is geworden met de in bezit name van de stroken grond.

4.39.

Voor zoveel noch de gemeente noch [gedaagde sub 2] sr. zal slagen in het leveren van het opgedragen bewijs, komt vast te staan dat de gemeente de eigendom van de stroken grond door bevrijdende verjaring verloren heeft, en zal de gevorderde schadevergoeding worden toegewezen tot een bedrag ad € 12.000,00 (120 m² x € 100,00 = € 12.000,00). [gedaagde sub 2] sr. heeft immers niet de omvang van de stroken grond betwist en heeft niet, althans niet gemotiveerd betwist dat de grondprijs die de gemeente hanteert € 100,00 per m² bedraagt of dat dit een redelijke vergoeding voor de stroken grond is.

4.40.

Ten behoeve van de bewijsvoering zal de zaak naar de rol worden verwezen als hierna te vermelden. In afwachting van de bewijsvoering wordt iedere verder beslissing aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt de gemeente op te bewijzen dat begin jaren 90 na aanleg van de rotonde grenzend aan het perceel van [gedaagden] tussen de gemeente en [gedaagde sub 2] sr. een overeenkomst van bruikleen ten aanzien van het gebruik van de strook grond aan de voorkant tot stand gekomen is,

5.2.

draagt [gedaagde sub 2] sr. op te bewijzen dat de gemeente hem ten tijde van zijn aanvraag van de vergunning voor het aanleggen van de geluidswal in 1983 heeft geïnformeerd dat het betwiste perceelsgedeelte aan de zijkant van het perceel tot zijn perceel behoorde,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 december 2020 vooruitlating door de gemeente en [gedaagden] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.4.

bepaalt dat de gemeente en [gedaagden] , indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

5.5.

bepaalt dat de gemeente en [gedaagden] , indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari tot en met juni 2021 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. Schild in het gerechtsgebouw te Breda aan Stationslaan 10,

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Schild en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature