< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

NO verklaren bewaarschrift tegen afwijzen aanvraag tegemoetkoming tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW)

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 20/7390 NOW VV

uitspraak van 16 juli 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

YourResults B.V. te Etten-Leur, verzoekster,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 juni 2020 van de minister (bestreden besluit) inzake de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekster heeft verzocht om, in het kader van de spoedeisendheid, af te zien van een zitting en op basis van de stukken een uitspraak te doen. Het UWV heeft, desgevraagd, aangegeven akkoord te zijn met een uitspraak zonder zitting.

Mede gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om zonder zitting uitspraak te doen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW).

Met het besluit van 8 april 2020 (primair besluit) heeft de minister geweigerd NOW toe te kennen.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Met het bestreden besluit is het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard.

2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat zij uit de brief van 15 juni 2020 heeft opgemaakt dat het bezwaar in behandeling zou worden genomen. Verzoekster doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Verder heeft verzoekster opgemerkt dat de niet-ontvankelijkverklaring disproportioneel is.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van détournement de pouvoir omdat het UWV haar bevoegdheid alleen heeft gebruikt om tot buiten behandelingstelling van het bezwaar te komen, terwijl het bezwaar aan alle eisen van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voldoet.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat het UWV een bedrag van € 109.724,97 moet betalen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemzaak niet.

4. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid is bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5.1

In geschil is of het bezwaarschrift van verzoekster tijdig is ingediend. Verzoekster stelt op 20 mei 2020 het bezwaarschrift per post te hebben verzonden. Het UWV heeft gesteld dat niet eerder dan met het e-mailbericht van 8 juni 2020 het bezwaarschrift van 20 mei 2020 is ontvangen. Niet in geschil is dat als het bezwaar pas op 8 juni 2020 is ontvangen, dat dit te laat is.

5.2

Het is vaste rechtspraak dat de indiener van het bezwaarschrift in beginsel het risico draagt dat zijn poststuk de geadresseerde niet bereikt wanneer dit niet aangetekend is verzonden en de ontvangst daarvan in geval van ontkenning niet anderszins aannemelijk wordt gemaakt. De enkele stelling dat het stuk ter post is bezorgd is onvoldoende om aan te nemen dat het stuk is verzonden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2020:1350). Omdat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bezwaarschrift is verzonden op 20 mei 2020 kan niet anders geconcludeerd worden dan dat het bezwaar te laat is ingediend.

5.3

Verzoekster heeft geen redenen aangegeven voor de late indiening van het bezwaar. Het bezwaar is daarom op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. De verwijzing naar ECLI:NL:GHAMS:2014:3203 kan niet slagen. Nog los van het gegeven dat het hier niet om een uitspraak gaat van de hogere beroepsinstantie in sociale zekerheidszaken, ging het in deze zaak niet om een te laat ingediend bezwaar. Termijnen voor het indienen van bezwaar en beroep zijn van openbare orde. Alleen als er een verschoonbare reden is, kan een te laat ingediend bezwaar alsnog inhoudelijk in behandeling worden genomen.

5.4

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2020:559). Zoals eerder opgemerkt gaat het hier om termijnen van openbare orde en dus niet om het uitoefenen van bevoegdheden van een bestuursorgaan. Onder omstandigheden kunnen toezeggingen van een bestuursorgaan er wel toe leiden dat er een verschoonbare reden is voor de termijnoverschrijding. Het moet daarbij dan ook gaan om duidelijke en concrete toezeggingen. Het zal dan in de regel moeten gaan om toezeggingen die zijn gedaan voor afloop van de bezwaartermijn.

5.5

Nog los van het feit dat er in ieder geval geen sprake is van toezeggingen die zijn gedaan voor afloop van de bezwaartermijn is de voorzieningenrechter van oordeel dat er met de brief van 15 juni 2020 geen duidelijke en ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan dat het bezwaar van 20 mei 2020 inhoudelijk in behandeling zou zijn genomen. Deze brief is niet anders dan een kennisgeving van de ontvangst van een bezwaarschrift, waarbij ook niet duidelijk is van welke datum het bezwaarschrift is. In de brief wordt weliswaar opgemerkt dat het bezwaar in behandeling wordt genomen, maar daaruit is niet op te maken dat er ook daadwerkelijk een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar zou plaatsvinden. Het bezwaar is uiteindelijk ook in behandeling genomen, zij het dat geconcludeerd is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

5.6

De voorzieningenrechter stelt vast dat het UWV in het bestreden besluit de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb heeft genoemd. Het gaat hier echter om de toepassing van de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb . Hoewel deze artikelen niet genoemd worden in het bestreden besluit, moet dit, gelet op de inhoud van het bestreden besluit, met name de motivering die aan de niet-ontvankelijkverklaring ten grondslag ligt, worden aangemerkt als een kennelijke vergissing. Verzoekster wordt dan ook niet gevolgd in haar stelling dat er sprake is van détournement de pouvoir.

6. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen. De voorzieningenrechter realiseert zich dat door de afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening er onomkeerbare gevolgen kunnen optreden. Gelet echter op de wettelijke bepalingen inzake de ontvankelijkheid kan de voorzieningenrechter niet anders oordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.Z.B. Sterk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2020 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature