< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

afwijzen van het verzoek om medenaturalisatie van eiser.

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 19/2377 RWNL

uitspraak van 19 maart 2020 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , te [plaatsnaam] , eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (IND), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 april 2019 (bestreden besluit) van de staatssecretaris inzake het afwijzen van het verzoek om medenaturalisatie van eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 6 maart 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De staatssecretaris is, na voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 29 november 2012 hebben de vader van eiser en diens echtgenote een verzoek om naturalisatie tot Nederlander ingediend. Daarbij heeft de vader van eiser verzocht zijn minderjarige zoon, eiser, geboren op 5 mei 1995, mede te naturaliseren tot Nederlander.

In het besluit van de staatssecretaris van 19 augustus 2013 (primair besluit) heeft de staatssecretaris de vader van eiser en diens echtgenote voorgedragen voor naturalisatie tot Nederlander. Reeds omdat eiser op dat moment meerderjarig was en daarmee niet voldeed aan de voorwaarde van minderjarigheid van artikel 11, lid 1, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) heeft de staatssecretaris het verzoek om eiser mede te naturaliseren afgewezen.

Daarbij voldeed eiser volgens de staatssecretaris ook niet aan andere voorwaarden en met name niet aan de voorwaarde dat op grond van het gedrag van eiser geen ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

In dat verband heeft de staatssecretaris er op gewezen dat uit informatie van de Justitiële Documentatiedienst is gebleken dat eiser wegens een misdrijf is veroordeeld tot 180 uren werkstraf, korter dan vier jaren voor dat primaire besluit.

Gelet daarop heeft de staatssecretaris in het primaire besluit geconcludeerd dat ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 9, lid 1, onder a, van de RWN .

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt bij brief van 29 januari 2019. Desgevraagd heeft eiser bij brief van 11 maart 2019 gesteld niet eerder bezwaar tegen het primaire besluit te hebben kunnen aantekenen omdat hij van het bestaan van de weigering hem te naturaliseren niet op de hoogte was. Hij wijst er daarbij op dat het primaire besluit niet aan hem is bekend gemaakt en eerst door de gemeente Tilburg op 29 januari 2019 aan hem is bekend gemaakt. De staatsecretaris heeft erkend dat het besluit niet aan eiser was gestuurd en vastgesteld dat eiser daar ook niet anderszins van op de hoogte is gebracht vóór 29 januari 2019. Daarom heeft de staatsecretaris het bezwaar ontvankelijk geacht.

Bij het bestreden besluit heeft de staatssecretaris de bezwaren kennelijk ongegrond verklaard.

2. Beroepsgronden

Eiser stelt in beroep – zakelijk weergegeven – dat een kind van de vader of moeder aan wie het Nederlanderschap wordt verleend, onvoorwaardelijk dient te delen in het verkrijgen van dat Nederlanderschap. Dat in dit geval ondanks tijdig aanvragen het Koninklijk besluit van de vader eerst is genomen toen eiser inmiddels niet meer minder-, maar meerderjarig was geworden mag hem niet worden tegengeworpen. De staatssecretaris heeft de positie van eiser tijdens de aanvraag ten onrechte verslechterd door te wachten tot eiser meerderjarig was alvorens te beslissen.

Eiser stelt dat Europees recht zich ertegen verzet dat hij door het enkel meerderjarig worden de nationaliteit van zijn lidstaat niet verkrijgt en daarmee de hoedanigheid van burger van de Unie niet verkrijgt.

Daarbij wijst eiser er op hier te lande te zijn opgegroeid en geworteld te zijn. Ook heeft hij hier zijn schoolopleiding gehad, heeft hij een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en hebben zijn ouders, broers en zusters ook allen de Nederlandse nationaliteit. Onder deze omstandigheden is eiser van mening dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel waarvoor eiser verwijst naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 maart 2019, ECLI:EU:C2019:189.

Tot slot heeft eiser gesteld ten onrechte niet te zijn gehoord met betrekking tot zijn bezwaren tegen het primaire besluit en ook daarvoor verwijst eiser ter ondersteuning naar (het persbericht van de Raad van State bij) het zojuist vermelde arrest.

3. Griffierecht

De rechtbank stelt vast dat het griffierecht niet is betaald. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht wegens betalingsonmacht. Gelet op de door eiser verstrekte informatie is de rechtbank van oordeel dat eiser niet in verzuim is, zodat in het niet-betalen van griffierecht geen aanleiding ligt het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

4. Wettelijk kader

4.1

Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN wordt een naturalisatieverzoek afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de RWN deelt het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend, in deze verlening, indien dit in het besluit uitdrukkelijk is bepaald. Het verzoek tot medeverlening wordt bij het verzoek tot verlening ingediend.

In het derde lid van artikel 11 van de RWN is bepaald dat een verzoek van de vader of moeder tot medeverlening van het Nederlanderschap aan een kind dat ten tijde van het verzoek de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt wordt ingewilligd indien het kind in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf heeft. Het Nederlanderschap wordt slechts verleend, indien het kind daarmee uitdrukkelijk instemt, hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is. Het besluit tot verlening wordt niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.

Lid 5 van artikel 11 van de RWN bepaalt dat aan het niet-Nederlandse kind van een vader of moeder die het Nederlanderschap door optie verkregen heeft of aan wie zulks is verleend, dat minderjarig was op het tijdstip van de verklaring of het verzoek van die ouder, en dat in deze verkrijging of verlening niet deelde wegens het bereiken van de meerderjarigheid, wordt het Nederlanderschap op zijn verzoek verleend:

a. indien hij een onafgebroken periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek en aanvangende vóór het bereiken van de meerderjarigheid toelating en hoofdverblijf en, sedert het tijdstip van het verzoek, toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft,

b. indien hij bereid is bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en

c. ten aanzien van hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is.

(…)

4.2

De staatssecretaris heeft in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: Handleiding) aangegeven dat een naturalisatieverzoek wegens gevaar voor de openbare orde onder meer wordt afgewezen, indien op het moment van indiening van het verzoek of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen. Met sanctie wordt niet alleen bedoeld een straf (geldboete, taak- of gevangenisstraf) die door de strafrechter is opgelegd, maar ook bijvoorbeeld strafbeschikkingen of transacties (door politie of Openbaar Ministerie opgelegde boetes). Daarbij is niet relevant of de sanctie voorwaardelijk is opgelegd, en evenmin of de tenuitvoerlegging geheel of gedeeltelijk door gratie is kwijtgescholden. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden is afwijking mogelijk.

Van een serieuze verdenking is onder meer sprake, als:

a. tegen de vreemdeling proces-verbaal wegens misdrijf is opgemaakt, en de strafzaak niet is beëindigd of de strafbeschikking niet is uitgevaardigd;

b. tegen de vreemdeling een strafzaak wegens misdrijf openstaat;

c. de vreemdeling zich nog in de proeftijd bevindt. Een proeftijd kan worden verbonden aan een voorwaardelijk sepot, een voorwaardelijke veroordeling of voorwaardelijke gratie; of

d. er sprake is van een nog niet onherroepelijk geworden strafvonnis.

Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt volgens de Handleiding niet gebaseerd op zomaar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen.

Volgens de Handleiding (paragraaf 6) is het in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat de staatssecretaris een verzoek dat hij volgens vorenstaande regels moet afwijzen, toch inwilligt. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat de staatssecretaris niet snel van het beleid afwijkt en moet hij zeer grote terughoudendheid betrachten, aldus de Handleiding. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien wel ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag de staatssecretaris hem volgens de Handleiding niet naturaliseren. Daarvan kan de staatssecretaris niet met toepassing van artikel 10 van de RWN afwijken. Als naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de naturalisatieprocedure worden betrokken.

In de Handleiding (paragraaf 6) is aangegeven dat uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), kan worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:

• nimmer eerder een (dergelijk) strafbaar feit heeft gepleegd;

• lering heeft getrokken uit het gebeurde;

• thans ieder strafbaar gedrag poogt te vermijden;

• de misdraging heeft gepleegd in een bijzonder moeilijke periode die definitief is afgesloten;

• als enige binnen het gezin geen Nederlander is;

• minderjarig was toen hij het strafbare feit pleegde;

Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voor zover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.

Beoordeling

5.1

Aan de orde is de vraag of de staatssecretaris terecht het verzoek tot medenaturalisatie ten aanzien van eiser heeft afgewezen.

5.2

De rechtbank overweegt met betrekking tot de grief van eiser dat zijn positie is verslechterd doordat de staatssecretaris pas op zijn verzoek om (mede-)naturalisatie heeft beslist toen eiser meerderjarig was, als volgt.

De staatssecretaris heeft terecht gewezen op artikel 11, eerste lid, van de RWN . Eiser was inmiddels meerderjarig zodat dit artikellid eiser niet kon helpen. De staatssecretaris wijst er vervolgens terecht op dat juist voor dit soort gevallen (minderjarig ten tijde van het verzoek en meerderjarig ten tijde van het besluit) het vijfde lid van artikel 11 van de RWN een regeling kent. Daarom kan niet worden gesproken van een verslechtering van de situatie van eiser. Het hier relevante toetsingskader voor de minderjarige en (inmiddels) meerderjarige is namelijk hetzelfde. Waar in artikel 11, derde lid, van de RWN voor minderjarigen als voorwaarde geldt dat “op hem geen van de afwijzingsgronden van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, van toepassing is ”, geldt voor de (ondertussen) meerderjarige die met toepassing van het vijfde lid wil worden genaturaliseerd diezelfde voorwaarde (lid 5, aanhef en onder c).

Het niet voldoen aan deze voorwaarde wordt eiser tegengeworpen (zie hierna onder 5.3).

Dit betekent dat de situatie dat eiser de gewenste nationaliteit niet verkrijgt enkel door meerderjarig te worden gedurende de procedure, zich niet voordoet. Van de door eiser gestelde strijd met het Europese recht is dan ook geen sprake. Weliswaar heeft eiser in dit verband gewezen op een uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 12 maart 2019, maar daarin was nadrukkelijk een andere casus onderwerp van het geschil. Het ging daar om het verlies van unieburgerschap, waar het in deze procedure gaat om het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit van iemand – eiser – die nooit unieburger is geweest.

5.3

De afwijzing in het bestreden besluit is tevens gebaseerd op artikel 9 van de RWN voor zover daarbij gesproken wordt over ‘bestaande ernstige vermoedens dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk’.

Uit vaste jurisprudentie van de AbRS (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2321) volgt dat het beleid dat is neergelegd in de Handleiding mag dienen als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens.

Nu eiser ten tijde van het bestreden besluit verschillende strafzaken ter zake van misdrijven had openstaan, leidt toepassing van het beleid in beginsel tot afwijzing van het naturalisatieverzoek. Dat er nog geen uitspraak was gedaan in alle strafzaken, doet niet ter zake. Eiser werd verdacht van het plegen van misdrijven waartegen ten tijde van het bestreden besluit nog geen sanctie was opgelegd. Daarnaast bevond eiser zich nog in zijn proeftijd ter zake van een gepleegd misdrijf. Op deze zaken waren de nummers 20-003510-14, 20-003406-18 en 02-091334-18 van toepassing.

Er was daarom voldoende reden aan te nemen dat er serieuze verdenkingen bestaan dat eiser een gevaar voor de openbaar orde vormt. Gelet op artikel 9, eerste lid, onder a, van de RWN moest de staatssecretaris het verzoek daarom afwijzen.

5.4

De vraag die vervolgens voorligt is of de staatssecretaris aanleiding had moeten zien af te wijken van het beleid. Eiser heeft daartoe gesteld dat de staatssecretaris in strijd met de geest van de wet niet heeft afgeweken van de letter van de wet waardoor eiser als enige van zijn gezin niet is genaturaliseerd tot Nederlander, terwijl hij hier is opgegroeid en geworteld en hij een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft.

Gelet op de tekst van de Handleiding en de zeer terughoudende toetsing zijn in wat eiser aanvoert naar het oordeel van de rechtbank – ook in onderlinge samenhang bezien – geen zeer bijzondere omstandigheden gelegen die tot het oordeel zouden moeten leiden dat er ten aanzien van eiser ten tijde in geding geen sprake is van ernstige vermoedens dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de RWN .

6. Voor zover eiser heeft betoogd dat het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard en dat hij gehoord had moeten worden in de bezwaarfase, overweegt de rechtbank het volgende.

De AbRS heeft in een uitspraak van 3 december 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BG5910) overwogen dat van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Voorts heeft de AbRS in een uitspraak van 2 november 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB8168) overwogen dat de beslissing om met toepassing van de genoemde bepaling van horen af te zien, dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld.

Nu eiser in bezwaar niet heeft betwist dat tegen hem destijds vervolgingen voor misdrijven openstonden, hij ten tijde van het primaire besluit niet meer minderjarig was en er ook overigens geen geschil is over de juistheid van het in het primaire besluit aangenomen feitencomplex, was er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel dat de bezwaren niet konden leiden tot een ander besluit. De staatssecretaris heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat aan genoemde maatstaf om af te zien van het horen is voldaan.

7. Ter zitting heeft eiser nog gesteld dat hij, omdat hij Kosovo had verlaten voordat dit een zelfstandig onafhankelijk land was, mogelijk als statenloos moet worden aangemerkt.

De rechtbank wijst er op dat die stelling eerst ter zitting aan de orde is gekomen en in het geheel niet is onderbouwd. Onder deze omstandigheden is het voor de staatssecretaris onmogelijk hierop een onderbouwde reactie te geven. De rechtbank acht het daarom in strijd met de goede procesorde om deze stelling in de beoordeling te betrekken.

Conclusie

8. Gezien het vorenstaande heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ernstige vermoedens bestonden dat eiser een gevaar vormde voor de openbare orde. Nu zowel het derde lid als het vijfde lid van artikel 11 van de RWN de voorwaarde stellen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, met inbegrip van het tweede lid van dat artikel, is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris het verzoek om eiser mede te naturaliseren tot Nederlander terecht heeft afgewezen en het bezwaar daartegen terecht kennelijk ongegrond heeft geacht.

9. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van R.V. van Vliet, griffier op 19 maart 2020 en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature